ECLI:NL:HR:2026:97

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
24/04476
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid netbeheerder en onredelijk bezwarend exoneratiebeding in algemene voorwaarden

In deze zaak heeft Achmea Schadeverzekeringen N.V. (hierna: Achmea) cassatie ingesteld tegen Stedin Netbeheer B.V. (hierna: Stedin) over de vraag of een exoneratiebeding in de algemene voorwaarden van Stedin onredelijk bezwarend is. Achmea had een bedrag van € 158.188,98 uitgekeerd aan een bewoner voor brandschade en stelde Stedin aansprakelijk voor deze schade. Stedin verweerde zich met een beroep op artikel 17.4 van haar algemene voorwaarden, waarin de aansprakelijkheid voor schade is beperkt. De rechtbank Rotterdam heeft het beroep van Stedin op dit beding gehonoreerd en de vordering van Achmea tot betaling van de volledige schade afgewezen, met uitzondering van een bedrag van € 3.500,-. Het gerechtshof Den Haag heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, waarbij het hof oordeelde dat Stedin erin was geslaagd het vermoeden van onredelijkheid van het beding te weerleggen. Achmea heeft in cassatie aangevoerd dat het hof dit onjuist heeft beoordeeld. De Hoge Raad heeft het beroep van Achmea verworpen en geoordeeld dat de exoneratie in artikel 17.4 van de algemene voorwaarden niet onredelijk bezwarend is. De Hoge Raad overweegt dat de netbeheerder opereert binnen een gereguleerd kader en dat de belangen van consumenten zijn meegewogen in de totstandkoming van de algemene voorwaarden. Bovendien is het hof van oordeel dat een onbeperkte aansprakelijkheid niet verzekerbaar is, wat bijdraagt aan de rechtvaardiging van de aansprakelijkheidsbeperking. De Hoge Raad heeft Achmea in de kosten van het geding in cassatie veroordeeld.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/04476
Datum23 januari 2026
ARREST
In de zaak van
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
EISERES tot cassatie,
hierna: Achmea,
advocaat: A. Stortelder,
tegen
STEDIN NETBEHEER B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Stedin,
advocaten: T. van Malssen en R.M. Andes.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/10/617993 / HA ZA 21-398 van de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2022;
b. het arrest in de zaak 200.320.819/01 van het gerechtshof Den Haag van 10 september 2024.
Achmea heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Stedin heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Achmea mede door J.H.G. Hordijk en N. Lgarah.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.
De advocaten van Achmea en van Stedin hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) In november 2018 heeft brand gewoed in de woning van [bewoner]. De brand is ontstaan in de zogenoemde huis- of hoofdaansluitkast in de meterkast van de woning.
(ii) [bewoner] was bij Achmea tegen brandschade verzekerd. Achmea heeft [bewoner] op grond van de verzekering een bedrag uitgekeerd van € 158.188,98.
(iii) Achmea heeft Stedin aansprakelijk gesteld voor de door haar aan [bewoner] vergoede schade. Stedin heeft betwist aansprakelijk te zijn en heeft meer in het bijzonder een beroep gedaan op art. 17.4 van de algemene voorwaarden (hierna: AV).
(iv) Art. 17 AV luidt:
“Artikel 17 Aansprakelijkheid
17.1a De netbeheerder is, met inachtneming van het bepaalde in de overige leden van dit artikel, jegens de contractant aansprakelijk voor schade als gevolg van onderbreking van het transport van elektriciteit respectievelijk gas echter uitsluitend indien en voor zover:
a. de onderbreking het gevolg is van een aan de netbeheerder toerekenbare tekortkoming en
b. het personenschade betreft als gevolg van lichamelijk letsel of overlijden en/of
c. het zaakschade betreft bestaande uit vernietiging, beschadiging of verlies van een zaak en/of
d. het noodzakelijke kosten betreffen ter voorkoming van zaakschade bij een onderbreking van meer dan 8 uur, die niet bestaan uit kosten ter zake van een vervangende elektriciteitsvoorziening.
17.1b Voor zaakschade en voor de noodzakelijke kosten ter voorkoming van zaakschade geldt een drempelbedrag van Euro 40,- (veertig Euro) voor de contractant, met dien verstande dat bij overschrijding het drempelbedrag mede wordt vergoed. Voor personenschade als gevolg van lichamelijk letsel of overlijden geldt geen drempelbedrag.
