Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:446

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
25/03490
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:233 BWArt. 6:236 BWArt. 6:237 BWArt. 3 lid 1 Richtlijn 93/13Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling oneerlijkheid opeisbaarheidsbeding in hypotheekvoorwaarden bij executoriaal beslag

Deze zaak betreft een consument-hypotheekgever die Rabobank verbood de woning te verkopen op grond van een opeisbaarheidsbeding in de hypotheekvoorwaarden. Na een beslaglegging door een derde op het aandeel van de echtgenoot in de woning, die executoriaal werd, eiste Rabobank de leningen op en nam zij de executie over. De voorzieningenrechter wees het verbod af, en het hof bekrachtigde dit oordeel na ambtshalve toetsing van het beding op oneerlijkheid volgens Richtlijn 93/13.

De consument stelde in cassatie dat het beding oneerlijk was, onder meer omdat het ook situaties van conservatoir beslag, bewind, beheer en verhaal omvatte, en dat het hof onvoldoende onderzoek had gedaan naar de omstandigheden en het cumulatieve effect van de bedingen. De Hoge Raad concludeert dat het hof het beding correct heeft getoetst, uitsluitend het deel dat ziet op executoriaal beslag, en dat de overige bedingen losstaan en niet relevant zijn voor het geschil.

Het hof heeft het beding transparant en niet onredelijk bezwarend geoordeeld, mede omdat het belang van de bank bij onmiddellijke opeisbaarheid gerechtvaardigd is bij bedreiging van het vermogen van een van de schuldenaren. De Hoge Raad wijst op het belang van het peilmoment van de overeenkomst en het evenredigheidsbeginsel bij de toetsing. De klachten falen en het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de consument wordt verworpen en het oordeel dat het opeisbaarheidsbeding niet oneerlijk is, bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/03490
Zitting1 mei 2026
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
[eiseres]
tegen
Coöperatieve Rabobank U.A.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiseres] respectievelijk Rabobank.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
Deze zaak betreft een door een consument-hypotheekgever tegen Rabobank als hypotheekhouder ingestelde vordering in kort geding. De vordering strekt tot een verbod voor Rabobank om de woning van de consument uit hoofde van het hypotheekrecht te verkopen. Naar aanleiding van een door een derde gelegd beslag op de woning voor een vordering op de echtgenoot, tevens medeschuldenaar, van de consument, welk beslag in een executoriaal beslag was overgegaan, heeft Rabobank de hypothecaire leningen opgeëist en, toen bleek dat geen betalingsregeling met de derde tot stand was gekomen, de executie overgenomen van de door de derde ingeschakelde deurwaarder. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft de primaire vordering van de consument-hypotheekgever om Rabobank te verbieden om de woning te verkopen, afgewezen. Tegen die afwijzing heeft de consument hoger beroep ingesteld.
1.2
Klaarblijkelijk onder meer in verband met HvJ EU 24 juni 2025, ECLI:EU:C:2025:474 (
GR Real) heeft het hof het beding in de algemene voorwaarden van Rabobank waarop de opeising van de leningen gebaseerd is, ambtshalve getoetst, [1] maar volgens het hof is dat beding niet oneerlijk of onredelijk bezwarend. Het hof heeft het bestreden vonnis bekrachtigd.
1.3
In cassatie richt de consument diverse klachten tegen het oordeel van het hof over de eerlijkheid van het beding. Mijns inziens slagen die klachten niet en kan de zaak met toepassing van art. 81 RO Pro worden afgedaan.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [2]
(i) [eiseres] en [de echtgenoot] zijn ieder voor de helft eigenaar van [de woning] (hierna: de woning).
(ii) Rabobank heeft op 13 november 2009 een drietal leningen verstrekt aan [eiseres] en [de echtgenoot] , ten bedrage van € 213.900, € 24.100 en een overbruggingsfinanciering van € 50.000. Rabobank heeft een hypotheekrecht op de woning voor een bedrag van € 305.000. Daarnaast hebben [eiseres] en [de echtgenoot] een pandrecht verstrekt op hun ‘Rabobank opbouw spaarrekening’. Op de leningen zijn de Algemene voorwaarden voor particuliere geldleningen 2008 (hierna: AV) en de Algemene Bankvoorwaarden (hierna: ABV) van toepassing.
(iii) [eiseres] en [de echtgenoot] hebben in het verleden veelvuldig betalingsachterstanden gehad.
