ECLI:NL:PHR:2026:236

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
23/02396
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 SrArt. 6:106 BWArt. 81 lid 1 ROArt. 361 lid 4 Sv
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verminderde toerekeningsvatbaarheid bij poging doodslag onder invloed van LSD met schadevergoeding

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens poging tot doodslag na meer dan dertig keer steken met een mes tijdens een psychose veroorzaakt door LSD- en cannabisgebruik. De verdachte voerde in cassatie aan dat hij ontoerekeningsvatbaar was vanwege de psychose, maar het hof oordeelde dat hij verminderd toerekeningsvatbaar was omdat hij bewust LSD had gebruikt en het agressieve gedrag voorzienbaar was.

De Hoge Raad bevestigde dat het hof het verweer van ontoerekeningsvatbaarheid terecht had verworpen, mede gelet op jurisprudentie over culpa in causa bij vrijwillig middelengebruik. Daarnaast werd de immateriële schadevergoeding van €25.000 aan het slachtoffer toegewezen, terwijl de vordering wegens economische kwetsbaarheid niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege de onevenredige belasting van het strafgeding.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende had gemotiveerd waarom het feit verminderd toerekeningsvatbaar was en dat het oordeel over de schadevergoeding niet onbegrijpelijk was. Wel werd de redelijke termijn overschreden, wat leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. De overige middelen werden verworpen.

Uitkomst: Veroordeling poging doodslag met vermindering gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding en toewijzing immateriële schadevergoeding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02396
Zitting17 maart 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 15 juni 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-002692-21) wegens "poging tot doodslag", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast en daarbij voorwaarden gesteld. Verder heeft het hof een beslissing genomen over de vordering van de benadeelde partij en de verdachte in dat verband een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij is daarop door N.J. van Nierop, advocaat in Amsterdam, gereageerd met een verweerschrift. Ook is namens de benadeelde partij een schriftuur ingediend met daarin één middel.
1.3
Het eerste middel van de verdachte is gericht op de verwerping van een verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens ontoerekenbaarheid. Het tweede middel ziet op de toegekende immateriële schadevergoeding aan de benadeelde partij. Het middel van de benadeelde partij klaagt dat de beslissing (tot niet-ontvankelijkheid) ter zake de gevorderde schade vanwege ‘economische kwetsbaarheid’ van de benadeelde partij niet met redenen is omkleed.

2.De zaak

2.1
In de nacht van 2 op 3 augustus 2020 heeft de verdachte samen met het slachtoffer cannabis en LSD gebruikt. Ze hadden die avond een discussie over pedofilie waarna de verdachte boos is geworden. Op enig moment zijn ze samen naar het bos gefietst om naar de volle maan te gaan kijken. Daar heeft de verdachte het slachtoffer meer dan 30 keer met een mes gestoken. Vervolgens heeft hij hem daar achtergelaten. Het slachtoffer heeft het delict overleefd en is op 3 augustus rond 07.00 uur door een voorbijkomende fietser op een bospad aangetroffen. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Het voorgaande staat in cassatie niet ter discussie. Wel wordt betwist dat dit aan de verdachte kan worden toegerekend. Deskundigen hebben gerapporteerd dat de verdachte ten tijde van het delict in een psychose verkeerde die was veroorzaakt door het gebruik van LSD en cannabis. De verdediging heeft bepleit dat het feit de verdachte daarom in het geheel niet kan worden toegerekend en dat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof is daaraan voorbijgegaan en heeft geoordeeld dat het feit de verdachte (verminderd) kan worden toegerekend.

3.De bewezenverklaring

3.1
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:
“hij op 3 augustus 2020 te [plaats] , in de gemeente [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] , opzettelijk, van het leven te beroven, voornoemde [slachtoffer] meermalen met een mes tegen en in
- het gezicht,
- het hoofd,
- de nek,
- de oren,
- de rug en
- de armen,
heeft gestoken en geprikt en vervolgens met ernstige verwondingen en bloedend, tijdens de nachtelijke uren, heeft achtergelaten op een verlaten en weinig bezochte plaats in het bos, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

4.Het eerste middel dat namens de verdachte is voorgesteld

Het middel

4.1
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof het verweer van de verdediging strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens ontoerekenbaarheid heeft verworpen op gronden die blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. In de toelichting wordt daartoe aangedragen dat uit het arrest niet blijkt aan de hand van welke maatstaf uit HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295, het hof het gevoerde verweer heeft beoordeeld. Reeds daarom zou het oordeel van het hof al getuigen van een onjuiste rechtsopvatting althans ontoereikend gemotiveerd zijn. Verder had het hof in het licht van het gevoerde verweer nader moeten motiveren welke feitelijke vaststellingen het precies ontleende aan de rapporten van de deskundigen en waarom het daar het juridische oordeel van verminderde toerekeningsvatbaarheid, in plaats van volledige ontoerekeningsvatbaarheid, aan verbindt. Door zonder nadere motivering de conclusies van de deskundigen over te nemen, is de verwerping van het verweer niet met voldoende redenen omkleed. Tot slot wordt nog geklaagd over het kennelijke oordeel van het hof dat sprake is van culpa in causa, dat volgens de verdediging nader had moeten gemotiveerd.
4.2
Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof als volgt overwogen:
“Op 23 november 2022 is door drs. [deskundige 1] , arts in opleiding tot psychiater en prof. dr. [deskundige 2] , psychiater-klinisch farmacoloog, een Pro Justitia-rapport uitgebracht naar aanleiding van een psychiatrisch onderzoek van verdachte.
De psychiater en de arts in opleiding stellen dat verdachte bekend is met een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis, met trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en trekken van een borderline persoonlijkheidsstoornis, en van een stoornis in het gebruik van cannabis Ten tijde van het ten laste gelegde lijkt volgens de deskundigen sprake te zijn geweest van een psychose door een middel (voorafgaande aan de psychose was er sprake van gebruik van LSD en cannabis), zowel op basis van anamnese als op basis van hetero anamnestische in formatie.
Geadviseerd wordt in de rapportage om verdachte (mits het tenlastegelegde wordt bewezen) verminderd toerekeningsvatbaar te achten.
Op 21 september 2022 is door drs. [deskundige 3] , GZ-psycholoog, een Pro Justitia-rapport uitgebracht naar aanleiding van een psychologisch onderzoek van verdachte. De psycholoog stelt dat verdachte vanuit de andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline- trekken en antisociale trekken niet goed in staat is om negatieve gevoelens te reguleren en dat de copingsvaardigheden van verdachte tekortschieten. Er is sprake van verslavingsgevoeligheid die verweven is met kwetsbaarheden in de persoonlijkheid, waarbij verdachte geneigd is om bij oplopende negatieve emoties zijn toevlucht te nemen tot middelengebruik en hij ook kwetsbaar is voor de beïnvloeding van anderen op dit gebied. In deze zaak liet betrokkene zich overhalen om LSD te gebruiken waarna er een psychotisch toestandsbeeld ontstond. Hoewel er geen zicht is gekomen op de motieven van betrokkene omdat hij aangeeft zich niets te kunnen herinneren van het tenlastegelegde, acht onderzoekster het zeer waarschijnlijk dat de psychotische belevingen van sterke invloed zijn geweest op betrokkene ten tijde van het tenlastegelegde waarbij zijn agressieve gedrag zeer waarschijnlijk sterk gestuurd werd door wanen (aangever is een demon, een pedofiel) en hallucinaties en waarbij de realiteitstoetsing verstoord was. De psycholoog adviseert in de rapportage om verdachte het hem tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.
Het hof neemt de conclusies en het advies van de deskundigen ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte over en overweegt daarbij nog het volgende.
Verdachte heeft samen met het slachtoffer bewust LSD gebruikt terwijl hij op de hoogte was van het psychedelische effect daarvan. Hij heeft een discussie gehad met het slachtoffer over pedofilie waarbij verdachte zich heeft opgewonden en boos werd. Vervolgens zijn verdachte en het slachtoffer naar het bos gegaan, waarbij verdachte een mes heeft meegenomen. Gelet op al deze omstandigheden - waaronder in het bijzonder de omstandigheid dat verdachte zichzelf welbewust in een toestand heeft gebracht waarin hij ging hallucineren -, is het hof van oordeel dat voor verdachte voorzienbaar was dat hij agressief zou kunnen reageren.
Nu het hof tot het oordeel komt dat verdachte verminderd ontoerekeningsvatbaar maar dus niet volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht, kan verdachte als strafbare pleger worden aangemerkt. Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.”
4.3
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 1 juni 2023 blijkt dat de raadsman van de verdachte gepleit heeft overeenkomstig zijn pleitnota. In de toelichting uit het middel wordt het volgende onderdeel daaruit geciteerd:

