Conclusie
Shipyardrespectievelijk
het Land.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
d] bepaalt over het doel van verpachte terrein dat het:
e[bevat een bouwverbod en] voegt daaraan toe:
It is only allowed to place mobile facilities on these parcels of land, which are of service to the purpose and use described sub paragraph d above, and which facilities must be approved by the Executive Council prior to placement.”
ibepaalt dat van toepassing is de:
Eilandsverordening op de uitgifte in erfpacht van gronden toebehorende aan het Eilandgebied de Bovenwindse Eilanden".
mluidt als volgt:
Shanny) voor NAf. 6,00 per vierkante meter aan canon (totaal: NAf. 20.844,00 per jaar). Deze akte bevat een bepaling met hetzelfde doel, hetzelfde bouwverbod, en een identieke
condition m. Shanny krijgt in de akte toestemming om het perceel te verhuren of in gebruik te geven aan Shipyard.
[betrokkene 1], ook zijn gezamenlijke erven worden zo aangeduid) voor NAf. 6,00 per vierkante meter aan canon; totaal NAf. 4.326,00 per jaar. Verder geldt hetzelfde als is vermeld inzake Shanny.
verlengingvan de erfpachtsperiode. Ofschoon deze verlenging in cassatie niet meer aan de orde is, vermeld ik hierna volledigheidshalve de in dit kader in het bestreden vonnis vastgestelde feiten.
Termination long lease agreement)onder andere dat het Land de erfpachtrechten per 21 september 2018 als van rechtswege beëindigd beschouwt:
, as referenced in your letter of 26 March 2019."
Minutes of the Council of Ministers meeting with third parties’) staan de volgende passages: [16]
vervallente verklaren. Zie het laatste vastgestelde feit:
In any case your clients are currently occupying the parcels without legal right or title and have to vacate. Article 18 under 11 of the Long Lease Ordinance states that in case there is no agreement to re-issue the right of long lease, the right of long lease will be freely available to Sint Maarten (in Dutch: 'binnen drie maanden na beëindiging van het erfpachtrecht ter vrije beschikking van Sint Maarten worden gesteld'). As such, on the basis of this article the right of long lease became available freely to Sint Maarten three months after expiry (therefore on December 21, 2018). The rules of article 5:98 Civil Code are in fact more favorable to your clients, as it allows for additional time for your clients to remain on the parcels. Additionally, as per article 15 under a, the Minister can declare the right of long lease to have lapsed (in Dutch: 'vervallen verklaard') in case long lease fees are not paid within three months. It is abundantly clear that your clients have not paid any long lease fees for an extended period of time, far beyond the three months mentioned in this article, and as such the right of long lease of your clients is hereby declared to have lapsed, in so far as necessary."
3.Procesverloop
Eerste aanleg
het Gerecht):
primair: een bevel aan het Land de erfpacht te verlengen;
subsidiair: veroordeling van het Land tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat;
meer subsidiair: veroordeling van het Land tot openbare verkoop, met uitkering van de opbrengst aan Shipyard. [30]
de Landsverordeningof
Lv).
in reconventieonder meer gevorderd: ontruiming van de percelen, betaling van achterstallige canon en betaling van een schadevergoeding, gelijk aan de verschuldigde canon, voor iedere maand of gedeelte daarvan dat Shipyard in gebreke blijft de percelen te ontruimen, zulks ingaande op het tijdstip waarop het recht van erfpacht is beëindigd. [32] Aan haar vordering tot ontruiming heeft zij, voor zover van belang, subsidiair ten grondslag gelegd dat zij bij brief van 23 april 2020 de erfpacht vervallen heeft verklaard op de voet van art. 15, aanhef en sub a, Lv.
vervallenop de voet van art. 15, aanhef en sub a, Lv (rov. 4.4-4.8).
