ECLI:NL:CRVB:2025:1889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten met terugwerkende kracht
Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor kosten van bewindvoering en griffierecht, waaronder kosten die zijn ontstaan vóór de datum van de aanvraag op 13 juli 2022. Het college wees de aanvraag voor de kosten vóór die datum af, waarna de rechtbank dit besluit bevestigde. Appellant ging in hoger beroep tegen deze afwijzing.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat bijzondere bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt verleend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellant stelde dat het niet mogelijk was om eerder een aanvraag in te dienen vanwege het ontbreken van een beschikking tot onderbewindstelling en opstartperikelen van de bewindvoerder. De Raad oordeelt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet eerder een aanvraag kon indienen, aangezien hij al in februari 2022 op de hoogte was van het verwachte bewind.
Verder is het beroep op het evenredigheidsbeginsel verworpen omdat appellant niet concreet heeft gesteld welke bijzondere omstandigheden niet door de wetgever zijn verdisconteerd of die toepassing van artikel 44 PW Pro in strijd met algemene rechtsbeginselen brengen. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand met terugwerkende kracht voor bewindvoeringskosten en griffierecht wordt afgewezen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.