Toerekenbaarheid
Wanneer u meent dat er geen sprake is van noodweer en voor zover u niet vrijspreekt, volgt een veel complexere afweging. Namelijk in hoeverre kan aan verdachte een verwijt worden gemaakt van zijn handelen. Want ook als er geen sprake was van een aanval van aangever, dan nog verkeerde [verdachte] kennelijk in de veronderstelling dat dat wel zo was. De vraag is alleen waarom hij dat dacht. Ik heb deze vraag geschaard onder overmacht en niet onder het beroep op noodweer omdat ik geen informatie heb die kan onderbouwen dat [verdachte] - ook als hij geen middelen had gebruikt - in de veronderstelling zou zijn geweest dat hij daadwerkelijk werd aangevallen. Mocht u van mening zijn dat die situatie zich wel voordeed dan verzoek ik u om die reden te ontslaan van rechtsvervolging.
Volgens artikel 39 van Pro het Wetboek van Strafrecht is niet strafbaar degene die een feit begaat dat hem wegens een psychische stoornis niet kan worden toegerekend. In dit geval is het duidelijk dat sprake was van een (door middelen geïnduceerde) psychose. Hierover verschillen (destijds) [deskundige 4] en nu nog [deskundige 3] en [deskundige 2] nier van mening. In welke mate een feit nu kan worden toegerekend aan een verdachte is nog steeds uitsluitend en bij uitstek voorbehouden aan de rechter en niet de deskundige. Ik meen dat u in dit geval zou moeten oordelen dat het feit aan cliënt in het geheel niet kan worden toegerekend.
Ik baseer mij daarbij allereerst op het gegeven dat, zoals gezegd, door het gebruik van LSD sprake was van een stoornis zoals hiervoor al besproken. Vervolgens is van belang dat met name [deskundige 2] uitlegt dat in het algemeen - ik parafraseer enigszins - een geschiedenis van psychedelica-gebruik gerelateerd lijkt met een verminderd risico op crimineel gedrag en dat er geen eenduidige conclusie te trekken valt op het al dan niet verhoogde risico op geweld onder invloed van LSD. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft [deskundige 2] letterlijk verklaard: "Naar mijn idee is wat hier gebeurd is grote pech. Dit was niet te voorzien.” (In het pv staat ‘doorzien’ maar dat is naar mijn mening een duidelijke verschrijving van de griffier.) In dit kader moet er toch ook op gewezen worden dat aangever zelf al microdoserend en dus zelfs onder constante lichte invloed van LSD naar [verdachte] toe was gefietst, ruime ervaring had op het gebied van het gebruik van LSD. Dat laatste blijkt ook wel uit het feit dat hij het in meerdere vormen (druppels, envelopjes) bij zich had en ook in sterkere vormen dan cliënt het kreeg voorgeschoteld. Ondanks al zijn ervaring zal ook hij geen enkel gevaar hebben gezien in het gebruik van LSD. Dan had hij het [verdachte] natuurlijk nooit hebben overgehaald om het te gebruiken. Uit de verklaring van [betrokkene 1] blijkt ook wel waarom [verdachte] juist een heel positief effect verwachtte van het gebruik van LSD. “Als hij drugs op heeft, dan is hij zo lief. Die doet geen kwaad. Dan is hij een Engel.”, zo verklaarde zij.
“Betrokkene was ervan op de hoogte dat er psychotisch-achtige fenomenen konden ontstaan bij het gebruik van LSD. De inhoud van deze fenomenen en de invloed hiervan op zijn gedrag had hij echter - met de kennis die hij over het middel had en de informatie die hem door aangever werd verschaft - redelijkerwijs niet kunnen overzien. Sterker nog, op grond van zijn eerdere ervaring met bewustzijn veranderende middelen en door wat aangever vanuit zijn ruime ervaring had verteld, ging betrokkene ervan uit dat LSD een positieve, kalmerende uitwerking zou hebben.”, zo schrijft [deskundige 2] in zijn eerste rapport. Gelet op de deskundigheid van [deskundige 2] , kan zonder meer worden aangenomen dat dus niet zomaar te verwachten viel dat dit excessieve geweld waarover we het nu hebben was te voorzien en dat [verdachte] dit niet kon voorzien. Uit het dossier blijkt op vele manieren dat bovendien het gebruik juist was om rust te vinden en daarmee het tegengestelde werd beoogd. Reeds daarom meen ik dat er geen doorkruising van een beroep op artikel 39 van Pro het Wetboek van Strafrecht kan plaatsvinden met een culpa in causa redenering.
Bovendien was de specifieke uitwerking van het middel op [verdachte] niet alleen niet te voorzien, de reden dat de deskundigen hem verminderd toerekeningsvatbaar achten, is bovendien omdat hij onder invloed van zijn persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale trekken en - in elk geval volgens [deskundige 4] - ook vanwege een door vroegere mishandeling getraumatiseerde persoonlijkheid, kwetsbaar en verslavingsgevoelig en beïnvloedbaar is en niet volledig zijn wil kon bepalen om de hem aangeboden LSD te wegeren en daarmee een psychose - die zoals gezegd dus niet door hem kon worden voorzien - te voorkomen.
Of er sprake is van culpa in causa, is een vraag die u als rechters moet beantwoorden en dus niet een vraag voor deskundigen. Omdat de uitwerking van LSD niet werd voorzien, maar ook niet was te voorzien, rechtvaardigt dat alleen al een beroep op artikel 39 van Pro het Wetboek van Strafrecht, dus ook als er geen andere stoornissen een rol zouden hebben gespeeld. Ook prof. mr. [deskundige 5] schrijft dat wanneer wel sprake is van vrijwillige intoxicatie, maar het concrete gevolg niet kon en moest worden voorzien, waarbij gedacht kan worden aan het gebruik van alcohol, drugs of medicijnen die leiden tot een exceptionele en onverwachte reactie, niet mag worden uitgesloten dat daar gevallen onder zijn van psychische afwijkingen' ten tijde van het begaan van het delict die rubriceerbaar geacht moeten worden onder de bescherming van artikel 39 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Wanneer er wordt aangenomen dat deze gewelddadige ontregeling/psychose niet was te voorzien, is er geen sprake van culpa in causa en is van belang dat [deskundige 2] ter zitting in eerste aanleg de volgende dingen heeft gezegd over een dergelijke psychose: "In een psychose raak je de realiteitstoetsing kwijt. Hiermee bedoel ik dat iemand ongecontroleerde gedachten krijgt en deze gedachten als realiteit worden ervaren. (...) Bij het gebruik van LSD heb je geen grip meer op je gedachtegang. Deze kan dan dus een eigen leven gaan leiden. (...) Controleverlies is in beginsel ook het doel bij het gebruik van LSD. Meestal is de hoop dat dit controleverlies dan wordt ingevuld door een positieve ervaring. Bij het gebruik van LSD raak je de controle volledig kwijt. Je gedachtenvorming en de interpretatie van je waarnemingen worden aangetast.”
Voorop staat echter dat het tenlastegelegde gedrag niet te voorzien was als gevolg van het middelengebruik (meer specifiek LSD en cannabis) en dat in de ontstane psychose er sprake was van een verdachte die van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen was verstoken, hetgeen hem door die onvoorzienbaarheid niet valt aan te rekenen. Ik verzoek u hem daarom te ontslaan van rechtsvervolging.”
Het beoordelingskader
4.4
Art. 39 Sr Pro luidt als volgt:
“Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend.”
4.5
Bij een beroep op art. 39 Sr Pro beoordeelt de rechter of er bij de verdachte ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake was van, kort gezegd, een psychische stoornis, of er een causaal verband bestaat tussen die stoornis en het strafbare feit en of het feit, gelet op die twee voorgaande omstandigheden en gelet op alle overige omstandigheden van het geval, aan de verdachte kan worden toegerekend. [1]
4.6
In het arrest waarnaar de stellers van het middels verwijzen, HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295,
NJ20234/150 m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen ( [naam] ), heeft de Hoge Raad met betrekking tot ontoerekeningsvatbaarheid voor zover hier relevant het volgende geoordeeld:
“5.4.1 Het is aan de feitenrechter om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde feit een psychische stoornis als bedoeld in artikel 37a Sr en artikel 39 Sr Pro bestond. De rechter heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door deskundigen uitgebrachte adviezen. De vaststelling dat sprake is van zo’n psychische stoornis, is van feitelijke aard en kan in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid worden getoetst. (Vgl. over artikel 37a Sr HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1311.)
(…).
5.5
De feitenrechter kan op grond van artikel 39 Sr Pro beslissen dat het tenlastegelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis als bedoeld in deze bepaling en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit.
5.6
Gedragingen van de verdachte die aan het optreden van de in artikel 39 Sr Pro bedoelde stoornis zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het oordeel dat het tenlastegelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend in de zin van deze bepaling, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn als het optreden van de stoornis aan de verdachte zelf te wijten is geweest omdat hij verdovende middelen heeft gebruikt. (Vgl. HR 9 juni 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC0902 en HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3797.)”
4.7
Rechtsoverweging 5.6 van bovenstaand arrest handelt over
culpa in causa, wat betekent dat de verdachte eigen schuld heeft aan de oorzaak (van de aangevoerde exceptionele situatie). Wanneer een verdachte verwijtbaar in een toestand terechtkomt die in beginsel tot strafuitsluiting zou kunnen leiden, dan kan de rechter er om die reden voor kiezen het feit toch aan de verdachte toe te rekenen. Binnen het bestek van art. 39 Sr Pro zijn met name situaties relevant waarin de verdachte een strafbaar feit heeft gepleegd onder invloed van drugs of alcohol. Ter illustratie bespreek ik hieronder een viertal arresten waarin de Hoge Raad zich uitliet over zaken waarin zich dergelijke
culpa in causa-kwesties voordeden.
4.8
Een belangrijke zaak waarin de Hoge Raad oordeelde over
culpa in causawas HR 9 juni 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC0902,
NJ1981/412 m.nt. Th.W. van Veen. Het ging hierin over een kleinzoon die zijn grootmoeder doodstak terwijl hij, als gevolg van het gebruik van de (toen nog niet heel bekende) drug cocaïne, in een paranoïde psychose verkeerde. Het hof stelde onder meer vast dat de verdachte al eerder na gebruik van cocaïne achtervolgingswanen en hallucinaties had gehad, dat het een feit van algemene bekendheid is dat cocaïne gevaarlijk is en dat cocaïne de wil en het normbesef kan beïnvloeden en oordeelde vervolgens dat de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens aan hemzelf te wijten was, zodat de in die toestand begane delicten aan hem konden worden toegerekend. De Hoge Raad oordeelde dat het hof met juistheid beslissend had geoordeeld
