Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
contra proferentemvan het (hierna 3.7 e.v.) en de afzonderlijke toetsing van bepalingen die van andere kunnen worden gescheiden (hierna 3.12 e.v.).
2.Feiten en procesverloop
.De Productvoorwaarden luiden, voor zover van belang: [12]
3.De oneerlijkheidstoetsing van het prijswijzigingsbeding
Plan van behandeling en leeswijzer
contra proferentem, afzonderlijke toetsing van bepalingen die van andere kunnen worden gescheiden, zogeheten tweezijdige algemene voorwaarden, de blauwe lijst en het transparantievereiste. Daarna bespreek ik de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU met betrekking tot specifiek prijswijzigingsbedingen. Vervolgens verleg ik de blik naar bijzonderheden met betrekking tot de energiemarkt, met inbegrip van de regulering van die markt, waaronder de rol van de ACM en het door de ACM vastgestelde Modelcontract. Ik vervolg met de totstandkoming en inhoud van de Algemene voorwaarden van Energie-Nederland die Vattenfall gebruikt, met bijzondere aandacht voor het prijswijzigingsbeding in die voorwaarden. Daarna bespreek ik andere rechtspraak in feitelijke instantie met betrekking tot hetzelfde prijswijzigingsbeding. Ten slotte zeg ik iets over de olifant in de kamer: het herzieningsverbod.
contra proferentem(onder 3.7 e.v.)
contra proferentem).
De vraag laat zich stellen wat dit voor het prijswijzigingsbeding betekent, in het bijzonder voor de uitleg van de bepaling daarin dat tariefswijzigingen ‘tijdig’ worden aangekondigd. Daarover hierna 3.7 e.v.
die verband houden methet voorwerp van het geding zoals dat door de partijen is afgebakend (punt d). [28]
In verband met het prijswijzigingsbeding wordt de regulering van de energiemarkt en het functioneren van die markt hierna 3.55 e.v. uitvoerig besproken. Daarbij komt ook de rol van de ACM als toezichthouder aan de orde.
contra proferentem(art. 6:238 lid 2 BW Pro) van het element ‘tijdig’ in artikel 19.4 Algemene Voorwaarden 2017 mijns inziens kunnen en mogelijk zelfs moeten inhouden dat de aankondigingstermijn op de opzegtermijn behoort te zijn afgestemd, dus in de zin dat de aankondigingstermijn ten minste 30 dagen is, of eventueel nog enige tijd meer, zodat een consument enige tijd voor beraad heeft. Met toepassing van de primaire uitlegmaatstaf, de
Haviltex-maatstaf, [49] is die interpretatie van ‘tijdig’ mijns inziens zeer wel verdedigbaar, mede in verband met het voor de hand liggende belang van de consument-afnemer om niet enige tijd aan het gewijzigde tarief gebonden te zijn zonder de mogelijkheid om dit door prompte opzegging te voorkomen. Welnu, waar die uitleg zeer wel mogelijk is en voor de consument gunstiger is dan een uitleg volgens welke ook een aankondiging op een kortere termijn nog ‘tijdig’ is, behoort deze mijns inziens te prevaleren. Hierna zullen we nog een extra argument voor deze uitleg ontdekken, namelijk dat zowel de ACM en de Geschillencommissie Energie van een minimale aankondigingstermijn van 30 dagen uitgaan (hierna 3.77). [50]
contra proferentem, nu van het element ‘kosteloos’. [51] Dat een opzegging ‘kosteloos’ is, moet uiteraard in de eerste plaats worden betrokken op de kosten van een opzegging in enge zin, dus op het niet verschuldigd zijn van bijvoorbeeld een uittreedvergoeding of van een vergoeding voor door de leverancier te maken kosten. Niet bij voorbaat kansloos dunkt mij de opvatting volgens welke redelijkerwijs twijfel mogelijk is of ‘kosteloos’ niet ook betekent dat in geval van opzegging vóór ingang van het nieuwe tarief, dat nieuwe tarief niet meer tussen partijen van toepassing wordt. Aanvaarden we deze uitleg van ‘kosteloos’ inderdaad als mogelijk, dan lijkt deze nog gunstiger voor de consument dan (alleen) de hiervoor bedoelde uitleg van ‘tijdig’.
