Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
5 april 2024.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de officier van justitie een zorgmachtiging verzocht voor betrokkene voor zes maanden. Tijdens de mondelinge behandeling op 30 augustus 2023 was betrokkene niet aanwezig; haar advocaat gaf aan dat betrokkene eerst fysiek onderzocht wilde worden door een onafhankelijk psychiater en tijd nodig had om zich voor te bereiden. De rechtbank verleende de zorgmachtiging en oordeelde dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen, mede gelet op het feit dat betrokkene afspraken met de onafhankelijk psychiater niet nakwam.
Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte niet de gronden had vermeld waarop het oordeel was gebaseerd dat zij niet bereid was zich te doen horen, zoals vereist door artikel 6:1 lid 1 Wvggz Pro. De Hoge Raad bevestigde dat de rechter dit oordeel moet motiveren, waarbij het niet noodzakelijk is dat betrokkene expliciet verklaart niet bereid te zijn, maar dat dit ook uit haar gedrag kan worden afgeleid.
De Hoge Raad constateerde dat de rechtbank in haar beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij tot dat oordeel kwam. Daarom vernietigde de Hoge Raad de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank Noord-Holland voor verdere behandeling en beslissing. De overige klachten werden niet behandeld.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens ontoereikende motivering en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.