Conclusie
SVB/[A]en
[B/C]uit 2013, waarin voor deze omkeringsregel een ondergrens werd geformuleerd, te verduidelijken.
1.Feiten
2.Procesverloop
“de kans zeer klein moet worden geacht dat de ziekte van [betrokkene 1] (die ook het gevolg kan zijn van blootstelling aan asbest buiten de sfeer van de werkomgeving bij de Gemeente) is veroorzaakt door een (vermeende) toerekenbare tekortkoming door de Gemeente.”(rov. 4.11). Een (relevante) blootstelling aan asbeststof kan volgens de rechtbank op zichzelf evenmin worden aangenomen in verband met de omstandigheid dat in de ruimtes waarin [betrokkene 1] werkzaamheden verrichtte (onder meer de machinekamer) asbesthoudende materialen waren verwerkt (rov. 4.12-4.13).
grief I), tegen de vaststelling dat indien [betrokkene 1] wel in de ademzone zou hebben gestaan, de blootstelling aan asbest niet relevant is geweest (
grief II), en tegen het oordeel dat de aanwezigheid van [betrokkene 1] in de machinekamer op zichzelf niet tot de conclusie leidt dat hij bij zijn werkzaamheden in deze kamer aan asbeststof is blootgesteld (
grief III).
“in relevante mate”aan asbest blootgesteld is geweest en dat er daarom geen grond is voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel. [10]
Blootstelling door boren in/zitten op de perronbanken (grief I)
(“de afstand tussen de banken en het water”, die het looppad links van de banken langs het water vormde, waarover [betrokkene 1] liep) bij de bedoelde herstelwerkzaamheden aan de perronbanken regelmatig aanwezig. Ook [betrokkene 3] verklaart dat [betrokkene 1] bij de
“werkzaamheden aan de perronbanken” aanwezig was.
“dat hij[[betrokkene 1], hof]
naast je kwam staan en een praatje maakte in de zin van “hoe gaat het”. Bij het boren in de perronbanken kwam stof vrij. Het boren brengt luchtwervelingen teweeg.”Op die perronbanken zaten volgens de verklaring van [betrokkene 2]
“dikke platen”.
“Er kwam behoorlijk wat stof vrij[bij het boren in die perronbanken, hof],
want die platen waren hard. Als je daar aan het boren bent en je loopt er langs heen weet ik zeker dat je het wel ruikt en proeven doe je het ook wel. Dat gold niet alleen voor mij en mijn twee collega’s, maar ook wel voor meneer [betrokkene 1]”, zo verklaarde [betrokkene 2].
“De boorwerkzaamheden deden wij binnen, buiten kon niet want die platen waren enorm zwaar”, aldus [betrokkene 2]. De desbetreffende werkzaamheden duurden volgens [betrokkene 2] in totaal een dag of drie, vier, van ’s morgens 9.00 tot ’s middags 15.00 uur. [betrokkene 1], die werkte van ’s morgens 7.00 à 8.00 uur tot ’s middags om een uur of vijf, kwam daarbij volgens [betrokkene 2] regelmatig kijken.
“Hij liep langs, maar bleef ook staan of wij het goed deden.”Volgens [betrokkene 3] duurden deze werkzaamheden een aantal dagen of dat er twee of vijf zijn geweest, kan hij zich niet meer herinneren. Hij denkt
“dat de platen rond het zwembad een meter of 50, 60 aan bankoppervlak bij elkaar waren.”
“een beetje[kwam, hof]
bijstaan toen we al klaar waren en zei dat is asbest en wees toen op de platen. Hij deelde toen mede dat er in het zwembad Nieuwland meer asbest aanwezig was.”
“luchtwervelingen”(zie de aanhaling hiervoor van de verklaring van [betrokkene 3]) uiteraard verloren. Ook al was de lucht in het binnenbad vochtig en zal de lucht mogelijk geen grote afstanden hebben afgelegd, [betrokkene 1] stond volgens deze verklaringen, zelfs als het looppad links tussen de banken en het water breder was dan 1.20 m, zoals de gemeente veronderstelt, zo dicht in de buurt van de boringen dat dit gegeven het hof niet tot een ander oordeel leidt. Grief I slaagt derhalve.”