contra proferentemis uitleg ten voordele van de consument. Het effect van een zodanige uitleg ten voordele van de consument dreigt intussen te zijn dat het aldus uitgelegde beding minder spoedig oneerlijk zal worden bevonden. Dat is niet vanzelfsprekend in overeenstemming met de strekking van Richtlijn 93/13. [52] Vanuit dat gezichtspunt is op het arrest
AOV-polis [53] kritiek mogelijk en die kritiek is ook overvloedig geuit. [54] Hoe dit ongewenste effect te voorkomen? Dat het beding voor meer dan één uitleg vatbaar is, betekent mijns inziens dat het onvoldoende transparant is, en dat moet bij de oneerlijkheidstoets worden meegewogen, waarbij eventueel ook het enkele gebrek aan transparantie voor de kwalificatie ‘oneerlijk’ voldoende kán zijn (hiervoor 3.3 punt l). Bij de beoordeling van het gewicht van het gebrek aan transparantie behoort mijns inziens in het bijzonder ook te worden gelet op het mogelijke effect daarvan dat de consument – onwetend met betrekking tot de juiste uitleg van het beding – van het uitoefenen van zijn rechten afziet. [55]
Achmea/Stedinbevestigt de rol van de tweezijdigheid van algemene voorwaarden binnen de oneerlijkheidstoets. Het hof oordeelde dat het exoneratiebeding in de algemene voorwaarden van netbeheerder Stedin niet onredelijk bezwarend is. Het hof betrok in dat oordeel een reeks van omstandigheden, waaronder het gegeven dat de Consumentenbond bij de totstandkoming van de algemene voorwaarden betrokken was geweest. [68] Het oordeel van het hof gaf volgens uw Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was evenmin onvoldoende gemotiveerd. [69]
Seba/Gemeente Amsterdam Iis waarde gehecht aan de wijze van totstandkoming van algemene voorwaarden. Het betrof gemeentelijke erfpachtvoorwaarden die zijn vastgesteld door de gemeenteraad als democratisch gelegitimeerd orgaan. Deze omstandigheid vormt volgens uw Raad een indicatie dat de voorwaarden niet oneerlijk zijn. [70]
contra proferentemleiden
.
Invitelbetreft vaste telecomdiensten. De aanbieder van die diensten heeft de mogelijkheid op basis van een beding in haar algemene voorwaarden om ongespecificeerde extra kosten bij de consument in rekening te brengen wanneer de consument kiest voor betaling per acceptgiro.
RWE Vertriebbetreft een beding in de algemene voorwaarden van een Duitse gasleverancier die deze het recht geeft om de gasprijs eenzijdig te wijzigen zonder precisering van de reden, de voorwaarden of de omvang van de wijziging. De Duitse rechter vraagt onder meer aan het Hof van Justitie van de EU of dit beding de oneerlijkheidstoets doorstaat wanneer wordt gewaarborgd dat de consumenten een redelijke tijd vooraf van de prijswijziging op de hoogte worden gebracht en zij alsdan het recht hebben de overeenkomst op te zeggen wanneer zij deze wijzigingen niet wensen te aanvaarden. [99]
Invitelgeeft het Hof van Justitie aan dat het van wezenlijk belang is of de overeenkomst de reden voor en wijze van aanpassing van de kosten transparant specificeert en daarnaast of consumenten het recht hebben de overeenkomst te beëindigen in geval van een daadwerkelijke wijziging van deze kosten. [101] Het verzuim om voor de sluiting van de overeenkomst de consument hierover te informeren kan in beginsel niet worden goedgemaakt door de omstandigheid dat de consumenten in de loop van de uitvoering van de overeenkomst redelijke tijd vooraf zullen worden geïnformeerd over de aanpassing van de kosten en over hun recht de overeenkomst te ontbinden. [102] Het Hof van Justitie geeft aan dat tegenover het rechtmatige belang van de gebruiker om zich in te dekken tegen een wijziging van de omstandigheden, het even rechtmatige belang van de consument staat om de gevolgen van een dergelijke wijziging voor de toekomst te kunnen inschatten. [103]
Het eveneens te beschermen belang van de consument ten aanzien van deze wijzigingen wordt gewaarborgd door de verplichting van de verkoper om wijzigingen tijdig bekend te maken en door de mogelijkheid voor de consument om de overeenkomst op te zeggen. Met name door de verplichting van de verkoper tot tijdige bekendmaking beschikt de consument over een redelijke bedenktijd waarbinnen hij – onder meer door andere aanbiedingen te vergelijken – kan beslissen of hij de bestaande overeenkomst onder de gewijzigde voorwaarden wil voortzetten of dat hij een overeenkomst met een andere partij wil sluiten.
