Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil en conclusies van partijen
- ii) Is sprake van dubbele heffing?
- iii) Is het verdedigingsbeginsel geschonden?
- iv) Kan een naheffingsaanslag worden opgelegd als eerder voor hetzelfde feit een naheffingsaanslag is opgelegd en vernietigd?
- v) Kan een verzuimboete worden opgelegd als eerder voor hetzelfde feit een vergrijpboete is opgelegd en vernietigd?
- vi) Heeft de inspecteur de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?
- vii) Zijn de rechtbank en het hof bevoegd uitleg te geven aan het Unierecht?
- viii) Bestaat er aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU)?
- ix) Heeft belanghebbende recht heeft op een vergoeding van rente in verband met in strijd met het Unierecht geheven belasting?
- x) Heeft belanghebbende recht op een hogere kostenvergoeding voor de bezwaarfase?
- xi) Heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat samenhang bestaat tussen de bpm-zaak en de ob-zaak van belanghebbende zodat maar één vergoeding van immateriële schade en één proceskostenvergoeding moet worden toegekend?
- xii) Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van de werkelijke proceskosten?
4.Gronden
5.Beslissing
- verklaart het principale hoger beroep gegrond;
- verklaart het incidentele hoger beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing over de immateriëleschadevergoeding;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 78.814 minus het door [bedrijf 3] op aangifte reeds voldane bedrag aan bpm;
- vermindert de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- vermindert de boetebeschikking tot 10% van de verschuldigde belasting met een maximum van € 5.278 en niet verder dan tot € 50;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van € 1.332 onder verrekening van het reeds betaalde bedrag;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van, in totaal, € 4.670, onder verrekening van het reeds betaalde bedrag;
- bepaalt dat, voor zover de in hoger beroep toegekende (proces)kostenvergoeding en/of de vergoeding van griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).