of de verdachte “verwijtbaar” is komen te verkeren in de toestand van ziekelijke storing van zijn geestvermogensen achtte – op grond van de door het hof vastgestelde omstandigheden – de verwerping van het beroep op niet-toerekening niet onbegrijpelijk.
4.9
In HR 14 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3226 had de verdachte die een beroep deed op art. 39 Sr Pro zijn vrouw zwaar mishandeld. Vlak daarvoor had hij in een korte periode grote hoeveelheden alcohol gedronken en medicijnen ingenomen waarvan hij wist dat die niet met alcohol gecombineerd mochten worden. Het verweer werd gevoerd dat het gevolg (een impulsdoorbraak) van deze vrijwillige intoxicatie voor hem redelijkerwijs niet te voorzien was. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat de verdachte zich
vrijwillig in de betreffende toestand had gebrachten dat het verweer daarom moest worden verworpen geen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk.
4.1
De Hoge Raad kwam in HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3797,
NJ2008/263 m.nt. N. Keijzer, tot een vergelijkbaar oordeel met betrekking tot een verdachte waarbij sprake zou zijn geweest van een acute psychose als gevolg van het gebruik van cannabis. De Hoge Raad oordeelde dat de stelling dat de feiten slechts dan aan de verdachte zouden kunnen worden toegerekend als hij zou hebben geweten dat hij door het gebruik van cannabis de controle over zijn handelen zou verliezen en dat het concrete gevolg daarvan – het plegen van de strafbare feiten – redelijkerwijs voorzienbaar moest zijn geweest, geen steun vindt in het recht. [2] Het hof in die zaak had onder meer vastgesteld dat een psychotische toestand geen algemene bekend of vaak gezien gevolg is van cannabisgebruik, maar overwoog vervolgens dat de verdachte – als regelmatige gebruiker – kon weten dat het gebruik daarvan niet geheel ontbloot is van enig risico althans dat dit middel zijn functioneren zodanig kon beïnvloeden dat daaruit riskant gedrag zou kunnen ontstaan, hetgeen hij kennelijk op de koop toe heeft genomen. Het oordeel dat de door de verdachte gepleegde feiten aan hem konden worden toegerekend, omdat de opgetreden psychose
aan hem zelf te wijten is geweest, werd door de Hoge Raad in stand gelaten.
4.11
Tot slot vermeld ik nog HR 5 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:296. De verdachte in die zaak had tegelijkertijd citalopram, propranolol, alcohol en cannabis gebruikt en geraakte daardoor in een kortdurende manisch psychotische ontremming. Volgens het hof wist de verdachte niet dat de combinatie van alcohol en propranolol tot agressie kon leiden, maar wist hij wel dat citalopram en propranolol een ontremmende werking hadden. De keuze om deze middelen ‘te stapelen’, terwijl hij niet wist wat het effect was van de combinatie met alcohol, was hem naar het oordeel van het hof
toe te rekenenzodat hij ten dele verantwoordelijk gehouden kon worden voor de door hem gepleegde feiten. Ook dit oordeel bleef in cassatie overeind.
4.12
Uit deze jurisprudentie kan worden opgemaakt dat het beoordelingsmoment voor de vraag of een na zelfintoxicatie gepleegd strafbaar feit de verdachte kan worden toegerekend, als het ware naar voren wordt geschoven. De Hoge Raad expliciteert niet welk criterium gehanteerd moet worden bij de vraag naar het verband tussen de intoxicatie en het strafbare feit. [3] Wel is duidelijk dat niet is vereist dat de verdachte wetenschap had van het mogelijke effect van de verdovende middelen. Evenmin is vereist dat het voor de verdachte voorzienbaar moet zijn geweest dat het gebruik van verdovende middelen tot het gepleegde feit kon leiden. Van (voorwaardelijk) opzet op het plegen van het strafbare feit hoeft dus ook geen sprake te zijn geweest. Uit de besproken jurisprudentie kan wel als vereiste worden afgeleid dat de verdachte zich ‘vrijwillig’ in de betreffende toestand heeft gebracht, dan wel dat het ‘verwijtbaar’ is dat hij daarin is komen te verkeren. Bij het vrijwillige gebruik van drugs, medicijnen of alcohol lijkt het erop dat de gebruiker zich op de hoogte dient te stellen van de mogelijke risico’s daarvan en dat die risico’s, als zij zich verwezenlijken, in beginsel voor eigen rekening komen.
De bespreking van het middel
4.13
Met de stellers van het middel ben ik van oordeel dat, alhoewel het hof het verweer zoals opgenomen onder 4.3 in zijn arrest niet als zodanig heeft benoemd en ook niet met zoveel woorden aangeeft dat het op een verweer respondeert, het niet anders kan zijn dan dat het hof zijn overwegingen over de toerekenbaarheid onder meer naar aanleiding van dat verweer heeft gedaan.
4.14
In de toelichting op het middel wordt onder verwijzing naar meergenoemd van arrest van 17 oktober 2023 [4] in de eerste plaats geklaagd dat niet blijkt aan de hand van welke maatstaf het hof het verweer heeft beoordeeld. Ik moet bekennen dat mij niet helemaal duidelijk is wat de stellers van het middel hiermee bedoelen. Het hof heeft – zoals hierna verder aan de orde komt – vastgesteld dat sprake was van een stoornis, dat sprake was van een causaal verband tussen die stoornis en het strafbare feit, maar dat het feit wel (in verminderde mate) aan de verdachte kan worden toegerekend. Dat past mijns inziens binnen het (na het arrest van het hof) geformuleerde beoordelingskader van de Hoge Raad. Voor zover de stellers van het middel bedoelen dat het hof had moeten expliciteren of sprake van een volitieve of cognitieve stoornis, stellen zij mijns inziens een eis die het recht niet kent.
4.15
Uit de overwegingen van het hof blijkt dat het de conclusies van de deskundigen heeft overgenomen, onder meer voor zover deze inhielden dat:
(i) ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit sprake was van een psychose;
(ii) die psychose toen van sterke invloed is geweest op de verdachte;
(iii) die psychose het gevolg was van het gebruik van cannabis en LSD.
4.16
Mijns inziens blijkt hieruit toereikend welke feitelijke vaststellingen het hof heeft ontleend aan de rapporten van de deskundigen, zodat het middel in zoverre faalt.
4.17
Het hof motiveert zijn oordeel dat het feit de verdachte verminderd moet worden toegerekend vervolgens nader door in te gaan op de omstandigheden die voorafgingen aan dat feit. In dat verband stelt het hof vast dat de verdachte thuis welbewust LSD heeft genomen terwijl hij op de hoogte was van het psychedelische effect ervan en dat de verdachte – na een discussie waardoor hij boos werd – met het slachtoffer naar het bos is gegaan en toen een mes heeft meegenomen. Vanwege die omstandigheden, waarbij het hof in het bijzonder wijst op de omstandigheid dat de verdachte zichzelf in een toestand bracht waarin hij ging hallucineren, kan het feit de verdachte deels worden toegerekend.
4.18
Het verweer van de verdediging waarin wordt bepleit dat het feit de verdachte in het geheel niet toegerekend kan worden, mede omdat van
culpa in causain deze zaak geen sprake zou zijn, wordt daarmee verworpen. Gelet op de vaststelling dat de verdachte welbewust LSD heeft genomen terwijl hij wist van het psychedelische effect acht ik dat niet onbegrijpelijk en – in het licht van wat is aangevoerd – toereikend gemotiveerd.
4.19
Het eerste middel dat namens de verdachte is voorgesteld faalt.
De middelen over de vordering van de benadeelde partij
Het middel dat namens de verdachte is voorgesteld
5.
5.1
Met het tweede middel wordt opgekomen tegen de beslissing van het hof omtrent de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat de beslissing van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat die beslissing zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, omdat uit de overwegingen van het hof niet kan worden afgeleid op welke van de in art. 6:106 BW Pro vermelde gronden de vordering en toewijzing is gebaseerd. In de tweede plaats bevat de toelichting de klacht dat het hof in weerwil van een daartoe strekkend verweer geen oordeel heeft gegeven over de mate van verwijtbaarheid die de benadeelde partij zelf treft bij het ontstaan van de schade.
Het middel dat namens de benadeelde partij is voorgesteld
5.2
De benadeelde partij klaagt dat de beslissing van het hof over de gevorderde schadevergoeding wegens ‘economische kwetsbaarheid’ in strijd is met art. 361 lid 4 Sv Pro. Het hof heeft de vordering op dit punt niet-ontvankelijk verklaard omdat deze een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Hiermee kon het hof volgens de benadeelde partij niet volstaan omdat het gegeven dat een vordering complex is of enkel schattenderwijs kan worden vastgesteld geen reden is om een vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Gelet hierop en op het feit dat de vordering door de verdediging op dit punt niet is betwist, zodat uitgegaan moet worden van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten, had het hof nader moeten motiveren waarom het tot zijn oordeel is gekomen.
De relevante stukken en de overwegingen van het hof
5.3
Bij de stukken bevindt zich een formulier ‘Verzoek tot schadevergoeding’ van 7 mei 2021, dat voor zover relevant inhoudt:
“3. Strafbaar feit
Hoe is uw schade ontstaan?
Poging doodslag 3 augustus 2020 te [plaats] en/of [plaats] , in de gemeente [plaats]
4A Materiële schade
Omschrijving materiële schade
(…)
F. Schade wegens economische kwetsbaarheid
Bedrag 5.000,00
(…)
4B Immateriële schade
Omschrijving immateriële schade
Immateriële schade
Totaal immateriële schade € 35.000,00”
5.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2023 houdt onder meer in (ik citeer de in de schriftuur aangehaalde onderdelen en de reactie die de raadsman van de benadeelde partij daarop ter terechtzitting heeft gegeven):
“De raadsman deelt voorts mede, zakelijk weergegeven:
(…).
Voor wat betreft de immateriële schade merk ik op dat de LSD door het slachtoffer zelf is meegenomen.
Mr. Van Nierop deelt mede, zakelijk weergegeven:
Ik kan de redenering van de raadsman met betrekking tot de eigen schuld van het slachtoffer omdat hij de LSD meebracht niet volgen. Er is sprake van 25 messteken. Het verwijt dat mijn cliënt wordt gemaakt, te weten het meenemen van LSD, staat daarmee in geen verhouding. Het feit komt 100% voor rekening van verdachte. (…).
De raadsman deelt mede, zakelijk weergegeven:
Ik acht het niet redelijk om in het geheel geen rekening e houden met de eigen schuld van het slachtoffer.
Ik kan ook niet nagaan of het slachtoffer een dag in zijn leven gewerkt heeft.”
5.5
Verder heeft de raadsman van de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade en tot vergoeding van schade wegens economische kwetsbaarheid ter terechtzitting in hoger beroep van 1 juni 2023 als volgt toegelicht (met weglating van voetnoten):