Uit de uiteenzetting van de verwijzende rechter kan echter worden afgeleid dat een dergelijke feitelijke opzeggingsmogelijkheid ontbrak, net als een verplichting van de verkoper om de prijsverhoging zo tijdig bekend te maken dat de consument mogelijke alternatieven in overweging kon nemen. Veeleer was de liberalisering van de markt voor aardgas nog niet voldoende gevorderd zodat er geen andere gasleverancier was die in plaats van verweerster aardgas aan de consument had kunnen leveren. Ook werden de prijsverhogingen volgens de bepalingen van de AVBGasV na hun bekendmaking meteen van kracht, waardoor het niet alleen ontbrak aan de in de richtlijn voorziene bedenktijd van de consument, maar ook aan de mogelijkheid om de overeenkomst op te zeggen voordat de prijsverhogingen, zelfs al voor een korte periode tot de eventuele opzegging, konden worden doorberekend.’
Invitel en RWE Vertriebgeen aanknopingspunten ziet. Hij spreekt over ‘cumulatieve voorwaarden’ voor prijswijzigingsbedingen. [107] (Ook) Van ’t Ende en Knops spreken over ‘cumulatieve eisen’ voor de eerlijkheid van prijswijzigingsbedingen. [108]
Invitelen
RWE Vertriebniet dat de door het HvJEU benadrukte elementen moeten worden gezien als cumulatieve vereisten waaraan ieder wijzigingsbeding moet voldoen om als eerlijk te kunnen worden aangemerkt. Uit
Invitel(punten 26 en 31) volgt dat
met name relevant isof de redenen waarom of de manier waarop de kosten konden worden aangepast, gespecificeerd waren en of de consumenten over een opzeggingsrecht beschikten, en dat de rechter dit dus
met name moet nagaan. In
RWE Vertriebspreekt het HvJEU weliswaar van “
strikte eisen betreffende consumentenvoorlichting” (punt 53), maar de beantwoording van de prejudiciële vraag laat zien dat
bij de beoordeling wezenlijk belang moet worden gehecht aan met namede vraag of in de overeenkomst de reden voor en de wijze van aanpassing van deze prijs transparant worden toegelicht en de vraag of de consument in concreto daadwerkelijk zijn opzeggingsrecht kan uitoefenen, en voorts dat de verwijzende rechter bij deze beoordeling rekening moet houden met alle omstandigheden van het concrete geval (punt 55).’
RWE Vertriebmee in hoeverre het door concurrentie op de markt feitelijk mogelijk is om van energieleverancier te veranderen, evenals de kosten en tijd die het de consument kost om bij een andere energieleverancier terecht te kunnen. Dit alles behoort bij een prijswijzigingsbeding bij het uitvoeren van de oneerlijkheidstoets in onderlinge samenhang te worden gewogen.