(iv) Bij vonnis van 23 maart 2022 heeft de rechtbank Den Haag [de echtgenoot] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 32.500 aan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), te vermeerderen met rente en proceskosten. De vordering van [betrokkene 1] tegen [eiseres] is afgewezen.
(v) Op 9 mei 2022 heeft [betrokkene 1] het vonnis van 23 maart 2022 aan [de echtgenoot] doen betekenen, en deze betekening aan Rabobank als hypotheekhouder betekend. [betrokkene 1] had reeds in maart 2019 conservatoir beslag gelegd voor deze vordering op de woning. Door het vonnis van 23 maart 2022 is dit beslag executoriaal geworden. Het beslag op de woning ten aanzien van [eiseres] is door de afwijzing van de vordering van [betrokkene 1] van rechtswege vervallen.
(vi) Bij brief van 12 mei 2022 heeft Rabobank aan [eiseres] en [de echtgenoot] laten weten dat zij de executie heeft overgenomen, en dat hen wordt verzocht een regeling te treffen met de beslaglegger. In de brief staat niets over een betalingsachterstand bij Rabobank.
(vii) In een brief van eveneens 12 mei 2022 heeft Rabobank aan (de deurwaarder van) [betrokkene 1] laten weten dat zij de executie heeft overgenomen. In de brief staat onder meer het volgende:
‘(...)
Wat is de situatie?
De bank heeft een vordering van € 288.406,73, te vermeerderen met renten en kosten. Onze hypothecaire inschrijving is € 305.000,00, plus 35% aan renten en kosten. De meest recente waardebepaling is van 04-05-2009. De marktwaarde is € 252.000,00.
Vertrouwelijk delen wij u mee, dat er geen overwaarde te verwachten is boven de door hypotheek gedekte vordering van de Rabobank. Gelet daarop vragen wij u bij voorbaat om af te zien van executiemaatregelen.
Mocht uw cliënt toch aandringen op executie?
Als een beslaglegger tot executie wenst over te gaan dient hij daarbij een te respecteren belang te hebben. Nu er voor de beslaglegger naar verwachting geen opbrengst resteert, zijn wij van mening dat dit belang ontbreekt. Als de beslaglegger toch tot executie overgaat en ons daarmee schade berokkent, stellen wij de beslaglegger daarvoor nu al aansprakelijk.
Is het beslag alleen gelegd ter zekerheidstelling?
Als u op dit moment niet van plan bent het executoriaal beslag uit te winnen, dan vernemen wij dat graag. Er is dan op dit moment geen sprake van dreigende executie. Wilt u in de toekomst toch overgaan tot executie? Dan verzoeken wij u om ons op dat moment schriftelijk te informeren.
(...)’
(viii) In een brief van 13 juli 2022 heeft Rabobank aan [eiseres] en [de echtgenoot] laten weten dat zij een laatste kans krijgen om de achterstand, van op dat moment € 747,85 te voldoen om te voorkomen dat Rabobank de lening zou opeisen.
(ix) In een e-mail van 7 december 2022 heeft de door [betrokkene 1] ingeschakelde deurwaarder aan Rabobank laten weten dat [betrokkene 1] niet heeft ingestemd met een betalingsregeling met [de echtgenoot] en dat hij de executie wenst op te pakken.
(x) Bij brief van 7 maart 2023 heeft Rabobank de hypothecaire leningen als genoemd onder ii opgeëist, en heeft zij verzocht het bedrag van € 288.000 plus rente vóór 20 maart 2023 aan haar te betalen, bij gebreke waarvan de woning executoriaal zal worden verkocht. Als reden voor de opeising geeft Rabobank dat er beslag is gelegd op de woning en dat [de echtgenoot] en [eiseres] geen regeling hebben getroffen met de beslaglegger.
(xi) [eiseres] en [de echtgenoot] hebben de hypothecaire leningen niet afgelost en bij deurwaardersexploot van 26 mei 2023 heeft Rabobank aangezegd de woning op 19 september 2023 openbaar te verkopen.
(xii) Bij vonnis van 12 september 2023 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag in een kort geding tussen [de echtgenoot] en [eiseres] tegen [betrokkene 1] geoordeeld dat [betrokkene 1] belang heeft bij handhaving van zijn beslag op het aandeel van [de echtgenoot] in de woning en dat [betrokkene 1] door het beslag te handhaven geen misbruik maakt van zijn recht.
(xiii) Bij arrest in kort geding van 27 februari 2024 heeft het hof Den Haag het vonnis van de rechtbank van 12 september 2023 bekrachtigd.
