Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
4.De beslissing
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 2 bevat een voortbouwklacht en is tegen beide beschikkingen gericht.
zelfvoor de mondelinge behandeling niet heeft plaatsgevonden. Dat de rechtbank uit het verhandelde ter zitting afleidt dat betrokkene weet had van de zitting, is hiervoor onvoldoende dan wel ontoereikend. Door (deels) de zorgmachtiging te verlenen zonder betrokkene te horen, heeft de rechtbank blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zo luidt de rechtsklacht.
Dit brengt mee dat de rechter die van oordeel is dat deze bereidheid ontbrak, dit in zijn beschikking dient vast te stellen en dat hij de gronden dient te vermelden waarop dat oordeel berust. Niet noodzakelijk is evenwel dat de rechter vaststelt dat de betrokkene heeft verklaard voormelde bereidheid te missen. Voldoende is dat dit naar het oordeel van de rechter kan worden afgeleid uit de wijze waarop de betrokkene zich heeft gedragen, in het bijzonder ook bij de door de rechter aangewende pogingen om de betrokkene in zijn woon- of verblijfplaats of telefonisch vanaf de zitting te horen op grond van artikel 6:1 lid 2 Wvggz Pro. [6]
klachten onder a-elenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Deze klachten slagen grotendeels, elk voor zich en in onderlinge samenhang in aanmerking genomen.
onder a.
onder bgeklaagd wordt dat oproeping per e-mail gericht aan het bureau van de geneesheer-directeur van de zorginstelling en aan de (stam)advocaat van betrokkene niet is aan te merken als een deugdelijke oproeping, slaagt deze klacht niet. Ik verwijs hiervoor naar hetgeen ik hiervoor onder 3.11 over de wijze van oproeping heb vermeld.
Een dergelijke oproeping ontslaat de rechtbank echter niet van de verplichting te onderzoeken of betrokkene ook daadwerkelijk bekend was met datum, tijdstip en plaats van de mondelinge behandeling (zie hiervoor onder 3.13). Dat brengt mij op de volgende klachten.
Betrokkene is niet verschenen op de zitting.
onder cterecht geklaagd wordt dat het oordeel dat betrokkene niet bereid was met de rechter te praten onbegrijpelijk is. Dit oordeel steunt immers op de met succes bestreden overweging van de rechtbank dat betrokkene weet had van de zitting, en dat zij desondanks niet verschenen is. Deze overwegingen kunnen het oordeel dat betrokkene niet bereid is zich te doen horen, niet dragen.
onder eook terecht geklaagd dat de rechtbank het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging niet had mogen toewijzen, ook niet voor een korte duur. Aan de uit de wet en vaste rechtspraak voortvloeiende eisen die gelden voor het horen van betrokkene (zie hiervoor onder 3.9-3.14) is in deze zaak immers niet voldaan.
onder f. Deze klacht faalt.
De advocaat heeft het volgende verklaard:
Overigens mist klager belang bij deze klacht, nu de zorgmachtiging niet voor een korte duur verleend had mogen worden in een deelbeschikking (zie hiervoor onder 3.17-3.23), en dus ook niet na een al dan niet gedaan verzoek daartoe van de advocaat.
Aldus miskende de rechtbank dat zij bij uitspraak van 25 februari 2025, het verzoek reeds gedeeltelijk had toegewezen tot verlening van de zorgmachtiging tot en met 18 maart 2025, onder afwijzing van “het meer of anders verzochte”. Daardoor was het verzoek niet meer toewijsbaar, althans niet voor de periode vanaf 25 februari nu de rechtbank hierop reeds, definitief, had geoordeeld en beslist, aldus het subonderdeel.
eerste klachtklaagt dat de rechtbank in de bestreden
eindbeschikking niet meer had mogen beslissen over de resterende duur van de verzochte zorgmachtiging, omdat in de eerdere
deelbeschikking reeds over de gehele verzochte duur van zes maanden zou zijn beslist (toewijzing voor drie weken + afwijzing voor de resterende periode), missen de klachten gelet op het navolgende feitelijke grondslag.
4. De beslissing
tweede klachtgeklaagd wordt dat de rechtbank in de bestreden eindbeschikking ten onrechte en onbegrijpelijk wederom heeft beslist over de periode van 25 februari 2025 tot en met 18 maart 2025, mist ook deze klacht feitelijke grondslag.
Uit het proces-verbaal van deze voortgezette mondelinge behandeling op 14 maart 2025 blijkt echter wel dat zowel de rechtbank als de advocaat van betrokkene bekend zijn met de eerste mondelinge behandeling op 25 februari 2025: [17]
resterendeduur van de zorgmachtiging.