ECLI:NL:RVS:2023:852
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kinderopvangtoeslag over periode voor drie maanden voorafgaand aan aanvraag
In deze zaak heeft appellante verzocht om herziening van de kinderopvangtoeslag over de periode oktober 2018 tot en met juni 2019, terwijl zij de toeslag op 31 oktober 2019 heeft aangevraagd met terugwerkende kracht vanaf juli 2019. De Belastingdienst/Toeslagen wees dit verzoek af omdat de wet slechts terugwerkende kracht van drie maanden voor de aanvraagdatum toestaat.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de termijn van drie maanden een dwingende aanvraagtermijn is zonder hardheidsclausule. Appellante stelde dat zij geen fraude pleegde en dat de toepassing van de termijn in haar geval onevenredig was, mede omdat zij de toeslag als spaarpot voor de inkomstenbelasting gebruikte.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het oordeel van de rechtbank en overweegt dat artikel 1.3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang dwingend is en geen ruimte laat voor afwijking, ook niet bij afwezigheid van fraude. Toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is uitgesloten vanwege het toetsingsverbod in artikel 120 van Pro de Grondwet. Ook de hardheidsclausules uit de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn niet van toepassing op deze situatie.
De Afdeling concludeert dat de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van appellante terecht heeft afgewezen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het verzoek om kinderopvangtoeslag over de periode oktober 2018 tot en met juni 2019 wordt terecht afgewezen wegens overschrijding van de wettelijke aanvraagtermijn.