2.2
Bij dagvaarding in kort geding van 10 augustus 2023 heeft [eiseres] primair gevorderd dat de voorzieningenrechter Rabobank zal verbieden om de aangezegde veilig van 19 september 2023 door te laten gaan of de woning op een ander tijdstip of op andere wijze te verkopen. Subsidiair heeft zij gevorderd een verbod tot veiling van de woning voor een periode van 6 maanden. Bij vonnis van 7 september 2023 [3] heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam de primaire vordering van [eiseres] afgewezen. Overeenkomstig haar subsidiaire vordering heeft de voorzieningenrechter Rabobank verboden om gedurende zes maanden de woningveiling door te laten gaan.
2.3
[eiseres] heeft tegen de afwijzing van haar primaire vordering hoger beroep ingesteld. Bij eindarrest van 9 september 2025 heeft het gerechtshof Amsterdam [4] het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank bekrachtigd.
2.4
Bij procesinleiding van 26 september 2025 heeft [eiseres] tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. Rabobank heeft verweer gevoerd. Rabobank heeft de zaak schriftelijk doen toelichten, waarna van de zijde van [eiseres] is gerepliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen, waarvan het tweede uitsluitend voortbouwklachten bevat.
3.2
Onderdeel 1richt zich tegen rechtsoverweging 4.5 van het arrest van het hof. Ik citeer die overweging en de voorafgaande rechtsoverwegingen 4.3 en 4.4:
‘4.3 In hoger beroep voert [eiseres] aan dat Rabobank geen opeisbare vordering heeft, omdat het executoriale beslag op het onverdeelde aandeel van [eiseres] in de woning is doorgehaald en de beslaglegger zich op grond van het toepasselijke Pakistaanse huwelijksvermogensrecht niet kan verhalen op het vermogen van [eiseres] . Rabobank heeft hiertegen verweer gevoerd. Volgens Rabobank is zij bevoegd de geldleningen op te eisen op grond van artikel 15 sub d AV Pro, dat luidt:
“15. Onmiddellijke opeisbaarheid
In elk van de hierna vermelde gevallen kan de bank het door u verschuldigde onmiddellijk opeisen. Daarbij is geen opzegging, ingebrekestelling of andere formaliteit nodig. Deze gevallen zijn:
(…)
d. vermogen van u of van de zekerheidgever wordt onder bewind of beheer gesteld, of daarop wordt beslag gelegd of op andere manier verhaal gezocht;
(…)”
4.4
Het hof ziet aanleiding ambtshalve te toetsen of artikel 15 sub d AV Pro kwalificeert als een oneerlijk beding, omdat het beding onder de werking van Richtlijn 93/13 (Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, PbEG 1993, L 95/29, zoals nadien gewijzigd) valt. Het gaat in het onderhavige geval namelijk om een professionele partij en een consument, terwijl artikel 15 sub d AV Pro geen kernbeding is en partijen over dit beding niet afzonderlijk hebben onderhandeld. Anders dan Rabobank betoogt valt deze toetsing binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep nu de reden voor de executie is gelegen in het opeisen van de lening door Rabobank op grond van voornoemd beding en [eiseres] bovendien expliciet een beroep heeft gedaan op vernietigbaarheid daarvan. Ingevolge artikel 3 lid 1 Richtlijn Pro 93/13 wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Richtlijn 93/13 is onder meer geïmplementeerd in artikel 6:233 sub a van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
4.5
Het hof is van oordeel dat artikel 15 sub d AV Pro niet oneerlijk of onredelijk bezwarend is en dus niet ambtshalve moet worden vernietigd op grond van artikel 6:233 sub a BW Pro. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat hij het beding transparant acht en het beding niet voorkomt op de in artikel 6:236 BW Pro en artikel 6:237 BW Pro neergelegde zwarte en grijze lijst en ook niet op de blauwe lijst bij Richtlijn 93/13. Naar het oordeel van het hof is gelet op alle relevante omstandigheden en in het licht van de gehele overeenkomst geen sprake van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument. Het belang van de bank om een geldlening onmiddellijk op te eisen is gerechtvaardigd indien vermogen van de consumentschuldenaar of van de zekerheidgever wordt bedreigd en daarmee een risico ontstaat dat de lening niet langer (volledig) is gewaarborgd. In die situatie weegt dat belang van de bank zwaarder dan het belang van de consument bij voortduring van de lening. De omstandigheid dat de geldlening eveneens onmiddellijk opeisbaar wordt indien er meerdere schuldenaren of zekerheidgevers zijn en het vermogen van slechts één van hen wordt bedreigd, maakt het voorgaande niet anders, omdat ook dan sprake is van vermindering van zekerheid en de bank daarom ook in die situatie er een gerechtvaardigd belang bij heeft de geldlening onmiddellijk op te eisen. Daarnaast is te verwachten dat, indien over het beding zou zijn onderhandeld, de consument met het beding zou hebben ingestemd.’