Seba/Gemeente Amsterdam Ispeelde onder meer een rol dat de bevoegdheid tot wijziging van de erfpachtscanon een achtergrond had in het beleid van de gemeente als overheid met betrekking tot de grond binnen haar grenzen en dat de voorwaarden werden getoetst door de gemeenteraad als democratisch gekozen, vertegenwoordigend orgaan, de gebondenheid van de gemeente aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het doel waarmee zij de grond (niet in eigendom, maar) in erfpacht heeft uitgegeven en uitgegeven houdt. [113] In het arrest
Euriborhypothekenlag compensatie voor de nadelige gevolgen voor de leningnemer van de bevoegdheid van de bank om de opslag bovenop de Euribor-rente te wijzigen, potentieel besloten in de rechten van de leningnemer om de Euribor-lening gedurende de looptijd vrijwel in alle gevallen zonder kosten om te zetten in een andere rentevorm en om de lening op ieder moment zonder significante kosten geheel of gedeeltelijk af te lossen. [114]
2.1 Wijzigen variabele leveringskosten: 2 keer per jaar
invullen door leverancier. De redenen voor, de omvang en de wijze van aanpassing van de kosten moeten transparant worden gespecificeerd, zodat de klant op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria eventuele wijzigingen van deze kosten kan voorzien.
invullen door leverancier. De redenen voor, de omvang en de wijze van aanpassing van de kosten moeten transparant worden gespecificeerd, zodat de klant op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria eventuele wijzigingen van deze kosten kan voorzien.
5. Voorwaarden
2.1 Wijzigingen leveringskosten, terugleverkosten en/of terugleververgoeding
invullen door leverancier. De redenen voor, de omvang en de wijze van aanpassing van de vaste of variabele leveringskosten, terugleververgoeding en terugleverkosten moeten transparant door de leverancier worden gespecificeerd in lijn met de toepasselijke wet- en regelgeving, zodat de klant op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria eventuele gevolgen van deze wijzigingen kan voorzien.
RWE-arrest van het Hof van Justitie van de EU. Ten derde verwijst de ACM naar uitspraken van de Geschillencommissie Energie, die ook van een aankondigingstermijn van minimaal 30 dagen uitgaan. [146] De ACM maakt in het bericht duidelijk dat leveranciers beboet kunnen worden als zij zich niet aan de aankondigingstermijn houden.
30 dagenook min of meer past bij de inhoud van art. 10 lid 4 Richtlijn Pro (EU) 2019/944, de Europese Elektriciteitsrichtlijn. [148] Volgens die bepaling dienen leveranciers hun eindafnemers op een transparante en begrijpelijke manier rechtstreeks in kennis te stellen van aanpassingen van de leveringsprijs, alsmede van de redenen en voorwaarden voor de aanpassing en de reikwijdte daarvan en bij huishoudelijke afnemers, [149] uiterlijk
een maandvoordat de aanpassing in werking treedt. Tot op heden lijkt deze bepaling niet in het Nederlandse recht te zijn geïmplementeerd. [150]
De Algemene voorwaarden van Energie-Nederland en van Vattenfall
Niet eens
Wijzigingen in onze in- en verkoopprijzen van elektriciteit en gas, die afhankelijk zijn van de omstandigheden op de energiemarkt, waaronder prijsontwikkelingen op de groothandelsmarkten voor elektriciteit en gas.Wij kopen elektriciteit en gas in op de groothandelsmarkten. De prijzen op deze markten veranderen voortdurend, afhankelijk van vraag en aanbod. Een verandering van vraag en aanbod kan leiden tot een daling of stijging van de groothandelsprijzen en daarmee leiden tot een stijging of daling van uw tarieven. Zo kan er ook een ontwrichtende gebeurtenis plaatsvinden, zoals een gewapend conflict, een natuurramp of een pandemie die invloed heeft op de vraag naar energie of de productie, het aanbod, of het transport van energie, waardoor groothandelsprijzen in korte tijd bijvoorbeeld sterk kunnen stijgen of gedurende langere periode veel hoger blijven.
