Uitspraak
[woonplaats].
9 juni 1981.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf wegens doodslag op zijn grootmoeder door haar met een mes in de hals te steken. Het hof concludeerde op basis van de verklaring van de verdachte en andere bewijsmiddelen dat hij handelde met opzet om haar van het leven te beroven, ondanks zijn stelling dat hij handelde om het gillen te doen stoppen.
De verdediging voerde aan dat verdachte leed aan een paranoïde psychose door cocaïnegebruik, waardoor hem het opzet ontbrak en zijn daden hem niet konden worden toegerekend. Het hof oordeelde echter dat verdachte verwijtbaar in deze toestand was gekomen en dat de handelingen hem dus wel konden worden toegerekend.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep, bevestigde het oordeel van het hof over het opzet en de toerekenbaarheid, en oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat verdachte niet zodanig geestelijk was afwijkend dat hij geen inzicht had in zijn daden. Daarmee bleef de veroordeling in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot twee jaar gevangenisstraf wegens doodslag ondanks zijn cocaïne-intoxicatie en psychiatrisch verweer.