Mate van blootstelling, relevantie (grief II)
Blootstelling in machinekamer (grief III)
3.Juridisch kader van het geschil in cassatie
Unilever/Dikmansvan eind 2000. Het ging daar om een werknemer die aan gevaarlijke stoffen was blootgesteld en daarna ziek was geworden. De Hoge Raad overwoog over het bewijs van het causaal verband tussen arbeidsomstandigheden en die ziekte: [18]
Havermans/Luyckxis deze regel van bewijslastverdeling nader uitgewerkt. Niet alleen is vereist dat de werkgever heeft nagelaten maatregelen te treffen ter voorkoming van de schade van de werknemer, zodat er sprake is van een normschending, ook is vereist dat de werknemer: [20]
isblootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen, en
aannemelijkmaakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten welke door die blootstelling kunnen zijn veroorzaakt. [21]
in gevallen als het onderhavige” niet de toepassing van de omkeringsregel rechtvaardigt. [22] De werknemer moet met meer komen: hij moet het verband aannemelijk maken tussen de werkzaamheden waarbij volgens hem een blootstelling heeft plaatsgevonden en zijn ziekte.
Landskroon/BAMvan begin 2009 herhaalde de Hoge Raad deze vereisten in algemene (niet op gevaarlijke stoffen toegespitste) bewoordingen: [23]
SVB/[A]en
[B/C]van 7 juni 2013. [24] De eerste zaak betrof een werkneemster van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) die RSI-klachten had, welke volgens haar waren veroorzaakt door haar werk bij SVB. De tweede zaak betrof een vordering van de nabestaanden van [C], die als schilder werkzaam was geweest bij onder meer [B] en die was overleden aan de gevolgen van blaaskanker en longkanker. In beide zaken konden voor het geconstateerde ziektepatroon verschillende (en cumulatieve) oorzaken bestaan. In beide zaken was in hoger beroep de vordering van de werknemer toegewezen met toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel. In cassatie werd door de werkgever daartegen opgekomen.
LJNAA8399,
NJ2001/596,
Unilever/Dikmans, HR 23 juni 2006,
LJNAW6166,
NJ2006/354,
Havermans/Luyckxen HR 9 januari 2009,
LJNBF8875,
NJ2011/252,
Landskroon/BAM).”
[B/C]als in
SVB/[A]loopt de door de hoven gegeven toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel in cassatie stuk op deze ondergrens. In
[B/C]meer in het bijzonder, had het hof geoordeeld dat voor de vraag of (aannemelijk is dat) de gezondheidsklachten van [C] kunnen zijn veroorzaakt door de blootstelling aan de gevaarlijke stoffen rechtens geen ondergrens geldt, in die zin dat de grootte van de kans dat de ziekte was veroorzaakt door de werkzaamheden bij [B] daarvoor niet van belang was. [27] Dit oordeel geeft volgens de Hoge Raad blijk van een onjuiste rechtsopvatting. [28]
geen plaats is”.
SVB/[A]en
[B/C]volgt dat de feitenrechter per geval, op grond van de concrete feiten en omstandigheden, moet beoordelen of genoemde ondergrens is gehaald. [33] Hierbij lijkt in ieder geval belang toe te komen aan
“hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook aan de “
schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen”. Beide elementen kunnen volgens de Hoge Raad het vermoeden rechtvaardigen dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. De Hoge Raad heeft - begrijpelijkerwijs [34] - geen indicatie gegeven wanneer de mate van onzekerheid of onbepaaldheid van het causaal verband zodanig is dat toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel
nietgerechtvaardigd moet worden geacht.
een redelijke mate van waarschijnlijkheid”, waarbij het antwoord op de vraag naar welke mate van waarschijnlijkheid voldoende is, afhankelijk zal zijn van de omstandigheden van het geval (waaronder de mate/ernst van de blootstelling, de duur van het dienstverband, de mate/ernst van de zorgplichtschending, de kansinschatting van deskundigen en het bestaan van andere relevante dienstverbanden). [35] Hartlief meent dat sprake zal moeten zijn van “
een behoorlijk grote kans” dat de schade is veroorzaakt door de werkomstandigheden. [36] Ik citeer:
Nefalit/Karamuseen bovengrens van een zeer grote kans in welk geval algehele toewijzing volgt). Is daarvan geen sprake, dan is toepassing van het
Unilever/Dikmans-regime niet aangewezen, doch kan eventueel, uiteraard ervan uitgaande dat in ieder geval geen sprake is van een zeer kleine kans (in welk geval in het kader van
Nefalit/Karamusalgehele afwijzing aan de orde is), nog het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid uitkomst bieden. Dat de Hoge Raad toepassing van de commune noch die van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel expliciet wil beperken tot gevallen waarin het slechts gaat om het overbruggen van ‘het laatste restje onzekerheid’ (resp. in HR 23 november 2012, NJ 2012/669 en in het hier besproken arrest
SVB/[A]), doet aan mijn indruk dat het wel degelijk moet gaan om een behoorlijk grote kans niet af.”