F. Schade wegens economische kwetsbaarheid
69. Onder F wordt € 5.000,-- gevorderd wegens economische kwetsbaarheid.
70. Door het ten laste gelegde feit en de daaruit volgende beperkingen is cliënt economisch kwetsbaar geworden in de zin van de Richtlijn Economische Kwetsbaarheid.
71. De letselschaderaad heeft economische kwetsbaarheid in de Richtlijn Economische Kwetsbaarheid als volgt gedefinieerd:
"Van verhoogde economische kwetsbaarheid is sprake indien in de toekomst door een economisch feit - zoals bijvoorbeeld een ontslag als gevolg van een reorganisatie of een faillissement - een periode van werkloosheid kan intreden die langer duurt dan 'normaal' door de door het ongeval ontstane beperkte mogelijkheden. Met een vergoeding voor verhoogde economische kwetsbaarheid wordt deze langere periode van (gedeeltelijke) werkloosheid financieel gecompenseerd."
72. Het element 'in de toekomst' in deze definitie ziet op de periode nadat het schadebrengende feit, in dit geval het ten laste gelegde feit, zich heeft voorgedaan. De enkele omstandigheid dat cliënt reeds voor het schadebrengende feit geen betaalde baan had, staat aan toepasselijkheid van deze Richtlijn niet in de weg (zie ECLI:NL:RBOVE:2015:4490).
73. De vraag die beantwoord moet worden is of het functieverlies van de handen het cliënt moeilijker maakt/heeft gemaakt om na het schadebrengende feit een voor hem passende baan te vinden dan het geval geweest zou zijn indien hij geen functieverlies had gehad.
74. Hiervan is sprake. De fysiotherapeuten [deskundige 6] en [deskundige 7] verklaren hierover als volgt:
[slachtoffer] heeft op dit moment geen werk. Hobby's zijn fotograferen, tatoeëren, tekenen en yoga. Deze hobby's zijn op dit moment zeer beperkt en/of niet mogelijk. Voor het fotograferen mist hij de mobiliteit en de kracht in de handen, voor het tatoeëren mist hij de coördinatie en stabiliteit die daarbij vereist worden.
75. Arts [deskundige 8] verklaart hierover:
Werk: is artiest (tekenen, kalligraferen, tattoo-artist). Kan nu niet meer werken.
76. Medisch adviseur [deskundige 9] verklaart het volgende:
Op de middellange en langetermijn verwacht ik dat cliënt hulp nodig blijft hebben ten aanzien van zijn lichamelijk functioneren.
77. In het verleden heeft cliënt inkomsten gegenereerd met het plaatsen van tatoeages. Dat is niet meer mogelijk. Cliënt is kunstenaar en hij heeft dan ook vooral vaardigheden op dit terrein.
78. Ik verwijs naar de ingebrachte foto's van cliënts werk (productie E).
79. Uit de vaststelling van de medisch adviseur [deskundige 9] , de behandelend fysiotherapeuten en de revalidatiearts [deskundige 8] kan geconcludeerd worden dat het voor cliënt moeilijker, zo niet onmogelijk, zal worden op dit terrein inkomsten te genereren. Dit wordt ook gesteld in de brief van [deskundige 6] en [deskundige 7] van 26 januari 2022 (productie F):
Doordat hij de ankerhand niet goed kan stabiliseren kan hij zijn werkzaamheden als tatoeëerder niet meer uitvoeren.
80. Gelet hierop en de definitie van de letselschaderaad moet geconcludeerd worden dat cliënt economisch kwetsbaarder is geworden.
81. De schade ter zake wordt geschat op € 5.000,--.
82. In ECLI:NL:GHARL:2018:7949 stelt het hof Arnhem-Leeuwarden hierover:
In het onderhavige geval heelt de post 'economische kwetsbaarheid' betrekking op een mogelijk ('verhoogd risico op) verlies van arbeidsvermogen in de toekomst vanwege een mogelijke verergering van de ongevalsklachten, zodat de goede en kwade kansen in de toekomst - zoals de kans op arbeidsongeschiktheid door een mogelijke verergering van de klachten - meegewogen dienen te worden bij de vaststelling van een vergoeding wegens verlies van arbeidsvermogen. Hierbij komt het aan op een redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen.
Dit alles in ogenschouw nemend, acht het hof het, gelet op zowel de uit voormelde stukken blijkende herstelprognoses, maar ook gelet op de door [BJ in november 2014 nog steeds ondervonden grinding scapula-klachten, waarvoor geen andere oorzaak is aan te wijzen anders dan het ongeval, ook al is medisch gesproken een causaliteit niet vast te stellen, redelijk een bedrag ter compensatie van 'economische kwetsbaarheid' toe te kennen ter grootte van € 5.000,00. Daarbij betrekt het hof de leeftijd van [B] (geboren [in 1974) ten tijde van het ongeval en het feit dat hij als zelfstandig ondernemer werkzaam is als musicus en geluidstechnicus en "hij voor zijn broodwinning aangewezen is op een ook goed functionerende linkerarm.".
83. Ofschoon de aard van de klachten verschilt van die van cliënt is de omvang vergelijkbaar. Uit het in het arrest gestelde valt mijns inziens de conclusie te trekken dat cliënts klachten ernstiger zijn. In dit licht bezien is het door cliënt ter zake economische kwetsbaarheid gevorderde conservatief geschat.
84. Ik verzoek u deze schadepost integraal toe te wijzen; subsidiair de schade te schatten naar uw inzichten.
85. In het geval u niet het volledige gevorderde bedrag toewijst verzoek ik u de vordering te splitsen in een deel dat kan worden toegewezen en een deel waarvoor nader onderzoek nodig is en om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
86. De rechtbank heeft de schadepost niet ontvankelijk verklaard. Volgens de rechtbank is niet goed vast te stellen in welke mate cliënt door de aanslag economisch kwetsbaarder is geworden.
87. In dit kader wil ik best aannemen dat het schatten van een bedrag dat past bij de toegenomen economische kwetsbaarheid niet eenvoudig is; echter dat is geen reden om als rechter geen beslissing te nemen, ook niet als strafrechter, gelet op de wens van de wetgever dat de strafrechter zoveel als mogelijk in het strafrecht beslist ter zake de schadevergoeding. Zie verder ook de toelichting bij het Amendement Wolfsen/Teeven waarin nadrukkelijk wordt overwogen dat schatten geen onevenredige belasting van het strafgeding met zich meebrengt. Niet ontvankelijk-verklaring is geen uitweg voor moeilijke vragen.
88. Ik verzoek u daarom te doen wat de rechtbank had behoren te doen en dat is via schatting de schade door toegenomen economische kwetsbaarheid vast te stellen. Ik verzoek u in dit kader het gevorderde bedrag toe te wijzen.
89. Zie ook:
(…).
I. Immateriële schade
103. Ter zake immateriële schade is € 35.000,-- gevorderd.
104. Ik verzoek u dit toe te wijzen en op dit onderdeel het vonnis van de rechtbank te bevestigen.
105. Op grond van art. 6:106 BW Pro maakt cliënt voor dit letsel aanspraak op immateriële schadevergoeding.
106. De vordering is toewijsbaar op grond van art. 6:106, lid 1 sub a BW. Op grond hiervan bestaat een recht op vergoeding van immateriële schade in het geval de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen.
