In deze zaak staat de exacte ligging van de erfgrens tussen de percelen van eiser en verweerders centraal, waarbij partijen verschillende uitleg geven aan een notariële akte van 10 november 2000. Na eerdere vonnissen en arresten in lagere instanties, heeft het hof Arnhem-Leeuwarden het bewijsaanbod van eiser in hoger beroep afgewezen omdat hij niet concreet en nauwkeurig had toegelicht wat nieuwe getuigen zouden verklaren.
Eiser stelde dat deze eis onjuist was, verwijzend naar vaste rechtspraak waarin wordt bepaald dat in hoger beroep een bewijsaanbod niet onterecht mag worden gepasseerd en dat niet altijd concreet hoeft te worden toegelicht wat getuigen zullen verklaren. De Hoge Raad bevestigde deze rechtsopvatting en oordeelde dat het hof ten onrechte van eiser had verlangd om zeer concreet te specificeren wat nieuwe getuigen zouden verklaren.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden en verwees de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing. Tevens werden verweerders veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.