3.3
Subonderdeel 1.1houdt in dat, voor zover het hof is uitgegaan van een andere rechtsopvatting dan in (bijvoorbeeld) HR 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:820, rov. 3.1.2 en/of in HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, rov. 3.9.1 is weergegeven, het oordeel van het hof rechtens onjuist is. Meer in het bijzonder zou het hof van een onjuiste rechtsopvatting zijn uitgegaan door een reeks in het middel vermelde omstandigheden, zowel zelfstandig als in onderlinge samenhang, niet in zijn oneerlijkheidsbeoordeling te betrekken, althans ter zake onvoldoende onderzoek te verrichten.
3.4
De door het subonderdeel opgesomde omstandigheden betreffen, als ik het goed zie, vooral situaties die in de verhouding tussen [eiseres] en Rabobank zich niet voordoen: onder meer het geval van conservatoir beslag, van bewind, van beheer of van ‘verhaal op andere manier’. Rabobank heeft de geldleningen bij brief van 7 maart 2023 opgeëist (hiervoor 2.1 onder x). Die opeising vond plaats nadat het door [betrokkene 1] op de woning gelegde beslag in een
executoriaalbeslag was overgegaan (hiervoor 2.1 onder v in verband met art. 704 lid 1 Rv Pro) en na de mededeling door de deurwaarder van [betrokkene 1] dat geen betalingsregeling met [de echtgenoot] was tot stand gekomen en diens aankondiging dat hij de executie ter hand zou nemen (hiervoor 2.1 onder ix).
3.5
Dat niet langer sprake is van conservatoir beslag, dat geen sprake is van bewind, van beheer of van verhaal op andere manier, betekent
op zichzelf nog nietdat bij de toetsing van artikel 15 aanhef Pro en onder d AV op oneerlijkheid in de zin van de Richtlijn 93/13 buiten beschouwing moet blijven wat het beding daarover inhoudt. De toetsing op oneerlijkheid ziet immers op
alle bedingendie verband houden met het voorwerp van het geding zoals dat door de partijen is afgebakend [5] en bij die toetsing moet worden uitgegaan van het moment waarop de betrokken overeenkomst is gesloten, rekening houdend met alle omstandigheden waarvan de wederpartij van de consument op dat moment kennis kon hebben en die gevolgen konden hebben voor de latere uitvoering van die overeenkomst. [6] Is een beding oneerlijk, dan bindt het de consument niet (art. 6 lid 1 Richtlijn Pro 93/13) en gaat de rechter (nadat partijen hun standpunt kenbaar hebben kunnen maken) ambtshalve over tot vernietiging van het beding. [7] Uit een en ander volgt dat wat een beding inhoudt met betrekking tot een situatie die zich in concreto niet voordoet, bij de vraag of het beding oneerlijk en daarmee onredelijk bezwarend is, wel degelijk mede in aanmerking kan komen.
3.6
Hiermee is echter nog niet alles gezegd. [8] Wanneer een beding een bepaling bevat die van de overige bepalingen van dat beding kan worden gescheiden, die aan een afzonderlijk onderzoek van het oneerlijke karakter ervan kan worden onderworpen en waarvan de schrapping het herstel van een werkelijk evenwicht tussen de partijen mogelijk zou maken zonder de kern van de betrokken overeenkomst aan te tasten, dan heeft art. 6 lid 1 Richtlijn Pro 93/13 niet tot gevolg dat dit beding als geheel ongeldig moet worden verklaard. [9] De rechter dient met inachtneming van alle omstandigheden van de betrokken overeenkomsten en de relevante nationaalrechtelijke voorschriften naar objectieve maatstaven te beoordelen of het oneerlijke bestanddeel van een beding bestaat in een contractuele verplichting die losstaat van de andere bedingen en waarvan het oneerlijke karakter apart kan worden getoetst. [10] Niet bepalend is of louter tekstueel bezien sprake is van één beding dan wel verschillende bedingen. [11]
3.7
Zulk losstaan kan volgen uit een verschil in doel of functie van bedingen of onderdelen ervan. Op grond van zulk verschil in doel en functie las uw Raad in een huurprijswijzigingsbeding twee afzonderlijk op oneerlijkheid te toetsen bedingen, namelijk een opslagbeding en een indexatiebeding. [12] Wel werd bij die toetsing het (cumulatieve) effect van het andere beding meegewogen. De reden daarvoor is dat het cumulatieve effect van alle bedingen van de betrokken overeenkomst in aanmerking komt; die beoordeling is gerechtvaardigd, aangezien die bedingen in hun geheel moeten worden toegepast, ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming ervan nastreeft. [13] Uiteraard is met ‘alle bedingen’ in dit verband nog steeds bedoeld: alle bedingen die verband houden met het voorwerp van het geding zoals dat door de partijen is afgebakend (hiervoor ‎3.5).
