ECLI:NL:CRVB:2024:1938
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor kosten budgetbeheer bij derde wegens voorliggende voorziening
Appellant, die sinds 2017 bijstand ontvangt op grond van de Participatiewet, heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor kosten van budgetbeheer bij een derde partij. Het college wees de aanvraag af omdat budgetbeheer bij de Kredietbank Limburg (KBL) als een passende en toereikende voorliggende voorziening wordt beschouwd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij een vertrouwensband had opgebouwd met zijn bewindvoerder bij de derde partij en dat budgetbeheer door KBL niet passend was. Ook voerde hij aan dat het college hem in zijn keuzevrijheid beperkte en in strijd handelde met de Mededingingswet. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de voorziening van KBL niet passend was, dat hij vrij was om alsnog budgetbeheer bij de derde partij te nemen, en dat het mededingingsrecht niet strekt tot bescherming van zijn belangen in deze procedure.
Voorts overwoog de Raad dat artikel 15 van Pro de Participatiewet een verplichtend karakter heeft en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om hiervan af te wijken. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van budgetbeheer bij een derde partij wordt bevestigd.