17.2
De netbeheerder is, met inachtneming van het bepaalde in de overige leden van dit artikel, voorts aansprakelijk voor schade aan personen of zaken ten gevolge van een gebrekkige aansluiting of een gebrekkig transport dan wel van een onjuist handelen of nalaten in verband met aansluiting en/of transport – niet zijnde een onderbreking van het transport –, doch niet indien de schade het gevolg is van een tekortkoming die de netbeheerder niet kan worden toegerekend.
17.3
Behoudens ingeval de schade ontstaat als gevolg van opzet of bewuste roekeloosheid van de netbeheerder of diens leidinggevende werknemers, is in alle gevallen van vergoeding uitgesloten indirecte schade zoals in ieder geval schade als gevolg van bedrijfsstilstand, als gevolg van het niet kunnen uitoefenen van een beroep of bedrijf en als gevolg van winstderving.
17.4
Indien en voor zover de netbeheerder jegens de contractant in het kader van deze algemene voorwaarden tot schadevergoeding verplicht is, komt schade slechts voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van ten hoogste:
a. Euro 5.000.000,- (vijfmiljoen Euro) per gebeurtenis voor alle contractanten tezamen voor zover het personenschade betreft en
b. Euro 2.500.000,- (tweemiljoenvijfhonderdduizend Euro) per gebeurtenis voor alle contractanten tezamen voor zover het zaakschade en de noodzakelijke kosten ter voorkoming van zaakschade betreft, met dien verstande dat, ongeacht de omvang van het totaal der schade, de vergoeding van de noodzakelijke kosten ter voorkoming van zaakschade is beperkt tot Euro 75,- (vijfenzeventig Euro) per contractant en de totale vergoeding van zaakschade en noodzakelijke kosten ter voorkoming van zaakschade is beperkt tot ten hoogste Euro 3.500,- (drieduizendvijfhonderd Euro) per contractant.”
2.2
Voor zover in cassatie van belang vordert Achmea in deze procedure veroordeling van Stedin tot betaling van de door haar uitgekeerde verzekeringssom van € 158.188,98. Stedin heeft onder meer een beroep gedaan op art. 17.4 AV.
2.3
De rechtbank [1] heeft het beroep van Stedin op art. 17.4 AV gehonoreerd en de vordering tot betaling van de uitgekeerde verzekeringssom toegewezen tot een bedrag van € 3.500,--.
2.4
Het hof [2] heeft, voor zover in cassatie van belang, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en daartoe als volgt overwogen (voetnoten weggelaten):
“Beding onredelijk bezwarend?
(…)
6.7
Op grond van artikel 6:233 onderdeel a BW is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar indien het gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij.
6.8
De algemene voorwaarden zijn overeengekomen tussen Stedin en [bewoner], zodat getoetst moet worden of het beding onredelijk bezwarend is voor [bewoner] als consument waarbij Achmea door subrogatie in de rechten van [bewoner] is getreden en daarom als consument wordt aangemerkt.
6.9
Op grond van artikel 6:237 onder f BW wordt in een overeenkomst met een consument een beding dat de gebruiker (hier: Stedin) bevrijdt van haar wettelijke verplichting tot schadevergoeding, vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Dat vermoeden kan door Stedin worden weerlegd. Daarbij kunnen alle omstandigheden een rol spelen die bij de toetsing aan de open norm van artikel 6:233 onderdeel a BW van belang zijn. Het hof is – met de rechtbank – van oordeel dat Stedin er in is geslaagd het vermoeden dat de aansprakelijkheidsbeperking in artikel 17.4 van de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is te weerleggen. Het hof acht daartoe het volgende redengevend.
6.1
Wat betreft de aard en inhoud van de overeenkomst is relevant dat Stedin (…) haar diensten verricht binnen een gereguleerd kader. Dit kader stelt grenzen aan de netbeheerders, zoals Stedin, die zich in een monopoloïde situatie bevinden. Onderdeel van de publieke regulering is dat aan consumenten en bedrijven op non-discriminatoire wijze toegang moet worden verschaft op basis van vooraf getoetste voorwaarden waarop de ACM (Autoriteit Consument en Markt) toezicht houdt. Dat brengt mee dat Stedin wettelijk verplicht is met iedere kleinverbruiker een overeenkomst aan te gaan, dat zij niemand mag weigeren en niet mag differentiëren in de voorwaarden, ook niet als de risico’s uiteenlopen.