Veranderingen in onze (verwachte) kosten, zowel kosten die direct verband houden met het betreffende product (zoals certificeringskosten, kosten voor duurzaamheid, herkomstgaranties of emissierechten) als algemene bedrijfskosten (zoals personeelskosten, ICT-kosten, compliance- en auditkosten).Om aan u elektriciteit en gas te kunnen leveren maken wij kosten o.a. voor onze klantenservice, marketing, ICT en stafafdelingen. De kosten hiervan worden onder andere beïnvloed door het algemene prijspeil, maar ook door investeringen die we doen, bijvoorbeeld om onze systemen in stand te houden. Een andere categorie kosten zijn de kosten die we maken om de herkomst van de elektriciteit en het gas te verantwoorden. Dat doen we met garanties van oorsprong. De prijzen hiervan worden door marktontwikkelingen beïnvloed.
Veranderingen in onze prijs- en inkooprisico’s, risicopremies, kosten voor leveringszekerheid en ons margebeleid.Wij lopen risico’s bij het inkopen en verkopen van elektriciteit en gas. Deze risico’s kunnen veranderen. Wij lopen bijvoorbeeld het risico dat klanten veel meer of minder energie gebruiken of elektriciteit terugleveren dan verwacht. Daarnaast moeten wij kosten maken om de leveringszekerheid veilig te stellen en rekenen wij een marge om al onze kosten af te dekken en winst te maken.
Wijzigingen van wet- of regelgeving, besluiten of richtsnoeren van een bevoegde (overheids-)autoriteit of toezichthoudende instantie of een rechterlijke uitspraak.Overheden en toezichthouders zoals de Autoriteit Consument & Markt stellen diverse regels waar wij ons aan moeten houden. Deze regels kunnen ertoe leiden dat onze kostenstructuur verandert of dat wij voortaan bepaalde kosten in rekening moeten brengen, of omgekeerd dat wij niet langer bepaalde kosten in rekening hoeven te brengen. Dergelijke regels kunnen ook ertoe leiden dat er andere eisen worden gesteld aan het product dat wij aanbieden of aan onze dienstverlening. Dit kan invloed hebben op de tarieven die wij bij u in rekening brengen.
Feitenrechtspraak met betrekking tot hetzelfde prijswijzigingsbeding
relatieve schaarste, die bovendien in sterke mate beïnvloedbaar is door monetair beleid. Rentepercentages uit het verleden zeggen daarom werkelijk iets over de toekomst, en de aanduiding van een bandbreedte als indicatie is goed mogelijk. Energie is nog steeds voor het overgrote deel afkomstig van fossiele brandstoffen en die zijn
absoluut schaars. Niet alleen is de voorraad fossiele brandstoffen niet onbeperkt (contrast: de geldvoorraad in de economie kan door een centrale bank opzettelijk worden vergroot), ook bij de winning, het vervoer en de verwerking ervan kunnen zich wezenlijke moeilijkheden voordoen. De afgelopen jaren en maanden illustreren dit overvloedig.
onmogelijk.Wie het toch zou proberen, zet de consument op het verkeerde been, omdat wat deze nu meent te kunnen overzien, niet het werkelijk met de keuze voor een variabel contract te nemen risico is. Hoe dan ook, de parallel met rentetarieven (de ‘prijs’ van geld) is niet overtuigend omdat de verschillen tussen rente- en energietarieven wezenlijk zijn.
andere, uitzonderlijke omstandigheden’volgens het vervolg van artikel 19.3 Algemene Voorwaarden 2017 is volgens de rechtbank echter te algemeen geformuleerd en biedt de consument geen inzicht in wat hieronder wordt verstaan. In zoverre is het beding volgens de kantonrechter niet transparant.