Cijsouw/De Scheldeuit 1993, aangenomen dat deze ziekte het gevolg kan zijn van inademing van één ‘asbestkristal. [43]
isveroorzaakt. De kans dat de ziekte zich ontwikkelt is groter naarmate de duur/frequentie en het niveau van de blootstelling toenemen.. [44] Uit
Cijsouw/De Schelde Iblijkt voorts voorts dat de onzekerheid omtrent de vraag wanneer het fatale ‘asbestkristal’ in het lichaam van de betrokken werknemer terecht is gekomen, voor risico van de werkgever komt, ook als dat geweest zou zijn in de periode voordat de werkgever geacht moest worden van de gevaren van asbest op de hoogte te zijn geweest en waarin hij dus niet tekortgeschoten was. [45] In het arrest
De Schelde/Cijsouw IIuit 1998 bevestigde de Hoge Raad dat de werkgever aansprakelijk is indien hij tekort is geschoten in het nemen van veiligheidsmaatregelen en de kans op mesothelioom daardoor in aanmerkelijke mate is vergroot. [46]
Weststrate/De Schelde, [47] gewezen kort na
Unilever/Dikmans, ging het om een werknemer bij wie een mesothelioom was geconstateerd. In geschil was of deze werknemer, die in zijn zeventienjarig dienstverband werkzaam was geweest achtereenvolgens als aanwezigheidscontroleur, administratief medewerker en groepsleider (dus kennelijk niet in technische functies), was geslaagd in het bewijs dat hij tijdens zijn dienstverband was blootgesteld aan asbest. Uit dit arrest volgt dat de enkele
mogelijkheidvan blootstelling aan gevaarlijke stoffen niet voldoende is (rov. 3.4). De werknemer moet stellen en zo nodig bewijzen dat hij aan asbeststof
isblootgesteld (rov. 3.6). [48] Asser merkt in zijn noot bij dit arrest op: [49]
Hertel/Van der Lugtten slotte betreft een asbestzaak waarin alternatieve veroorzaking aan de orde was. [50] Bij de werknemer had zich (op hoge leeftijd) mesothelioom geopenbaard. Het gerechtshof in die zaak had zowel art. 6:99 BW Pro, dat ziet op gevallen van alternatieve veroorzaking door meer dan één aansprakelijke partij, als de algemene omkeringsregel toegepast. [51] In de onderhavige zaak speelt art. 6:99 BW Pro geen rol omdat er maar één werkgever is die wordt aangesproken. Vandaar dat in het partijdebat de toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel centraal staat.
floodgatesopengaan. Daarvoor is het aantal met [betrokkene 1] vergelijkbare gevallen naar verwachting te klein. Men mag ook hopen dat, gelet op het al geruime tijd geldende verbod op het gebruik van asbest, [52] het aantal ziektegevallen zal afnemen. [53]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
“overigens”niet relevant is, nu zelfs een eenmalige blootstelling tot een mesothelioom kan leiden. De voor asbestose vastgestelde MAC-grenswaarden gelden daarom niet voor mesothelioom, zo wordt gesteld. [54] Het onderdeel geeft vervolgens de overwegingen van het hof met betrekking tot de toepasselijkheid van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel (rov. 5.6-5.15) samengevat weer [55] en stelt dat dit oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is.
het gerechtvaardigd is er als uitgangspunt van uit te gaan” dat het mesothelioom
isveroorzaakt door die blootstelling. [56]
wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen.” [59] Ook kan, met [eiseres], de vraag worden gesteld wat de werknemer dan nog meer zou moeten stellen en aannemelijk maken. In de voorgestelde opvatting is de arbeidsrechtelijke omkeringsregel ook makkelijker toe te passen omdat ondergrens-toets in een situatie als hier aan de orde achterwege kan blijven. Immers, als de hiervoor genoemde omstandigheden (i) tot en met (iv) zich voordoen dan is de ondergrens ‘gepasseerd’ en is genoemd vermoeden derhalve gerechtvaardigd.