6.11
Daarnaast is van belang dat de kosten die netbeheerders maken door alle afnemers van de energienetten (huishoudens en bedrijven) gezamenlijk wordt betaald via de maximale tarieven die door de ACM jaarlijks worden vastgesteld (op grond van de Regeling inzake tariefstructuren en voorwaarden elektriciteit en de Tarievencode elektriciteit) en dat daarbij niet is voorzien in dekking van schades als genoemd in artikel 17 AV. Met haar tariefstelling reguleert de ACM de inkomsten van de netbeheerders en beoogt zij een optimale balans te vinden tussen de verschillende maatschappelijke belangen. De netbeheerders hebben er belang bij dat zij de noodzakelijke kosten (inclusief een redelijk rendement op het daadwerkelijk geïnvesteerde vermogen voor de kapitaalverschaffers) kunnen terugverdienen om aan de wettelijke beheertaken te kunnen voldoen. De afnemers zijn gebaat bij bevordering van de doelmatigheid van de bedrijfsvoering van de netbeheerder en de meest doelmatige kwaliteit van het transport. Ter voorkoming van benadeling van de afnemers wordt de tariefstelling ook zodanig vastgesteld dat netbeheerders geen rendement kunnen behalen dat hoger is dan in het economisch verkeer gebruikelijk is (artikel 41 lid 3 E-wet). Het is dan ook voorzienbaar dat een ruime schadevergoedingsregeling tot (veel) hogere energietarieven per afnemer zal moeten leiden.
6.12
Wat betreft de wijze van totstandkoming van de algemene voorwaarden (2013) is relevant dat in de Elektriciteitswet 1998 (hierna: E-wet) met het oog op de bescherming van kleinverbruikers is opgenomen dat de netbeheerder redelijke en eerlijke voorwaarden moet hanteren (zie artikel 26a en 95 m E-wet). De algemene voorwaarden zijn voorts tot stand gekomen in het overleg met Netbeheer Nederland, de brancheorganisatie van alle energienetbeheerders, en de Consumentenbond. (…) Uit het voorgaande vloeit voort dat de belangen van consumenten zijn meegewogen in de totstandkoming van de onderhavige algemene voorwaarden.
6.13
Ten aanzien van de inhoud van de algemene voorwaarden is voorts relevant dat het hier gaat om zaakschade en dat de aansprakelijkheid niet algeheel is uitgesloten. Ook weegt mee enerzijds dat alle aangesloten kleinverbruikers (miljoenen huishoudens) een beroep kunnen doen op deze bepaling en anderzijds dat consumenten zich tegen (onder meer) brandschade aan de woning op eenvoudige en betrekkelijk goedkope wijze kunnen verzekeren. Dat consumenten in individuele gevallen niet altijd verzekerd zijn of aanspraak kunnen doen op hun verzekering, zoals Achmea betoogt, laat onverlet dat de omstandigheid dat consumenten zich eenvoudig kunnen verzekeren en merendeels ook verzekerd zijn bij de totstandkoming van artikel 17.4 AV een rol kan spelen en de inhoud daarvan niet onredelijk bezwarend maakt. Achmea heeft in dit verband ook aangevoerd dat het primair aan Stedin is om zich tegen aansprakelijkheid voor door haar veroorzaakte schade te verzekeren en betoogd dat Stedin zal moeten bewijzen dat onbeperkte aansprakelijkheid onverzekerbaar is. Stedin heeft daartegen als verweer aangevoerd dat zij met artikel 17 AV al een fors risico voor haar rekening heeft genomen en dat de in samenwerking met de Consumentenbond vastgestelde limieten en beperkingen ertoe strekken om de financiële risico’s van de netbeheerders op reële wijze te beperken en te beheersen en daarom in verhouding moeten staan tot enerzijds de tarieven (inkomsten) van de netbeheerders, waarin (ongelimiteerde) aansprakelijkheid niet is verdisconteerd, en anderzijds het schaderisico. In verband met dit laatste heeft Stedin naar voren gebracht dat een ongelimiteerde aansprakelijkheid redelijkerwijs niet verzekerbaar is, gelet op de hoogte van de tarieven enerzijds en de aansprakelijkheidsrisico’s anderzijds. Daarbij merkt zij op dat verzekeraars niet of nauwelijks een ongelimiteerd (dekkings)limiet kunnen bieden, vanwege aan hen gestelde solvabiliteitseisen waardoor zij gehouden zijn een percentage aan kapitaal aan te houden gelet op het te verzekeren risico. Het had tegenover deze stellingen van Stedin op de weg van Achmea gelegen om concreet naar voren te brengen op grond waarvan zij meent dat binnen de door de ACM bepaalde maximumtarieven voldoende ruimte aanwezig is om wel tot ongelimiteerde aansprakelijkheidsdekking te komen. Nu Achmea dat heeft nagelaten, neemt het hof als vaststaand aan dat een ongelimiteerde dekking niet verzekerbaar is.
