Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Arnhemvan 6 november 2012, nr. 12/00186, betreffende een beschikking inzake de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
Hoge Raad
Belanghebbende verzocht om teruggaaf van nageheven belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) die was opgelegd vanwege gebruik van een niet in Nederland geregistreerde auto op de openbare weg in september 2006. De naheffingsaanslag was nog niet onherroepelijk toen het verzoek om teruggaaf werd behandeld.
De Rechtbank en het Hof wezen het verzoek af omdat de regeling van artikel 14a Wet BPM alleen geldt voor voertuigen die vanaf 16 oktober 2006 zijn geregistreerd of waarvan het gebruik op of na die datum is aangevangen. Belanghebbende stelde dat dit in strijd is met het Europeesrechtelijke evenredigheidsbeginsel, dat een teruggaaf naar gebruiksduur zou vereisen.
De Hoge Raad oordeelde dat het niet vereist is dat de naheffingsaanslag onherroepelijk is om een verzoek om teruggaaf te kunnen behandelen. Verder is het toegestaan een eenmalige registratiebelasting te heffen zonder rekening te houden met gebruiksduur, zolang het voertuig duurzaam in Nederland wordt gebruikt. Het evenredigheidsbeginsel staat niet in de weg aan de wettelijke beperking van teruggaaf tot voertuigen geregistreerd of in gebruik genomen op of na 16 oktober 2006.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en bevestigde daarmee de uitspraak van het Hof en de Rechtbank.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om teruggaaf bpm afgewezen.