in het geval het verband … te onzeker of te onbepaald is”. Tevens wijzen de woorden “
is voor dat vermoeden geen plaats” in diezelfde rechtsoverweging erop dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel pas toepassing kan vinden als het verband tussen de ziekte en de werkomstandigheden voldoende aannemelijk is gemaakt. De medische monocausaliteit van mesothelioom betekent, anders dan [eiseres] ingang wil doen vinden, niet zonder meer dat een ‘feitelijke monocausaliteit’ moet worden aangenomen tussen één blootstelling in het kader van het dienstverband bij de aangesproken werkgever en de (latere) ontwikkeling van deze ziekte bij de betrokken werknemer. Daarvoor geldt nu juist de hiervoor genoemde eis van ‘een behoorlijk grote kans’. Of een dergelijke kans zich in een concreet geval voordoet, zal mede afhangen van bijkomende omstandigheden. Niettemin is wel duidelijk dat die ‘behoorlijk grote kans’ zich bij een ziekte als mesothelioom in vergelijking met andere gezondheidsklachten, zoals RSI en burn-out, zich eerder zal voordoen.
SVB/[A]en
[B/C]moet er een behoorlijk grote kans bestaan dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door blootstelling bij de aangesproken werkgever.
SVB/[A]en
[B/C], steun te vinden is voor de door het subonderdeel verdedigde opvatting. [62] Anderzijds zijn er ook precedenten waarin meer casuïstisch wordt ingegaan op alle omstandigheden die relevant kunnen zijn voor het beantwoorden van de vraag wat in de concrete zaak de kans was dat de gezondheidsklachten van de werknemer daadwerkelijk zijn veroorzaakt door de werkomstandigheden bij de aangesproken werkgever, welke zaken overigens niet over een asbestziekte gaan. [63] Een en ander onderstreept het belang voor de rechtspraktijk van (meer) duidelijkheid over de ‘ondergrens’, zowel in het algemeen als meer specifiek in asbestgevallen.
allereerstdat het hof heeft miskend dat het, althans onder de omstandigheden zoals in subonderdeel 2.1 weergegeven, aan de werkgever is om de omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen dat het oorzakelijk verband tussen werk en schade
“niettemin”te onzeker of te onbepaald is om toepassing van de omkeringsregel te rechtvaardigen. De ondergrens zou een ‘tenzij-regel’ zijn, waar de werkgever beroep op kan doen maar daarbij ook de stelplicht en, voor zover nodig, de bewijslast heeft.
is voor dat vermoeden geen plaats” (zie 4.9). Als de Hoge Raad een weerlegbaar vermoeden had bedoeld, dan zou hij naar ik mag aannemen in
SVB/[A]en
[B/C]voor een formulering hebben gekozen die dat idee duidelijk uitdrukt. Ik merk ook op dat de ondergrens tot uitdrukking brengt dat de mate van waarschijnlijkheid c.q. aannemelijkheid van het oorzakelijk verband tussen de gezondheidsklachten en de arbeidsomstandigheden zodanig moet zijn dat het gerechtvaardigd is uit te gaan van een vermoeden van causaliteit ten gunste van de werknemer. Daarmee vormt de ondergrens onderdeel van het door de
werknemerte stellen en - bij voldoende gemotiveerde betwisting - aannemelijk te maken ‘feit’ dat de gezondheidsklachten door de werkzaamheden bij de aangesproken werkgever (of diens rechtsvoorganger) zijn ontstaan.
tweede klachtvan dit subonderdeel klaagt dat het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd dan wel onjuist is, omdat:
“daaruit”niet dat het hof
“de voor daadwerkelijk bewijs daarvan vereiste maatstaf heeft aangelegd”.