Zo is op voorhand niet aan te geven welke (toekomstige) overheidsbesluiten van invloed zijn op de prijsontwikkeling en ook niet welke prijsontwikkelingen zich op de groothandelsmarkt voor elektriciteit of gas voordoen, terwijl ook wijzigingen met betrekking tot marge van prijs- en inkooprisico’s, wijzigingen in de kostenstructuur voor het betreffende product en wijzigingen in de algemene kostenstructuur evenmin op voorhand nader zijn te specificeren. De kantonrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval het transparantievereiste niet eist dat de gevolgen van het prijswijzigingsbeding voor de hoogte van de energieprijs van de consument ook vooraf precies te becijferen zijn. In zoverre acht de kantonrechter de bedingen voldoende transparant. De gemiddelde consument begrijpt, althans moet kunnen begrijpen, dat bij prijsontwikkeling als gevolg van overheidsbesluiten of prijsontwikkelingen op de handelsmarkt de tarieven aangepast moeten kunnen worden. Dat de prijs ook kan worden gewijzigd in ‘uitzonderlijke omstandigheden’ is in het wijzigingsbeding in artikel 19.3 naar het oordeel van de kantonrechter te algemeen gesteld en behoeft dan ook nadere invulling en omschrijving. In zoverre is wel sprake van intransparantie, zodat de kantonrechter toekomt aan de oneerlijkheidstoets.’
nietoneerlijk wordt bevonden. [166] De belangrijkste argumenten die ik in die vonnissen lees, zijn er drie. In de eerste plaats betekent een variabel energietarief ook dat het naar beneden kan worden bijgesteld. [167] Zonder het voordeel van mogelijke prijsdalingen zou het voor een consument immers minder interessant zijn om te kiezen voor een overeenkomst met een variabel tarief (minder interessant: want een variabel tarief is in het algemeen initieel wel lager dan een vast tarief). Een ander argument dat wordt genoemd is dat een energieleverancier verplicht is om redelijke tarieven te gebruiken en dat de ACM energietarieven op redelijkheid toetst. [168] Een derde argument is dat de consument de mogelijkheid heeft om de energieleveringsovereenkomst op te zeggen en dat er genoeg andere energieleveranciers op de markt zijn. [169]
Restatements of the Lawvan
The American Law Instituteis in 2024 een
restatementmet betrekking tot
consumer contractstoegevoegd. [171] Volgens deze
restatementzijn bedingen in consumentenovereenkomsten onderworpen aan een toets op
unconscionability. § 6 (a) bepaalt eenvoudig: ‘An unconscionable contract or term is unenforceable.’ De toelichting op § 6 verwijst voor nadere nuances echter naar § 10. [172] Die bepaling heeft in de eerste plaats betrekking op bedingen in strijd met dwingend recht, maar daarnaast ook op bedingen die ‘otherwise unenforceable’ zijn, waaronder dus ook het geval van
unconscionability.§ 10 luidt als volgt:
restatementheeft de rechter die tot de conclusie komt dat een beding oneerlijk is (unconscionable), dus de ruimte om wat betreft de rechtsgevolgen daarvan maatwerk te leveren. Dit wil niet zeggen dat de gedachte die aan het Europese herzieningsverbod ten grondslag ligt, aan de
restatementgeheel vreemd is. Volgens het slot van § 10 (onder b, sub 3) krijgt de gebruiker die het beding ‘not in good faith’ gebruikte een behandeling die evenredig is met die kwade trouw, met de bedoeling ‘to give the business an incentive to avoid placing such terms in consumer contracts’. Een gebruiker van algemene voorwaarden die te goeder trouw meende dat het beding houdbaar was, krijgt in dit stelsel dus een mildere behandeling dan de gebruiker die zonder scrupules met eenzijdige bedingen consumenten op achterstand heeft willen zetten. Die gebruiker-zonder-scrupules moet wel degelijk op de blaren zitten.
evenredigheiden rechtszekerheid’ (cursivering toegevoegd) en verwijst daarbij naar de bedoeling van de richtlijn ‘de consument te beschermen en
het evenwicht tussen de partijen te herstellen’(cursivering toegevoegd). [176] In dat verband overweegt het Hof van Justitie dat de rechter niet meer van de overeenkomst behoeft te vernietigen dan nodig om ‘de juridische en feitelijke situatie te herstellen waarin de consument zich zonder het oneerlijke beding zou hebben bevonden’. [177]
4.Enkele korte opmerkingen over oneerlijke handelspraktijken
gemiddeld geïnformeerde consument, wat m.i. ten minste scholing t/m de leerplichtige leeftijd veronderstelt. Daar komt dan nog bij
omzichtig en oplettend. Dat veronderstelt m.i. een consument die uitkijkt wat hij doet, weet dat hij niet alles weet, en weet dat hij niet alles voor zoete koek moet aannemen.’