107. Uitgaande van de geweldshandelingen van de verdachte kan geen andere conclusie getrokken worden dat de verdachte cliënt beoogde pijn en letsel toe te brengen. Het nadeel ten gevolge hiervan komt voor vergoeding in aanmerking.
108. De vordering is verder toewijsbaar op grond van art. 6:106 lid 1 sub b BW Pro. Op grond hiervan bestaat een recht op vergoeding van immateriële schade in het geval de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, en in het geval er sprake is van zogenoemd ‘ander nadeel’.
109. Uit het strafdossier blijkt dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk cliënt letsel toe te brengen. Op grond van art. 7:106 lid 1 sub a BW Pro is derhalve de verdachte gehouden de door hem veroorzaakte immateriële schade ten gevolge van dit letsel te vergoeden.
110. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de verdachte cliënt lichamelijk letsel heeft toegebracht in de zin van art. 6:106 lid 1 sub b BW Pro.
111. Uitgaande van het rapport van [deskundige 9] bestaat het lichamelijk letsel bestaat uit:
- Breuken in linker- en rechterhand.
- Ernstige functiestoornissen van handen en armen en pijn.
- Breuk aan de onderarm links.
- Schade aan een rugwervel.
112. Medisch adviseur [deskundige 9] vat het letsel als volgt samen:
-
Samenvattend was er dus sprake van verspreid (initieel ogenschijnlijk) oppervlakkige steekwonden in het bovenlichaam (hals, nek, schouder, rug) die echter hebben geleid tot een C2 myelumlesie (met tetraplegie), waarvoor begeleiding en behandeling door neuroloog en revalidatieteam noodzakelijk is. Geen overig diep of ernstig letsel van zenuwen, bloedvaten, pezen of andere vitale structuren. Daarnaast zijn er botbreuken geconstateerd in handen en arm, en een klein botletsel ter plaatse van het os pariëtale rechts (schedelbot). Controle in februari 2021 door de plastisch chirurg toonde dat de handfracturen niet waren geconsolideerd.
113. Voorts heeft cliënt ander nadeel, te weten psychisch letsel ondervonden. Medisch adviseur [deskundige 9] schrijft hierover:
-
Naast de fysieke traumata werd op 16-9-2021 de diagnose PTSS ( DSM 309.81) vastgesteld bij deze al kwetsbare cliënt.
-
Op de korte termijn heeft dit incident verder geleid tot psychische klachten waaronder angsten en nachtmerries, onder meer gevoed door ervaringen uit het verleden. Dit is door de psychiater geduid als PTSS.
-
Het gebeuren en de consequenties die daaruit zijn ontstaan heeft ook grote impact op zijn psychisch welbevinden. Client zit in een actief verliesverwerkingsproces en ervaart angst, als uiting van PTSS. Het is waarschijnlijk dat op de middellange en lange termijn psychische klachten zullen blijven bestaan en/of recidiveren. Hij wordt inmiddels begeleid door de psychiater.
114. Verder wil ik u aandacht vestigen op de verstrekkende gevolgen van het letsel.
115. Wat betreft de lichamelijke gevolgen van het incident zijn de bevindingen van medisch adviseur [deskundige 9] als volgt:
Ad 2. Op de korte termijn hebben deze letsels met name bijgedragen aan pijn en vooral functiebelemmering van handen/ledematen wegens de behandeling die deels uit gips/spalk en deels uit chirurgische interventie heeft bestaan. Op de middellange en lange termijn verwacht ik blijvende uitval door ernstige myelumschade conform de inschatting van de neuroloog,
Ad 3. Ten aanzien van de lichamelijke afwijkingen is de verwachting van zowel de fysiotherapeut en de neuroloog dat permanente uitval waarschijnlijk is. Client heeft ernstig functieverlies van beide handen links meer dan rechts met pijn. Ook is sprake van gevoelsstoornissen onder het nivo van de eerste nekwervel. Daarnaast is sprake van ernstige coordinatiestoornissen links meer dan rechts, krachtsverlies links, en milde mictie- en defecatieproblematiek, naast seksuele stoornissen. Er is sprake van een gestoord beweegpatroon en een verminderde arm en handfunctiewaardoor beperkingen bestaan op het gebied van mobiliteit, persoonlijke verzorging, huishouden, sociaal en maatschappelijk functioneren
Ad 4. Op de korte termijn is cliënt belemmerd in zijn ADL functies/taken wegens pijnklachten en functiebeperkingen door hulpmiddelen van behandeling zoals gipsspalk en status na chirurgische interventie. Op de middellange en lange en termijn verwacht ik ernstige belemmeringen door het opgelopen letsel, waarbij gedurende het eerste jaar na het trauma nog enig herstel te verwachten is.
116. De fysiotherapeuten [deskundige 6] en [deskundige 7] verklaren over het letsel en de gevolgen onder meer als volgt:
a.
Functionaliteit van de beide handen, heel grote beperkingen, aantal voorbeelden zijn: het pakken van de portemonnee uit een broekzak, t-shirt instoppen in de broek, ... is de grip kwijt met de linkerhand, persoonlijke verzorging zoals nagels knippen en zijn baard trimmen lukt niet met de linkerhand.
b.
[slachtoffer] heeft op dit moment geen werk. Hobby's zijn fotograferen, tatoeëren, tekenen en yoga. Deze hobby 's zijn op dit moment zeer beperkt en/of niet mogelijk. Voor het fotograferen mist hij de mobiliteit en de kracht in de handen, voor het tatoeëren mist hij de coördinatie en stabiliteit die daarbij vereist worden. Voor yoga is het niet mogelijk om langdurig op de linkerpol en schouder te steunen. Hij kan zijn handen niet gebruiken voor gebruik van toiletpapier en gaat daardoor na het toilet zichzelf wassen onder de douche.
117. Neuroloog [deskundige 10] stelt dat
-
Permanente uitval zeker is.
118. Revalidatiearts [deskundige 8] verklaart ter zake als volgt:
Conclusie
35jange met traumatische tetraplegie C: AIS D tgv multiple steekwondentrauma met traumatische cervicale myelum aesie thv C2 dd augustus 2020 Patient heeft te maken met sensibiliteitsstoornissen onder laesieniveau en coord natiestoornissen linkerzijde meer dan rechts, krachtsverlies aan linkerzijde en milde neurogene mictie - en defecatieproblematiek en seksuele functiestoornissen Er is sprake van een verstoord beweegpatroon en verminderde arm-handfunctie waardoor patient beperkingen ervaart op gebied van mobiliteit, persoonlijke verzorging huishouden sociaal en maatschappelijk functioneren Patient zit in een actief verliesverwerkingsproces met veel vragen over toekomstig functioneren
119. Ergotherapeut [deskundige 11] verklaart dat
-
dat het beschermend gevoel van de handen is verminderd of op sommige plekken is uitgevallen. Dit maakt het inzetten van de handen bij praktische activiteiten lastig.
120. [deskundige 6] en [deskundige 7] stellen forse beperkingen m.b.t. de hand vast in januari 2022:
Patient is niet in staat adequaat te bewegen. De top-top-proef en topneus proef zijn verstoord. De opgebouwde kracht is zodoende niet toepasbaar in activiteiten en functie. Dit betreft zowel de grove als de fijne motoriek.