3.8
Dat artikel 15 aanhef Pro en onder d AV met betrekking tot de situaties van conservatoir beslag, van bewind, van beheer of van verhaal op andere manier, losstaat van wat hetzelfde artikel inhoudt met betrekking tot executoriaal beslag, is eenvoudig in te zien. Niet alleen is het doel en de functie verschillend – omdat de bedingen zien op verschillende situaties, zullen de bedingen in gewone gevallen niet gelijktijdig van toepassing zijn. In het zojuist bedoelde geval van het opslagbeding en het indexatiebeding is dit anders, die zullen in gewone gevallen wél gelijktijdig van toepassing zijn. (Daarom ook komt wel het cumulatief effect van de bedingen in aanmerking.) Dat is alleen anders indien in een bepaald jaar de inflatie nul zou zijn, zodat het indexatiebeding niet tot een wijziging van de prijs leidt. [14] Als het opslagbeding en het indexatiebeding afzonderlijk moeten getoetst, geldt dit dus
a fortiorivoor de bedingen in de algemene voorwaarden van Rabobank met betrekking tot enerzijds executoriaal beslag en anderzijds andere situaties, namelijk conservatoir beslag, van bewind, van beheer of van verhaal op andere manier.
3.9
Het beding zoals dit voorwerp is van de toetsing op oneerlijkheid, is volgens het voorgaande dus uitsluitend het beding dat in geval van executoriaal beslag de bank het verschuldigde onmiddellijk kan opeisen, zonder dat daarvoor opzegging, ingebrekestelling of een andere formaliteit nodig is, en niet ook de bedingen voor andere situaties, zoals situaties van
conservatoirbeslag, van bewind, van beheer of van verhaal op andere manier. De omstandigheid dat de bedingen voor die andere situaties zijn neergelegd in hetzelfde artikel 15 aanhef Pro en onder d AV, en de bedingen dus zijn vormgegeven als onderdelen van dezelfde contractuele bepaling, maakt dit niet anders. Dat aldus in onze zaak alleen ter toets komt of het beding met betrekking tot de situatie van executoriaal beslag oneerlijk is, is in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, dat een algemeen beginsel van Unierecht is en vereist dat de nationale regeling waarbij dit recht ten uitvoer wordt gelegd, niet verder gaat dan noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken. [15] De rechter vernietigt niet meer dan nodig is om ‘de juridische en feitelijke situatie te herstellen waarin de consument zich zonder het oneerlijke beding zou hebben bevonden’. [16]
3.1
Ik begrijp rechtsoverweging 4.5 van het bestreden arrest zo dat het hof daar het beding toetst zoals dit volgens het voorgaande voorwerp van de toets op oneerlijkheid dient te zijn, dus uitsluitend het beding met betrekking tot de situatie van executoriaal beslag. De steller van het middel leest het arrest van het hof anders, [17] maar als ik het goed zie maakt dat voor het lot van de klachten van het middel niet werkelijk verschil. Zou het hof mede de ook in artikel 15 aanhef Pro en onder d AV neergelegde bedingen met betrekking tot situaties van conservatoir beslag, van bewind, van beheer of van verhaal op andere manier hebben getoetst (en die bedingen evenmin oneerlijk bevonden als het beding met betrekking tot executoriaal beslag), dan heeft [eiseres] toch alleen belang bij klachten over de toetsing van het beding met betrekking tot de situatie van executoriaal beslag. Omdat de bedingen met betrekking tot situaties van conservatoir beslag, van bewind, van beheer of van verhaal op andere manier, losstaan van het beding met betrekking tot de situatie van executoriaal beslag en bovendien geen verband houden met het voorwerp van het geding (zodat ook niet een cumulatief effect in aanmerking komt, hiervoor ‎3.7), heeft de eventuele oneerlijkheid van eerstbedoelde bedingen immers naar haar aard geen gevolgen voor de wijze waarop de zaak behoort te worden afgedaan.