5.Bespreking van het cassatiemiddel
- het contract kent eenvariabel tarief; de consument weet dus van begin af aan dat het tarief tijdens de looptijd van het contract zal wijzigen en dus zal kunnen worden verlaagd, maar ook verhoogd;
“overheidsbesluiten en de ontwikkelingen op de markt voor elektriciteit of gas, waaronder prijsontwikkelingen op de groothandelsmarkten voor elektriciteit of gas, wijzigingen met betrekking tot marge en prijs- en inkooprisico’s, Wijzigingen in de kostenstructuur voor het betreffende product en wijzigingen in onze algemene kostenstructuur. Ook andere, uitzonderlijke, omstandigheden kunnen een reden zijn om de leveringstarieven te veranderen, in dat geval zal deze reden duidelijk aan u uitgelegd worden.”
Achmea/Stedinvan uw Raad. [202] Bij de beoordeling van de oneerlijkheid van een exoneratiebeding van een netbeheerder heeft het hof een reeks omstandigheden betrokken, waaronder het gegeven dat netbeheerders actief zijn binnen een wettelijk kader dat onder toezicht staat van de ACM. [203] Volgens uw Raad gaf de afweging dat het exoneratiebeding niet onredelijk bezwarend is, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was zij evenmin onvoldoende gemotiveerd. [204] Andere feitenrechtspraak met betrekking tot hetzelfde prijswijzigingsbeding weegt het toezicht door ACM wel mee (hiervoor 3.102). Dat is mijns inziens hoe het moet.
de wederpartij van de consumentop het moment van het sluiten van de overeenkomst kennis kon hebben en die gevolgen konden hebben voor de latere uitvoering van die overeenkomst (hiervoor 3.3 punt g). Het hof mocht de bedoelde stellingen daarom niet onbesproken laten.
contra proferentemvan artikel 19.4 de aankondiging van de tariefswijziging op een langere termijn diende plaats te vinden dan feitelijk heeft plaatsgehad (namelijk op een termijn van dertig dagen) en dat dit gevolg heeft dat de tariefswijziging ook eerst later (na die dertig dagen) werking heeft (vergelijk hiervoor 3.8), of dat ‘kosteloos’ in die bepaling betekent dat een opzeggende consument niet tijdelijk aan het verhoogde tarief gebonden raakt (hiervoor 3.10). Ik lees in het middel echter geen (voldoende duidelijke) klacht in die zin. Dat het subonderdeel zegt zich ook tegen rechtsoverweging 3.22 te richten, is in dit verband onvoldoende.
buiten de wil van de contractspartijen omna sluiting van de overeenkomst voordoen (hiervoor 3.3 punt g). Zo ook spreekt het arrest
RWE Vertriebover ‘strikte eisen betreffende consumentenvoorlichting, zowel bij sluiting
als in de loop van de uitvoeringvan een leveringsovereenkomst’ (hiervoor 3.49 aangehaald). [207]
RWE Vertriebzegt dat duidelijk niet, mijns inziens is het ook niet te lezen in de conclusie van A-G Trstenjak (hiervoor 3.50 aangehaald). Weliswaar benoemt Trstenjak dat het de consument ontbrak aan de mogelijkheid om de overeenkomst op te zeggen voordat de prijsverhogingen, zelfs al voor een korte periode tot de eventuele opzegging, konden worden doorberekend, maar dat betreft slechts één van de omstandigheden die haar conclusie dragen dat feitelijk een reële opzeggingsmogelijkheid in de zaak ontbrak.