“voor dit oordeel verder voldoende acht”), bij dit oordeel niet enkel betrokken de mate van blootstelling en (de aannemelijkheid van) het bestaan van andere asbestblootstellingen, maar heeft het hof eveneens erop gewezen dat de blootstelling bij de gemeente een incidentele blootstelling betrof (rov. 5.10, 1e deel) en ten slotte dat geen van de werknemers van de gemeente, ook niet degenen die de boorwerkzaamheden hebben verricht, een asbest gerelateerde ziekte hebben gekregen (rov. 5.11, in fine). De klacht faalt dan ook.
derde klachtvan subonderdeel 2.2 betoogt dat het hof in rov. 5.15 het bewijsaanbod van [eiseres] ten onrechte als onvoldoende gespecificeerd heeft gepasseerd, nu aan dat
“(tegen)bewijsaanbod”geen specificiteitseis mocht worden gesteld.
geenaanbod tot tegenbewijs [71] behelst, maar een
‘gewoon’(getuigen)bewijsaanbod.
OZ Export/Roozen Hollandconcretiseert de Hoge Raad welke (specificiteits)eisen voor het aanbod tot getuigenbewijs in hoger beroep gelden. [73] Een aanbod tot het leveren van
tegenbewijsdoor middel van getuigen behoeft in beginsel niet te worden gespecificeerd, ook niet in appel. [74] Als gezegd ging het hier niet om een aanbod tot tegenbewijs.
“de relevante blootstelling” [75] ) te onzeker dan wel te onbepaald is.
“in een geval als dit”niet van belang is de kans dat als gevolg van de relevante asbestblootstelling mesothelioom ontstaat. [betrokkene 1]
heeftimmers mesothelioom ontwikkeld. Het hof zou dit hebben miskend door
“doorslaggevend”te achten de mate waarin [betrokkene 1] bij zijn werkzaamheden aan asbest is blootgesteld en daarbij bovendien uit te gaan van een over de tijd gemeten gemiddelde
. [76]
[B/C], [77] in aanmerking genomen de grootte van de kans dat het mesothelioom van [betrokkene 1] kan zijn veroorzaakt door zijn arbeidsomstandigheden bij de gemeente. In rov. 5.7 hanteert het hof als maatstaf dat voldoende aannemelijk is dat [betrokkene 1] bij de gemeente is blootgesteld aan asbeststof en dat het mesothelioom daardoor
kanzijn veroorzaakt. Aldus uitgaand van de situatie dat [betrokkene 1] daadwerkelijk mesothelioom heeft ontwikkeld, overweegt het hof daarop dat
“de vraag naar de kans dat de ziekte van [betrokkene 1] is veroorzaakt door asbestblootstelling [bedoeld is kennelijk de asbestblootstelling bij de gemeente; BJD] is dan ook, anders dan [eiseres] verdedigt, wel degelijk van belang.”In rov. 5.12 lees ik de bevestiging dat het hof deze maatstaf heeft aangelegd:
“doorslaggevend”voor het niet-toepassen van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel heeft geacht, is het gebaseerd op een te beperkte lezing van het bestreden arrest. Het hof wijst in de (door het subonderdeel bestreden) rov. 5.10 en 5.11 namelijk ook op andere omstandigheden, te weten (i) dat de blootstelling bij de gemeente een
“incidentele blootstelling”betrof (waarmee kennelijk is bedoeld: de
duurof de
frequentievan de blootstelling), [78] (ii) dat IndusTox overtuigend heeft toegelicht dat niet uit te sluiten is dat ook buiten het werk bij de gemeente asbestblootstelling kan hebben plaatsgevonden, (iii) dat (volgens IndusTox) niet onaannemelijk is dat de asbestblootstelling bij de Machinefabriek de oorzaak van de ziekte van [betrokkene 1] is en (iv) dat onweersproken is dat geen van de andere werknemers van de gemeente een asbest gerelateerde ziekte heeft gekregen. Vervolgens komt het hof in rov. 5.12 (“
al met al”) op basis van een optelsom van deze omstandigheden tot het oordeel dat er in casu te veel causaliteitsonzekerheid is om toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel te rechtvaardigen. Derhalve kan dan ook niet gezegd worden dat het hof de mate van blootstelling
“doorslaggevend”heeft geacht. [79] Subonderdeel 3.1 treft daarom geen doel.