3.11
Tegen de achtergrond van het voorgaande bespreek ik de klachten van het subonderdeel nader.
3.12
Het subonderdeel verwijst naar rechtsoverweging 3.1.2 van HR 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:820 (
ASR): [18]
‘Het proceskostenbeding is oneerlijk indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (art. 3 lid 1 Richtlijn Pro 93/13). Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding moet worden uitgegaan van het moment waarop de betrokken overeenkomst is gesloten, rekening houdend met alle omstandigheden waarvan de wederpartij van de consument op dat moment kennis kon hebben en die gevolgen konden hebben voor de latere uitvoering van die overeenkomst. Daarbij moet worden nagegaan wat het cumulatieve effect is van alle bedingen van de betrokken overeenkomst, ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming ervan nastreeft. Om te bepalen of een beding een “aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt, moet met name rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen. Met betrekking tot de vraag in welke omstandigheden een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ‘in strijd met de goede trouw” wordt veroorzaakt, dient de nationale rechter na te gaan of de verkoper redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat de consument een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover op eerlijke en billijke wijze afzonderlijk was onderhandeld. [19]
Richtlijn 93/13 is geïmplementeerd in art. 6:233 BW Pro en die bepaling wordt, indien dat nodig is om aan de door het Unierecht gestelde eisen te voldoen, in overeenstemming met Richtlijn 93/13 uitgelegd. Indien in een consumentenzaak een beding in algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is in de zin van art. 6:233, aanhef en onder a, BW, is dat beding tevens oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13.’ [20]
3.13
De steller van het middel laat ons ernaar raden welk element uit deze veelomvattende overweging hij met zijn rechtsklacht bijzonder op het oog heeft, dus wat uit de overweging van uw Raad door het hof zou zijn miskend. Voor de hand liggende kandidaten zijn mijns inziens (a) de tweede volzin, die ziet op het peilmoment (het moment waarop de betrokken overeenkomst is gesloten) en de daarbij in aanmerking te nemen omstandigheden (alle omstandigheden waarvan de wederpartij van de consument op dat moment kennis kon hebben en die gevolgen konden hebben voor de latere uitvoering van die overeenkomst) en (b) de derde volzin, die het cumulatieve effect van alle bedingen van de betrokken overeenkomst betreft.
3.14
De ene noch de andere kandidaat levert mijns inziens een rechtsklacht op die kans van slagen heeft.
3.15
Ik zie geen aanwijzing dat het hof is uitgegaan van een ander peilmoment dan dat waarop de betrokken overeenkomst is gesloten, of minder dan wel juist meer omstandigheden in de beoordeling heeft betrokken dan die waarvan de wederpartij van de consument op dat moment kennis kon hebben en die gevolgen konden hebben voor de latere uitvoering van die overeenkomst. Dat het hof geen overwegingen heeft gewijd aan wat de bepaling van artikel 15 aanhef Pro en onder d AV inhoudt met betrekking tot de situaties van conservatoir beslag, van bewind, van beheer of van verhaal op andere manier, heeft een andere reden, namelijk dat in zoverre sprake is van bedingen waarvan de eerlijkheid afzonderlijk wordt getoetst en die ook geen verband houden met het voorwerp van het geding zoals dat door de partijen was afgebakend.
3.16
Dit laatste is ook de reden waarom ook de tweede kandidaat [eiseres] niet bij een slagende rechtsklacht kan brengen. Onderwerp van de toetsing op oneerlijke bedingen zijn niet alle bedingen van de overeenkomst zonder meer, maar alle bedingen die verband houden met het voorwerp van het geding, en in dát verband komt het cumulatief effect van die bedingen in aanmerking.
3.17
Het subonderdeel verwijst verder naar rechtsoverweging 3.9.1 van HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691: [21]
‘De Hoge Raad ziet aanleiding om met betrekking tot de gehoudenheid tot ambtshalve onderzoek nog het volgende te overwegen. Indien de rechter over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt om te vermoeden dat een overeenkomst onder het bereik van Richtlijn 93/13 valt en een beding bevat dat oneerlijk is in de hiervoor genoemde zin, dient hij daarnaar onderzoek te doen, ook indien daarop gerichte stellingen niet aan de vordering of het verweer ten grondslag zijn gelegd. Dit geldt zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, wat het laatste betreft met inachtneming van hetgeen hiervoor in 3.6.3 is overwogen.