121. Vastgesteld moet worden dat het ten laste gelegde feit tot ernstig letsel heeft geleid met permanente functiebeperkingen met betrekking tot essentiële vaardigheden en voorts tot ernstig geestelijk letsel.
122. De verdachte wordt hiervoor aansprakelijk gehouden.
123. De ter zake gevorderde € 35.000,-- is gelet op het letsel, de psychische klachten en de gevolgen op lange termijn passend.
123. Zie in dit verband:
a. Smartengeldgids 2088. Geïndexeerd toegewezen € 21.336,--. Slachtoffer van schietpartij. Bij de toekenning van het smartengeld slaat het hof Amsterdam acht op de volgende omstandigheden: de man heeft wonden op zijn hoofd opgelopen, waaronder een wond aan zijn oor die gehecht moest worden, en in zijn aangezicht. Hij heeft een schotverwonding aan en een breuk in het linkerbovenbeen opgelopen, waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk is geweest en waarbij een pen is geplaatst. .Hij heeft een schotverwonding aan de linkerelleboog opgelopen, waarbij deze verbrijzeld is geraakt en door operatief ingrijpen met behulp van een spalk en 17 schroeven gereconstrueerd moest worden. 3 zenuwen in de linkeronderarm zijn ernstig beschadigd geraakt. Hij heeft geruime tijd zittend of liggend moeten doorbrengen en heeft langdurig moeten revalideren, waaronder door middel van fysiotherapie. Hij kampt nog altijd met evidente krachtsvermindering in zijn linkerarm en -hand. Ter linkerzijde is sprake van een lichte beenverkorting, waardoor hij moeilijker loopt. Zijn linkerbeen en - vooral - zijn linkerarm worden ontsierd door forse littekens. Hij is gediagnostiseerd met een chronische PTSS. Hij lijdt aan slapeloosheid, nachtmerries en concentratieproblemen, kampt met wraakgevoelens en ziet in veel zaken een dreiging of aanval, hetgeen leidt tot oncontroleerbare agressie. Aangenomen moet worden dat hij met genoemde restklachten' zijn verdere leven te kampen zal hebben.
b. Smartengeldgids 2485. Geïndexeerd toegewezen € 30.000,--. Rechtbank Rotterdam overweegt als volgt: Bij de toekenning van het smartengeld overweegt de Rb. dat als gevolg van het ongeval sprake is van functiebeperking van de linker elleboog en de linkerhand. Er zijn beperkingen ten aanzien van zwaar tillen, krachtig trekken en krachtig duwen met de linkerarm en ten aanzien van het verrichten van werkzaamheden waarbij supineren van de linkeronderarm noodzakelijk is. Hij ervaart bij activiteiten in het dagelijks leven geen feitelijke beperkingen. Het is aannemelijk dat hij niet (dan wel beperkt) in staat is bepaalde hobby's te beoefenen, te weten motorrijden, kickboksen, tennis, zaalvoetbal en spinning. Van belang is dat hij ten tijde van het ongeval relatief jong was, 29 jaar.
c. Smartengeldgids 734. Geïndexeerd toegewezen € 26.271. Bepalend voor hof 's- Hertogenbosch is geweest het blijvend ernstige handletsel. Slachtoffer kon zijn hand nauwelijks nog gebruiken, hetgeen consequenties had voor werkmogelijkheden, hobby's, zelfverzorging enz. Slachtoffer was voor dagelijks gebruik vooral op linkerhand aangewezen. Deze zaak betrof eveneens een vluchteling.
d. ECLI:NL:RBAMS:2020:5815. Toegewezen immateriële schadevergoeding van € 25.000,--. Verdachte is slachtoffer aangevallen met een hockeystick. Slachtoffer is veelvuldig op haar hoofd en handen geslagen met als gevolg ernstig permanent letsel aan haar handen.
e. ECLI:NL:GHARL:2019:8428. Toegewezen € 25.000,--. Veroordeling voor poging tot moord op ex-vriendin door onder andere met een mes in het gezicht te snijden. De benadeelde partij heeft blijvend lichamelijk letsel in de vorm van littekens in het aangezicht, beperkingen in lichamelije functies in haar mond opgelopen en er is sprake van geestelijk letsel.
125. In deze zaak heb ik iets meer gevorderd dan in de aangehaalde zaken. Dit in verband met het letsel van cliënt en de verschillende verklaringen van artsen waaruit blijkt dat het om permanent letsel en beperkingen gaat. Dat cliënt door toedoen van de verdachte niet meer in staat is om basale handelingen te verrichten zoals een streep trekken, of in te zetten voor praktische zaken in verband met persoonlijke hygiëne. Ook heeft cliënt een verminderd seksueel gevoel in zijn geslachtsorgaan. Dit wordt niet aangehaald in de aangehaalde zaken. Reden waarom in deze zaak meer is gevorderd, daargelaten dat ook een vergoeding van € 35.000,-- nog niet bij benadering de daadwerkelijke schade zal vergoeden in de zin van dat de toegenomen welvaart opweegt tegen de beperkingen en klachten. Cliënt zal moeten accepteren dat de levenskwaliteit door de verdachte aanzienlijk is afgenomen wat er ook wordt toegewezen aan vergoeding.
126. Zie ook:
a. ECLI:NL:GHARN:2012:BW8654: 35.000,-- immateriële schadevergoeding bij hoofdletsel door met hamer op hoofd te slaan. Arrest maakt geen melding van permanente functiebeperkingen ("wordt nooit meer de oude").
b. ECLI:NL:RBLIM:2023:1695: 35.000,-- immateriële schadevergoeding. Poging doodslag. Meermalen met mes steken. Slachtoffer heeft zodanig letsel opgelopen dat hij nog steeds niet kan werken en afhankelijk is van de zorg van zijn moeder, [slachtoffer] ondervindt nog dagelijks de gevolgen van het handelen van verdachte en er is nog geen medische eindsituatie bereikt.”
5.6
Ten aanzien van de strafoplegging heeft het hof, voor zover relevant, het volgende overwogen:
“Het hof heeft bij de op te leggen straf en maatregel rekening gehouden met de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan en tevens gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij - wederom deels met overneming van de relevante overwegingen uit het vonnis van de rechtbank - in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door meer dan dertig keer willekeurig op met name het bovenlichaam en het hoofd van [slachtoffer] in te steken. Vervolgens heeft verdachte [slachtoffer] in hulpeloze toestand en in de nachtelijke uren in het bos achtergelaten. Verdachte heeft met zijn handelen een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Voor [slachtoffer] heeft het feit grote en blijvende gevolgen gehad. Hij heeft meerdere littekens overgehouden aan de steekverwondingen en ondervindt nog altijd sterke beperkingen bij zijn dagelijkse bezigheden. Het gaat om een schokkend feit met heftige gevolgen. Verdachte was ten tijde van het plegen van het feit onder invloed van meerdere soorten verdovende middelen, terwijl hij bovendien in een emotionele periode verkeerde. Het hof houdt er ook rekening mee dat verdachte eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld. Gelet op het voorgaande acht het hof enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur passend en geboden.”
5.7
Het hof heeft met betrekking tot zijn beslissing over de vordering van de benadeelde partij als volgt overwogen:

