Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe tot een bedrag van € 7.330,56;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 997,67.
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft een verzoek om schadevergoeding van verzoeker tegen het UWV omdat het UWV ten onrechte geen loonsanctie heeft opgelegd aan de werkgever van verzoeker. De Raad heeft eerder vastgesteld dat het UWV onrechtmatig heeft gehandeld door geen loonsanctie op te leggen, waardoor verzoeker schade heeft geleden.
Verzoeker vordert vergoeding van loonschade, niet uitbetaalde vakantiedagen, pensioenschade en immateriële schade. Het UWV erkent aansprakelijkheid voor loonschade maar beperkt de vergoeding tot 70% van het loon over tien maanden, terwijl verzoeker aanspraak maakt op twaalf maanden. Het UWV betwist de causaliteit van de vakantiedagen en pensioenschade en wijst immateriële schade af.
De Raad overweegt dat de loonschade moet worden berekend over de volledige periode van 52 weken tenzij het UWV aannemelijk maakt dat de periode korter is, wat hier niet is gebeurd. De loonschade wordt vastgesteld op het verschil tussen het netto loon en de ontvangen WIA-uitkering, zijnde €5.280. De schade wegens niet opgenomen vakantiedagen wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De pensioenschade van €2.050,56 wordt toegewezen. De immateriële schade wordt afgewezen omdat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat het geestelijk leed direct aan het UWV is toe te rekenen.
De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van €7.330,56 aan schade en €997,67 aan proceskosten.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van loonschade en pensioenschade van in totaal €7.330,56 en proceskosten van €997,67.