Staan de relevante feiten niet alle vast, dan zal de rechter de instructiemaatregelen moeten nemen die in dit verband nodig zijn om de volle werking van de Richtlijn 93/13 te verzekeren, wat betreft zowel de toepasselijkheid van die richtlijn, als de mogelijke oneerlijkheid van het beding.
De rechter dient het beginsel van hoor en wederhoor in acht te nemen. Hij dient partijen in de gelegenheid te stellen zich over een en ander uit te laten en, zo nodig, hun stellingen daaraan aan te passen.’
3.18
Opnieuw zegt de steller van het middel er niet bij wat uit deze overweging van uw Raad door het hof zou zijn miskend. Ik vermoed dat hij bedoelt dat ondanks de omstandigheid dat [eiseres] in feitelijke aanleg geen beroep had gedaan op wat de bepaling van artikel 15 aanhef Pro en onder d AV inhoudt met betrekking tot de situaties van conservatoir beslag, van bewind, van beheer of van verhaal op andere manier, het hof dat tóch in zijn ambtshalve onderzoek had moeten betrekken. Dat zou waar zijn indien het bedingen zou betreffen die verband houden met het voorwerp van het geding. [22] Dat is echter niet zo.
3.19
Vervolgens spitst het subonderdeel zijn rechtsklachten toe op ‘de volgende relevante omstandigheden’, opgesomd onder de letters a tot en met h. Mijns inziens slagen ook deze klachten niet. Ik loop de genoemde omstandigheden een voor een na.

Naar aanleiding van omstandigheid a.Wat artikel 15 aanhef Pro en onder d AV inhoudt met betrekking tot
conservatoirbeslag komt niet in aanmerking (zie hiervoor).

Naar aanleiding van omstandigheid b.Dat het beding geldt bij een beslag op alle goederen, dus ook op goederen die geen, althans onvoldoende bedreiging voor het verhaal van de hypotheekhouder zouden opleveren, lijkt mij in verband met de door art. 6:238 lid 2 tweede Pro volzin BW voorgeschreven uitleg
contra proferentemniet vanzelfsprekend. Hoe dan ook, voor zover artikel 15 aanhef Pro en onder d AV wel degelijk ook ziet op andere goederen dan die voorwerp van het hypotheekrecht van Rabobank zijn, is in zoverre opnieuw sprake van een beding dat afzonderlijk kan en mag worden getoetst (ik bedoel het beding dat artikel 15 aanhef Pro en onder d AV met betrekking tot executoriaal beslag op het verbonden goed inhoudt), terwijl het eventuele beding met betrekking tot beslag op andere goederen geen verband houdt met het voorwerp van het geding. Daarvoor geldt dus hetzelfde als wat hiervoor is gezegd over de bedingen met betrekking tot de situaties van conservatoir beslag, van bewind, van beheer of van verhaal op andere manier.

Naar aanleiding van omstandigheid c.Dat het beding geldt bij iedere hoogte van de beslagvordering, behoefde het hof niet tot een ander oordeel te brengen. Ieder executoriaal beslag op het verbonden goed kan leiden tot daadwerkelijke executie en aldus afbreuk doen aan het recht van parate executie van de hypotheekhouder (art. 3:268 BW Pro). Dat geldt dus ook voor executoriaal beslag voor kleine vorderingen.

Naar aanleiding van omstandigheid d.De vermelde omstandigheid heeft weer betrekking op conservatoir beslag, wat niet in aanmerking komt.

Naar aanleiding van omstandigheid e.Ieder executoriaal beslag leidt er potentieel toe dat de hypotheekhouder de regie kwijtraakt die de wetgever hem met het recht van parate executie heeft gegund.

Naar aanleiding van omstandigheid f.Wat artikel 15 aanhef Pro en onder d AV inhoudt met betrekking tot onderbewindstelling van het vermogen van de hypotheekgever komt niet in aanmerking (zie hiervoor).

Naar aanleiding van omstandigheid g.Wat artikel 15 aanhef Pro en onder d AV inhoudt met betrekking tot beheer komt niet in aanmerking (zie hiervoor).

Naar aanleiding van omstandigheid h.Wat artikel 15 aanhef Pro en onder d AV inhoudt met betrekking tot verhaal op andere manier komt niet in aanmerking (zie hiervoor).