poko poko-beginsel. Dit beginsel brengt onder andere met zich mee dat in een kleinschalige eilandsgemeenschap als Sint Maarten, waarin persoonlijke verhoudingen een grote rol spelen en een expliciete toestemming of weigering niet gemakkelijk wordt gegeven, de regels inzake bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht moeten worden genomen. Het Gerecht volgt met dit uitgangspunt bestendige jurisprudentie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie in hoger beroep. [35] Dat betekent in deze zaak dat het afgeven van een bouwvergunning voor een gebouw door de Minister van VROMI niet gelijk gesteld kan worden aan toestemming door diezelfde Minister om op de in erfpacht uitgegeven percelen een gebouw neer te zetten. [36] Temeer nu de voor Shipyard, Shanny en [betrokkene 1] correcte weg zou zijn geweest om eerst op grond van de erfpachtakte daarvoor toestemming te vragen en pas daarna de bouwvergunning aan te vragen. [37] Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking, in het licht van voormelde jurisprudentie, dat het openbaar bestuur op Sint Maarten in de regel minder goed is bemenst en toegerust voor alle taken dan in Europees Nederland. Om die reden acht het Gerecht het strikt volgen van procedures dan ook van groot gewicht om de belangen van het Land, en daarmee de bevolking van Sint Maarten, zo goed mogelijk te waarborgen.
Indien het erfpachtsterrein is bebouwd, is de minister verplicht binnen zes maanden na de vervallenverklaring van het erfpachtrecht een openbare verkoop (…) te doen houden van het erfpachtrecht op de grond met de opstallen en dit recht aan de verkrijger te verlenen voor het nog niet verstreken gedeelte van de termijn van het beëindigde erfpachtrecht en overigens onder de voor dat recht gegolden hebbende bepalingen en voorwaarden.”
het Hof) met conclusie dat het Hof het vonnis van het Gerecht zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar vorderingen alsnog zal toewijzen en de vorderingen van het Land zal afwijzen.
primairevordering tot een bevel tot verlenging van de erfpacht bevestigd. Het heeft in dit verband overwogen dat Shipyard geen beroep kan doen op het gelijkheidsbeginsel (rov. 2.6-2.11), noch op het vertrouwensbeginsel (rov. 2.12-2.20).
De afwijzing van de
subsidiairevordering tot schadevergoeding is door het Hof bevestigd voor zover deze is gegrond op (het vertrouwen op) een toezegging tot verlenging (rov. 2.21) en op aansprakelijkheid van het Land voor afgebroken onderhandelingen (rov. 2.22).
meer subsidiairevordering tot het houden van een openbare verkoop van het beëindigde erfpachtrecht en uitkering van de opbrengst van de verkoop aan Shipyard is bevestigd op de grond dat geen sprake is van bebouwing en opstallen als bedoeld in art. 16 Lv Pro. Daartoe heeft het Hof het oordeel van het Gerecht onderschreven dat, gelet op het pokopokobeginsel, met het afgeven van een bouwvergunning voor gebouwen in dit geval niet toestemming is gegeven om de erfpachtvoorwaarden (waarin staat dat er alleen mobiele installaties mogen worden geplaatst) niet na te leven (rov. 2.24-2.26, 1e volzin).
subsidiairevordering tot schadevergoeding is voorts bevestigd voor zover deze is gegrond op ongerechtvaardigde verrijking. Het Hof heeft daartoe overwogen dat als er al sprake is van verrijking van het Land, hetgeen geenszins vaststaat, deze niet ongerechtvaardigd is (rov. 2.26, 2e volzin).
4.Het cassatieberoep; inleiding
nietopgekomen tegen de oordelen in rov. 2.6-2.22 van het bestreden vonnis.
(i) het Land is niet gehouden de erfpacht van Shipyard te verlengen, noch op grond van het gelijkheidsbeginsel (rov. 2.6-2.11) noch op grond van het vertrouwensbeginsel (rov. 2.12-2.20), zodat de primaire vordering niet toewijsbaar is;
(ii) het Land is niet verplicht tot schadevergoeding uit hoofde van een eventuele toezegging tot verlenging van de erfpacht (rov. 2.21);
(iii) het Land is niet aansprakelijk wegens afgebroken onderhandelingen (rov. 2.22).
(a) of Shipyard aanspraak kan maken op een bedrag als bedoeld in art. 16 Lv Pro (rov. 2.24-2.26, 1e volzin);
(b) of Shipyard recht heeft op schadevergoeding uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking (rov. 2.26, 2e en 3e volzin).
