Uitspraak
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
11 december 2020.
Hoge Raad
De officier van justitie verzocht op 6 maart 2020 bij de rechtbank Limburg om een zorgmachtiging voor betrokkene voor zes maanden. Betrokkene werd aangetekend opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 18 maart 2020, maar de brief werd niet bezorgd en betrokkene verscheen niet. De rechter behandelde het verzoek via FaceTime met de advocaat en een behandelend arts, die verklaarde geen contact met betrokkene te hebben.
De rechtbank stelde vast dat betrokkene zich niet liet horen en niet op het bekende adres verbleef, en verleende daarop de zorgmachtiging. Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat zij op de hoogte was van de zitting, terwijl de hoorplicht onder art. 6:1 lid 1 Wvggz Pro vereist dat de rechter eerst vaststelt dat betrokkene niet in staat of bereid is zich te doen horen.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank onjuist had geoordeeld door niet nader te onderzoeken of betrokkene daadwerkelijk op de hoogte was van de zitting, vooral omdat de aangetekende oproeping niet was afgehaald en de advocaat verklaarde dat het laatste contact drie weken eerder was. De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling wegens schending van de hoorplicht.