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 88.486,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 37.896,00, vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden tot na te melden bedrag.
Het hof wijst de gevorderde materiële schade als volgt toe:
- reis- en verletkosten € 150,--;
- schade wegens het verblijf in het ziekenhuis € 180,--;
- kosten beschadigde de kleding € 350,--;
- kosten vanwege de beperkingen in de zelfwerkzaamheid € 805,--;
- kosten gemaakt ter vaststelling van schade € 1.411,--;
- kosten van huishoudelijke hulp en mantelzorg € 2.352, -- (16 weken x € 147,-).
Bij het gedeeltelijk toewijzen van de kosten van huishoudelijke hulp en mantelzorg gaat het hof uit van de periode ten aanzien waarvan de raadsman van de benadeelde partij (middels het overleggen van een zorgplan voor de periode na het ontslag van de benadeelde partij uit het ziekenhuis) concrete onderbouwing heeft aangeleverd.
Aan immateriële schadevergoeding wijst het hof een bedrag van € 25.000,-- toe. Dat dit bedrag lager is dan het door de rechtbank in eerste aanleg toegewezen bedrag komt niet doordat het hof de impact en de gevolgen van het bewezen verklaarde feit voor de benadeelde partij niet als zeer groot beoordeelt, maar doordat het bedrag van € 25.000,- naar het oordeel van het hof het best in overeenstemming is met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen.
(…).
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”
Het beoordelingskader
5.8
Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luidt:
“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
(...)
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.”
5.9
In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen (met weglating van een aantal voetnoten waarin de Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie):

