Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het derde namens de verdachte voorgestelde middel
4.Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
5.Beslissing
5 maart 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van een verdachte die werd veroordeeld voor poging zware mishandeling van een prostituee en poging doodslag van een andere prostituee. De feiten vonden plaats op 10 december 2015 te Amsterdam. De verdachte handelde onder invloed van een combinatie van voorgeschreven medicatie (citalopram en propranolol), alcohol en cannabis, wat leidde tot een kortdurende (manisch) psychotische ontremming.
Het hof had geoordeeld dat de verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar was, omdat hij bewust had gekozen de medicatie te combineren met alcohol, ondanks de ontremmende werking van de middelen. De verdachte werd in sterk verminderde mate verantwoordelijk gehouden voor zijn gedragingen. De verdediging voerde volledige ontoerekeningsvatbaarheid aan, maar dit werd door het hof verworpen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en het oordeel niet onbegrijpelijk was. Wel vernietigt de Hoge Raad het arrest deels vanwege het niet voldoen aan het voorschrift van art. 413, tweede lid, Sv, waarbij de benadeelde partij schriftelijk had moeten worden medegedeeld op welke dag de zaak in hoger beroep zou worden behandeld. De benadeelde partij was niet opgeroepen en het hof had moeten onderzoeken of deze mededeling was gedaan. De zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling van de vordering van de benadeelde partij en de strafoplegging.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt deels het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling van de vordering van de benadeelde partij en strafoplegging.