“de relevante blootstelling verdeeld over acht uur 0,1 vezels/ml bedraagt, het jaargemiddelde op 0,00011 vezels/ml komt en dat die mate van blootstelling de voor chrysotiel geldende grenswaarde niet overstijgt”. Volgens [eiseres] kan uit een ‘over de tijd gemeten gemiddelde blootstelling’ aan asbestvezels per dag, laat staan over een heel dienstverband, geen conclusie worden getrokken over de kans dat het mesothelioom door die blootstelling is ontstaan (onder c)). Een asbestblootstelling is altijd relevant, omdat één asbestvezel al genoeg kan zijn om de ziekte te veroorzaken. Verder zou aan de door IndusTox gehanteerde, en door het hof aangehaalde, MAC-waarden geen betekenis toekomen (zie onder e) e.v.).
aannemelijkealternatieve oorzaak c.q.
een niet uit te sluitenmogelijkheid elders, willen deze andere blootstelling dit causaal verband op losse schroeven kunnen zetten. In hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de aard en de oorzaak van mesothelioom ligt immers reeds een duidelijke indicatie besloten voor de aannemelijkheid dat de ziekte kan zijn veroorzaakt door de (vaststaande) asbestblootstelling bij de aangesproken werkgever. Dit geldt temeer indien er sprake is van een schending van een geldende veiligheidsnorm door de aangesproken werkgever (waar in de onderhavige zaak in cassatie hypothetisch van moet worden uitgegaan), welke omstandigheid eveneens moet worden meegewogen bij de beantwoording van de vraag of het causaal verband tussen de arbeidsomstandigheden en de schade niet te onzeker dan wel te onbepaald is (zie hiervoor, onder 3.12).
“als oorzaak van de ziekte van [betrokkene 1] volgens IndusTox niet onaannemelijk [is]”. Gelet op het bovenstaande kunnen deze omstandigheden niet op begrijpelijke wijze bijdragen aan het oordeel van het hof dat het causaal verband tussen de gezondheidsschade van [betrokkene 1] en de - vaststaande - blootstelling bij de gemeente te onzeker dan wel te onbepaald is. In een geval als het onderhavige is daarvoor immers naar ik meen meer nodig. Het hof verwijst echter alleen in algemene bewoordingen naar het de omstandigheid dat [betrokkene 1] bij de Machinefabriek
“(vanwege het gebruik van asbest als isolatiemateriaal in ketels) bij uitstek asbest gerelateerde werkzaamheden plaatsvonden”, maar laat na dit concreet te onderbouwen, door bijvoorbeeld te verwijzen naar de aard van de werkzaamheden [82] en arbeidsomstandigheden van [betrokkene 1] aldaar (in relatie tot de niet uit te sluiten asbestblootstelling bij de Machinefabriek). [83] De door het subonderdeel bestreden overwegingen van het hof zijn te dun om op begrijpelijke wijze te kunnen bijdragen aan zijn oordeel dat het causaal verband in casu te onzeker of te onbepaald is. Het subonderdeel slaagt derhalve. [84]
“te meer/bovendien”geldt ten aanzien van de overweging van het hof dat niet onaannemelijk is dat de ziekte van [betrokkene 1] is veroorzaakt door asbestblootstelling tijdens zijn dienstverband bij de Machinefabriek Arnhem (gedurende de periode 1961-1967). Het subonderdeel wijst er onder meer op dat het hof niets heeft vastgesteld omtrent de aard van [betrokkene 1]’ werkzaamheden bij de Machinefabriek en evenmin heeft vastgesteld dat hij bij die werkzaamheden daadwerkelijk aan asbest zou zijn blootgesteld.
anderewerknemers van de gemeente, ook voor zover in 1983 waren in zwembad Het Nieuwland, geldt dat hun situatie in deze zin in elk geval niet vergelijkbaar is met die van [betrokkene 1]. Dat het hof het feit dat deze - niet bij naam bekende - werknemers geen asbest gerelateerde ziekte hebben gekregen, als omstandigheid meeweegt in zijn oordeel dat het causaal verband te onzeker dan wel te onbepaald is dan ook onbegrijpelijk.
SVB/[A]en
[B/C], te absoluut. De werknemer zal ook aannemelijk moeten maken dat er een behoorlijk grote kans is dat de ziekte door de blootstelling bij de aangesproken werkgever is ontstaan. Daarom falen onderdelen 1 en 2. Het belang voor de rechtsontwikkeling van deze zaak ligt bij dit geschilpunt, dat de individuele zaak overstijgt.