Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd geconfronteerd met opschorting en intrekking van haar bijstandsuitkering vanwege het niet verstrekken van loonstroken van haar ex-partner X. Het dagelijks bestuur baseerde de intrekking mede op het niet melden van salarisbijschrijvingen van X op de bankrekening van appellante.
Appellante stelde dat zij het besluit tot opschorting niet had ontvangen en betwistte de verzending. De Raad oordeelde dat het postregistratiesysteem van het dagelijks bestuur onvoldoende waarborgen biedt om aan te nemen dat het besluit daadwerkelijk aan PostNL is aangeboden, waardoor de bezwaartermijn niet was verstreken en het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard.
Verder oordeelde de Raad dat het dagelijks bestuur niet bevoegd was om de bijstand op te schorten en in te trekken op grond van het niet verstrekken van loonstroken, omdat de bankafschriften al voldoende informatie gaven. De intrekking van de bijstand met ingang van 24 februari 2016 werd daarom herroepen.
Ten aanzien van de terugvordering en de opgelegde boete oordeelde de Raad dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden door het niet melden van salarisbijschrijvingen en dat de boete evenredig was. De overige bestreden besluiten werden bevestigd. Het dagelijks bestuur werd veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van griffierechten.