3.2
Ten overvloede nog het volgende. De feitelijke grondslag van een cassatieklacht kan alleen worden gevonden in de bestreden uitspraak en de stukken van het geding (art. 419 lid 2 Rv Pro). Dat betekent niet dat in cassatie niet kan worden geklaagd over de inhoud van het ambtshalve onderzoek waartoe de rechter die over de feiten oordeelt, gehouden is. [23] Bij de rolverdeling tussen de feitenrechtspraak en de cassatierechter past echter niet dat iedere lezing van een beding en iedere potentiële toepassing van een beding waarvan het de desbetreffende cassatieadvocaat gelukt die te bedenken, in cassatie kan worden voorgelegd. Alleen indien naar aanleiding van in de procedure gebleken gegevens onbegrijpelijk is dat iets niet mede door feitenrechter in de oneerlijkheidstoets is betrokken, kan daarover mijns inziens in cassatie worden geklaagd. [24]
3.21
Het subonderdeel faalt dus.
3.22
Subonderdeel 1.2klaagt in het verlengde van het voorgaande subonderdeel dat het hof van een onjuiste rechtsoverweging is uitgegaan door niets te overwegen omtrent het onder bewind en onder beheer stellen van vermogen, omdat die situaties eveneens door het beding bestreken worden. Ook dit subonderdeel faalt op de grond dat het eraan voorbij ziet dat wat artikel 15 aanhef Pro en onder d AV inhoudt met betrekking tot de situaties van bewind en beheer, losstaat van het in dezelfde contractuele bepaling vervatte beding omtrent de situatie van executoriaal beslag, zodat laatstbedoeld beding apart kan worden getoetst, terwijl de bedingen met betrekking tot de situaties van bewind en beheer bovendien geen verband houden met het voorwerp van het geding (zodat ook niet een cumulatief effect in aanmerking komt). Zie de bespreking van subonderdeel 1.1.
3.23
Subonderdeel 1.3kat de rechtsklachten van de voorgaande subonderdelen om in motiveringsklachten. In het verlengde van het voorgaande falen echter ook die motiveringsklachten.
3.24
Onderdeel 2bevat enkel voortbouwklachten, die in het lot van de voorgaande klachten moeten delen.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vergelijk C.M.D.S. Pavillon & I. Visser, ‘Recente ontwikkelingen ten aanzien van de oneerlijkheidstoetsing van vervroegde opeisingsbedingen’,
2.Zie het arrest van het hof Amsterdam van 9 september 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2273, onder 3.1 tot en met 3.13.
3.Rb. Amsterdam 7 september 2023, zaaknummer: C/13/737712 / KG ZA 23-719 VVV/LO (niet gepubliceerd).
4.Hof Amsterdam 9 september 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2273.
5.HvJ EU 11 maart 2020, ECLI:EU:C:2020:188,
6.HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830,
7.HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691,
8.Vergelijk de schriftelijke toelichting van de zijde van Rabobank, onder 23 e.v.
9.HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1780,
10.HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1780,
11.HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1780,
12.HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1780,
13.HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1780,
14.Volgens bronnen op internet is sinds de jaren dertig van de vorige eeuw een inflatie van nul maar één keer voorgekomen, in 1987. Zie onder meer https://www.global-rates.com/nl/inflatie/historisch/.
15.HvJ EU 23 november 2023, ECLI:EU:C:2023:911,
16.Idem.
17.Repliek, onder 3.2.
18.HR 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:820,
21.HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691,
22.Mijns inziens is niet juist wat de in de schriftelijke toelichting van de zijde van Rabobank, onder 15-16, wordt gesuggereerd, namelijk dat het hof bij zijn ambtshalve onderzoek gebonden zou zijn de grenzen van mede art. 24 lid 1 Rv Pro, dus de feitelijke grondslag van de vordering en het verweer. Waar het Europees consumentenrecht gelijkwaardig is aan nationale bepalingen van openbare orde, zijn de feitelijke grondslagen van de vordering en het verweer juist niet bepalend. Dit volgt ook duidelijk uit de zinsnede ‘ook indien daarop gerichte stellingen niet aan de vordering of het verweer ten grondslag zijn gelegd’ in het laatste citaat (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, onder 3.9.1).
23.Zoals er ook over kan worden geklaagd dat de in de procedure aan de feitenrechter gebleken gegevens hem geen aanleiding tot een zodanig onderzoek hebben gegeven.
24.Vergelijk HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691,