6.14
Uit het voorgaande volgt dat de aansprakelijkheidsbeperking voor zaakschade in 17.4 AV moet worden beschouwd tegen de achtergrond van het feit dat de netbeheerders opereren binnen een wettelijk kader dat onder toezicht staat van de ACM en waarin door tariefstelling aan de belangen van consumenten wordt tegemoetgekomen. Daarnaast is relevant dat ongelimiteerde dekking niet verzekerbaar is. Tot slot wordt aan de belangen van consumenten tegemoetgekomen doordat zaakschade niet volledig is uitgesloten en speelt een rol dat het eenvoudig en gebruikelijk is dat consumenten voor (onder meer) brandschade aan hun woning verzekerd zijn door middel van een woonhuis- en inboedelverzekering. Het hof is van oordeel dat in al deze omstandigheden, mede in onderling verband beschouwd, een voldoende rechtvaardiging kan worden gevonden voor de aansprakelijkheidsbeperking van artikel 17.4 AV. Het vermoeden dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding is door Stedin weerlegd.
6.15
Uit het voorgaande vloeit voort dat de aansprakelijkheidsbeperking die Stedin hanteert niet onredelijk bezwarend wordt bevonden als bedoeld in artikel 6:233 onderdeel a BW. Evenmin leiden de hiervoor genoemde omstandigheden, ook niet in onderlinge samenhang, tot de conclusie dat het beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 1993/13. Uit de hiervoor genoemde omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst volgt niet dat in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen partijen aanzienlijk is verstoord.
6.16
Tegenover dit alles staat dat, zoals Achmea heeft betoogd, minder ingrijpende bedingen (wellicht) mogelijk zouden zijn geweest en het beding vatbaar is voor (toekomstige) wijzigingen, zoals in 2013 toen het bedrag aan zaakschade werd verhoogd van € 1.400 naar € 3.500. Dat een andere keuze mogelijk was geweest, is echter onvoldoende voor de opvatting van Achmea dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding. Waar het om gaat is of in de concrete omstandigheden van
ditgeval de keuze voor het onderhavige beding tegenover consumenten onredelijk bezwarend moet worden geacht. Achmea heeft niet (met stukken) concreet gemaakt dat het huidige bedrag aan schadevergoeding – alle omstandigheden in aanmerking genomen – onredelijk bezwarend moet worden. Dat had in het licht van het voorgaande wel op haar weg gelegen.”

3.Beoordeling van het middel

3.1
Onderdeel 1 van het middel bestrijdt met diverse klachten het oordeel van het hof in rov. 6.6-6.16 dat art. 17.4 AV niet onredelijk bezwarend is.
Onderdeel 1.6 onder b klaagt dat de oordelen van het hof in rov. 6.11 en 6.13 onjuist of onvoldoende gemotiveerd zijn, omdat Stedin heeft volstaan met (blote) stellingen met de strekking dat de door de ACM gemaximeerde tarieven slechts rekening houden met een beperkt risico voor de netbeheerder en niet met doorberekening van schades als de onderhavige en dat ongelimiteerde dekking onverzekerbaar is. Volgens het onderdeel had het op de weg van Stedin gelegen om te onderbouwen welke ruimte voor aansprakelijkheid er wel is binnen de tarieven en verzekeringsmogelijkheden, althans dat er geen ruimte is voor aansprakelijkheid voor meer dan € 3.500,--, en valt zonder die nadere motivering niet in te zien dat het vermoeden dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding door Stedin is weerlegd.
Onderdeel 1.7 klaagt dat de oordelen van het hof in rov. 6.11 en 6.13, en de daarop voortbouwende oordelen in rov. 6.14-6.16, ook onjuist zijn, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, in het licht van een aantal stellingen van Achmea over de verzekeringsmogelijkheden van Stedin en de tarieven bij een minder vergaande exoneratie.
