ECLI:NL:CRVB:2017:2383
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid bezwaar bij bijstandsintrekking
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet. Het college trok de bijstand per 6 juli 2015 in bij besluit van 31 augustus 2015. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening. Appellant stelde dat hij het besluit niet eerder had ontvangen en verzocht om inzage in de verzendgegevens.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet-ontvankelijkheidsbesluit niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift geen concrete beroepsgrond bevatte en te laat was ingediend. In hoger beroep stelde appellant dat het beroepschrift wel een concrete grond bevatte en dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het besluit tijdig was verzonden.
De Raad oordeelde dat het beroepschrift wel een concrete beroepsgrond bevatte en dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard. Vervolgens beoordeelde de Raad het bezwaar zelf en stelde vast dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat het besluit van 31 augustus 2015 daadwerkelijk op die datum ter verzending was aangeboden, omdat de enkele schermprint onvoldoende bewijs vormde.
De Raad verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit van 24 maart 2016 en droeg het college op binnen acht weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld. Het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.