Beoordeling en beslissing rechter
2.8.1
Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv Pro rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.
2.8.2
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.
2.8.3
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv Pro) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen.
2.8.4
Het staat de rechter vrij in zijn oordeel over een vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Een dergelijke splitsing van de vordering maakt het voor de strafrechter mogelijk te beslissen over dat deel van de vordering waarvan de behandeling niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, terwijl de benadeelde partij het resterende deel van haar vordering aan de burgerlijke rechter kan voorleggen. Het voorgaande betekent echter niet dat de strafrechter op grond van zijn voorlopig oordeel een gevorderd (schade)bedrag geheel of gedeeltelijk kan toewijzen bij wege van voorschot, in afwachting van een definitief oordeel van de civiele rechter.
(…).
2.8.6
Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.”
De bespreking van het middel van de verdachte
5.1
Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte de benadeelde partij met een mes tegen en in verschillende onderdelen van zijn lichaam heeft gestoken en geprikt en hem vervolgens met ernstige verwondingen en bloedend heeft achtergelaten. Ook heeft het hof vastgesteld dat de benadeelde partij meer dan dertig keer is gestoken, het feit voor hem grote en blijvende gevolgen heeft gehad, hij meerdere littekens heeft overgehouden aan de steekverwondingen en nog altijd sterke beperkingen ondervindt in zijn dagelijks leven. Hiermee heeft het handelen van de verdachte een forse inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit, aldus het hof. Dat het slachtoffer lichamelijk letsel heeft opgelopen lijkt mij dus evident (en wordt overigens ook niet betwist). Het hof heeft hierop kennelijk zijn oordeel gebaseerd dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat op grond van art. 6:106, aanhef en onder b, BW immateriële schadevergoeding toegekend kan worden als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgenomen. [5]
5.11
Aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof doet niet af dat het hof niet is ingegaan op de opmerkingen dat ‘de LSD door het slachtoffer zelf is meegenomen’ en dat de verdediging ‘het niet redelijk [acht] om in het geheel geen rekening te houden met de eigen schuld van het slachtoffer’. Het hof had immers al vastgesteld dat de verdachte de LSD bewust had gebruikt. Waarom de omstandigheid dat die LSD door het slachtoffer is meegenomen zou maken dat daarmee rekening moet worden gehouden bij de vaststelling van de immateriële schade doordat het slachtoffer meer dan dertig keer door de verdachte is gestoken, vermag ik evenals kennelijk het hof – zonder nadere motivering – niet in te zien.
5.12
Ook het tweede middel van de verdachte faalt.
De bespreking van het middel van de benadeelde partij
5.13
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij voor zover het gaat om de vergoeding van de post ‘economische kwetsbaarheid’ niet-ontvankelijk verklaard omdat het van oordeel is dat behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dat is een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. [6] Aan de begrijpelijkheid van dat oordeel behoeft niet in de weg te staan dat het hof zijn oordeel dat sprake is van een onevenredige belasting van het strafgeding niet motiveert. [7]
5.14
Omdat de schadepost ‘economische kwetsbaarheid’ voor zover ik kan overzien niet vaak voorkomt in het kader van een vordering van een benadeelde partij in het strafproces, ben ik zo vrij geweest de richtlijn waarop deze vordering zegt te zijn gestoeld erbij te zoeken. [8] In die richtlijn genaamd ‘De Letselschade Definitie Verhoogde Economische Kwetsbaarheid’ geeft de Letselschade Raad een definitie van wat in ieder geval onder ‘economische kwetsbaarheid’ moet worden verstaan, waarbij wordt opgemerkt dat iedereen economisch kwetsbaar is. Van verhoogde economische kwetsbaarheid is volgens de definitie sprake indien in de toekomst door een economisch feit - zoals een ontslag als gevolg van een reorganisatie of een faillissement - een periode van werkloosheid kan intreden die langer duurt dan ‘normaal’ door de door het ongeval ontstane beperkte mogelijkheden. Met een vergoeding voor verhoogde economische kwetsbaarheid wordt deze langere periode van (gedeeltelijke) werkloosheid financieel gecompenseerd. Er worden vervolgens voorbeelden gegeven waaruit blijkt dat niet in ieder geval van letsel per definitie sprake is van verhoogde economische kwetsbaarheid. In een toelichting wordt vervolgens nog opgemerkt:
“Verhoogde economische kwetsbaarheid betreft een schatting van een kans op toekomstige schade. De omvang van deze schadecomponent hangt onder meer af van het inkomensniveau, de looptijd en leeftijd, de aard van de arbeidsmarkt, de zwaarte van het beroep, het soort letsel en de ernst van de beperkingen. Factoren welke per geval sterk verschillen en zeer individueel bepaald zijn.”
5.15
Uit de toelichting op de ingediende vordering blijkt dat het bedrag van € 5.000,00 betrekking heeft op mogelijke toekomstige schade die het gevolg is van het feit dat het voor de benadeelde partij moeilijker wordt om een passende baan te vinden. Ook blijkt daaruit dat de benadeelde partij op het moment van het delict werkloos was, maar dat hij in het verleden heeft gewerkt als artiest door te tekenen, kalligraferen en tatoeëren. De raadsman van de benadeelde partij onderkent in de vordering dat het schatten van een bedrag dat past bij de toegenomen economische kwetsbaarheid niet eenvoudig is. In het licht van de inhoud van deze – op voornoemde definitie gebaseerde – vordering, waarbij ik met name doel op de toekomstige en onzekere aard van de aangevoerde omstandigheden, en de beperkingen van de strafprocedure acht ik het oordeel van het hof dat de beoordeling van de vordering op dit punt een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
5.16
Het middel van de benadeelde partij faalt.

6.Slotsom

6.1
De middelen van de verdachte en het middel van de benadeelde partij falen. Alle middelen kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
6.2
Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie op 19 juni 2025 is overschreden. Dat dient te leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf. Voor het overige heb ik geen ambtshalve gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen,
2.Vgl. ook HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1073.
3.Zie ook de noot van N. Keijzer onder HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3797,
4.Het hof heeft arrest gewezen op 15 juni 2023, dus kon nog niet bekend zijn met het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 2023.
5.Vgl. HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:774
6.De Hoge Raad heeft dat feitelijke oordeel in veel gevallen niet onbegrijpelijk geoordeeld. Zie onder meer HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3751, rov. 4.5.1; HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7349,
7.HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476,
8.Althans, de Richtlijn zoals die tegenwoordig luidt. Op de website van De Letselschaderaad zijn slechts versies van 2025 en 2026 te vinden, zie https://deletselschaderaad.nl/definitie-verhoogde-economische-kwetsbaarheid/ (geraadpleegd op 4 maart 2026).