RWE Vertrieb, volgens welke ‘de eventuele kosten die voor de consument verbonden zijn aan opzegging van de overeenkomst’ moeten worden afgewogen tegen andere omstandigheden, waaronder het gegeven of op de betrokken markt concurrentie heerst (arrest onder 54, hiervoor 3.48 aangehaald). Te vergezocht dunkt mij de opvatting volgens welke de kosten die voor de consument verbonden zijn aan het eventueel tijdelijk gelden van een verhoogd tarief, een afzonderlijke categorie zouden vormen, met de harde regel dat het gewicht van zulke kosten niet mag worden afgewogen tegen het gewicht van de overige omstandigheden van het geval. De logica van het
RWE Vertriebis duidelijk anders. Het gewicht van de omstandigheid dat [consument-afnemer] ook in geval van prompte opzegging enige tijd aan het verhoogde tarief zou hebben vastgezeten, moet dus worden afgewogen tegen het gewicht van andere omstandigheden, in het bijzonder tegen de mate van concurrentie op de markt (vergelijk met betrekking tot de Nederlandse energiemarkt hiervoor 3.55), het toezicht van ACM op de energietarieven (hiervoor 3.62 e.v.) en het voor het overige [209] geheel kosteloos zijn van een overstap.
“overheidsbesluiten en de ontwikkelingen op de markt voor elektriciteit of gas, waaronder prijsontwikkelingen op de groothandelsmarkten voor elektriciteit of gas, wijzigingen met betrekking tot marge en prijs- en inkooprisico’s, Wijzigingen in de kostenstructuur voor het betreffende product en wijzigingen in onze algemene kostenstructuur. Ook andere, uitzonderlijke, omstandigheden kunnen een reden zijn om de leveringstarieven te veranderen, in dat geval zal deze reden duidelijk aan u uitgelegd worden.”
Onder 3.2.1en
3.2.2wordt dit uitgewerkt door te wijzen op wezenlijke verschillen tussen energieleveringsovereenkomsten met een variabel tarief en een geldlening die afgelost moet worden in een vreemde valuta zoals onderwerp van het arrest
BNP Paribas Personal Financevan het Hof van Justitie van de EU waarop het hof zich baseert.
zodanigin haar vermogen tot het nemen van een geïnformeerd besluit kan zijn beperkt dat zij
daardoortot een anders niet genomen besluit zou (kunnen) zijn gekomen. [214] De kantonrechter respondeert in het Vonnis in het geheel niet (deugdelijk) op de argumentatie van deze strekking van Vattenfall. [215] Hij poneert in rov. 36 enkel dat de door Vattenfall gestelde omstandigheden
“niet van belang zijn”. Dat is onjuist: ze betreffen namelijk relevante omstandigheden ter beantwoording van de vraag hoe de gemiddelde consument c.q. [consument-afnemer] de mededeling redelijkerwijs heeft kunnen en moeten opvatten. Verder legt de kantonrechter in rov. 36 Vattenfall een argumentatie in de mond die Vattenfall in het geheel niet heeft gebezigd: te weten dat
“niet bewust of met opzet onvolledige informatie”zou zijn verstrekt. [216] In het verlengde daarvan is eveneens onjuist het oordeel van de kantonrechter in rov. 35 dat de mededeling in kwestie
“niet juist”zou zijn geweest. Op het moment waarop [consument-afnemer] zelf stelt van de mededeling te hebben kennisgenomen – december 2022, en dit is het juridisch relevante peilmoment voor de beoordeling of sprake was van een oneerlijke handelspraktijk – was zij immers geheel in overeenstemming met de op dat moment voorzienbare en voorziene werkelijkheid.’ [217]
Hatóság-UPCvan het Hof van Justitie).
Remling-arrest van het Hof van Justitie maakt duidelijk dat uw Raad als hoogste nationale rechterlijke instantie verplicht is om te motiveren waarom hij geen prejudiciële vragen stelt in alle gevallen waarin een partij een beroep doet op het Unierecht of uw Raad ambtshalve verplicht is het Unierecht toe te passen. [219]
RWE Vertrieb(hiervoor 5.29) deelt.