3.2.1
Richtlijn 93/13/EEG [3] (de Richtlijn oneerlijke bedingen, hierna: Richtlijn 93/13) is geïmplementeerd in art. 6:233 BW en die bepaling wordt, indien dat nodig is om aan de door het Unierecht gestelde eisen te voldoen, in overeenstemming met Richtlijn 93/13 uitgelegd. Indien in een consumentenzaak een beding in algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is in de zin van art. 6:233, aanhef en onder a, BW, is dat beding tevens oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13. [4]
De zwarte en grijze lijst geven invulling aan het onderzoek ter beantwoording van de vraag of een beding onredelijk bezwarend is in de zin van art. 6:233, aanhef en onder a, BW. De rechter dient in consumentenzaken bij zijn ambtshalve onderzoek of sprake is van een beding dat onredelijk bezwarend is in de zin van art. 6:233, aanhef en onder a, BW de zwarte en grijze lijst te betrekken. [5]
3.2.2
Indien een beding in algemene voorwaarden op grond van art. 6:237 BW wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn, is het aan de gebruiker van de algemene voorwaarden om dit vermoeden te weerleggen. Welke onderbouwing van de stellingen van de gebruiker in dit verband kan worden gevergd, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en van het partijdebat op dit punt. Voor zover de hiervoor in 3.1 weergegeven klachten tot uitgangspunt nemen dat de gebruiker van algemene voorwaarden met daarin een exoneratiebeding steeds dient te stellen en concreet te onderbouwen dat binnen de tarieven en verzekeringsmogelijkheden van de gebruiker geen ruimte bestaat voor een minder vergaande exoneratie, falen zij derhalve.
3.2.3
Het hof heeft in rov. 6.10-6.15 aan de hand van een aantal omstandigheden (waaronder de aard en inhoud van de overeenkomst, de regulering van tarieven door de ACM, de totstandkoming van de algemene voorwaarden in overleg met onder meer de Consumentenbond, de omstandigheid dat een onbeperkte aansprakelijkheid niet verzekerbaar is en de omstandigheid dat consumenten zich tegen brandschade aan de woning op eenvoudige en betrekkelijk goedkope wijze kunnen verzekeren) geconcludeerd dat de exoneratie in art. 17.4 AV niet onredelijk bezwarend is. Vervolgens heeft het hof in rov. 6.16 overwogen dat “tegenover dit alles” staat dat minder ingrijpende bedingen (wellicht) mogelijk zouden zijn geweest, maar dat de omstandigheid dat een andere keuze mogelijk was geweest onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding, dat het erom gaat of in de concrete omstandigheden van dit geval de keuze voor de onderhavige exoneratie onredelijk bezwarend moet worden geacht, en dat Achmea niet (met stukken) concreet heeft gemaakt dat het huidige bedrag aan schadevergoeding, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk bezwarend moet worden geacht, hetgeen in het licht van het voorgaande wel op haar weg had gelegen.
Deze oordelen van het hof geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn evenmin onvoldoende gemotiveerd, ook niet in het licht van de stellingen waarop onderdeel 1.7 een beroep doet. In die stellingen heeft Achmea slechts in algemene zin, zonder concrete onderbouwing, aangevoerd dat Stedin zich ook met minder vergaande exoneraties zou kunnen verzekeren tegen een redelijke en aanvaardbare premie, dat het bijvoorbeeld mogelijk is dat aansprakelijkheid wordt beperkt tot het bedrag waarvoor een aansprakelijkheidsverzekering wel dekking biedt, dat Stedin voor schade zoals geleden in deze zaak is verzekerd, en dat het voor de hand ligt dat bij het vaststellen van de gemaximeerde tarieven van Stedin rekening is gehouden met de noodzaak om reserves aan te leggen voor eventuele schadevergoedingsvorderingen. Niet onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat deze algemene stellingen niet afdoen aan zijn oordeel dat de exoneratie in art. 17.4 AV gelet op alle omstandigheden van dit geval niet onredelijk bezwarend is te achten. Ook in zoverre falen de hiervoor in 3.1 weergegeven klachten.
3.3
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Achmea in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Stedin begroot op € 8.206,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Achmea deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
23 januari 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Rotterdam 27 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7572.
2.Gerechtshof Den Haag 10 september 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1518.
3.Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, PbEG 1993, L 95/29.
4.HR 4 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1081, rov. 3.1.2; HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198 (Kinderopvang), rov. 3.8.3.
5.HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198 (Kinderopvang), rov. 3.8.3.