2. De opbrengst van de verkoop wordt aan de erfpachter, wiens erfpachtrecht beëindigd is, uitgekeerd na aftrek van hetgeen aan het Land met betrekking tot dat recht nog verschuldigd is en van de ten laste van het Land komende kosten van de verkoop.
3. (...)
4. Indien bij de openbare verkoop geen bod wordt gedaan, is het Land niet tot enige uitkering verplicht.”
toegestanebebouwing en opstallen, bij gebreke waarvan een beroep door de erfpachter op art. 16 Lv Pro niet mogelijk is (rov. 2.26 bestreden vonnis jo. rov. 4.19 vonnis Gerecht). [43]
5.Belang bij het cassatieberoep
den
mvan de erfpachtakte, die inhouden dat Shipyard aan het einde van het erfpachtrecht alles dient te verwijderen (dus inclusief bebouwing/opstallen) respectievelijk dat de percelen teruggenomen kunnen worden ‘
for the expansion of the airport without any compensation for damages.’ [44]
(…) the land issued on long lease may only be used to have and maintain a mobile syncrolift for the maintenance of (mega) yachts (…).The Leaseholder is under the obligation to have all that which is necessary for the execution of the above mentioned purpose cleared out at the end of the period for which this right of long lease has been issued.”
mbepaalt:
the parcels of land and water issued in long lease can, without intervention of the Judge, be reclaimed by the Executive Council for the expansion of the airport without any compensation for damages.”
den
mtot dezelfde beslissing leidt als thans is opgenomen in het dictum van het bestreden vonnis.
any compensation for damages’ als bedoeld in voorwaarde
mals zodanig niet aangetroffen. Ten tweede is niet zonder meer duidelijk dat en op welke gronden de erfpachtvoorwaarden
den
mper definitie aan toewijzing van de nog aan de orde zijnde vorderingen (tot schadevergoeding ex art. 6:212 BWSM Pro en tot waardevergoeding ex art. 16 Lv Pro) in de weg staan. Dat vergt onder meer een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de betrokken voorwaarden. Dat geldt temeer nu partijen het daarover niet eens waren. [46]
6.Bespreking van het cassatiemiddel
[Erven R.]/Sint Eustatius), zij het dat dit en de andere door de Hoge Raad genoemde feiten en omstandigheden niet altijd doorslaggevend zijn (zoals ook blijkt uit HR 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8413, rov. 3.6.5,
De Goede Hoop/Curaçao).
Verordening op de uitgifte van eigendommen, die een lex specialis is ten opzichte van titel 7 van Boek 5 BW (vgl. artikel 5:87 lid 2 slot Pro BW). (...)”
Erven R./Sint Eustatius [47] en
De Goede Hoop/Curaçao [48] verwijt subonderdeel het Hof te hebben miskend dat dit beginsel moet worden
afgewogentegen andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel. Het Hof zou zonder meer doorslaggevend gewicht hebben toegekend aan het beroep van het Land op het pokopokobeginsel, dat wil zeggen zonder dit beginsel af te wegen tegen het geadstrueerde beroep van Shipyard op het vertrouwensbeginsel en zonder acht te slaan op de daarmee samenhangende bijzondere feiten en omstandigheden van het geval.
concordantiebeginsel. Daartoe wordt aangevoerd dat het concordantiebeginsel meebrengt dat de volledige belangenafweging zoals die door de Hoge Raad naar Nederlands recht wordt voorgeschreven – en zoals die door de Hoge Raad is toegepast in de arresten
Erven R./Sint Eustatiusen
De Goede Hoop/Curaçao– ook zoveel mogelijk moet worden toegepast in het Caribisch deel van het Koninkrijk (zie schriftelijke repliek, nrs. 6 en 8).
a.de bouwvergunning is destijds verleend door het daartoe bevoegde gezag, de Executive Council, waarmee vast staat dat het Shipyard publiekrechtelijk was toegestaan de bouwwerkzaamheden te verrichten;
b.op grond daarvan mocht Shipyard er althans op vertrouwen dat het Land akkoord was met de aanleg van de scheepswerf;
c.door zich 13 jaar na de publiekrechtelijke vergunning nu privaatrechtelijk op het standpunt te stellen dat door Shipyard in strijd met de erfpachtvoorwaarden is gebouwd, maakt het Land misbruik van zijn bevoegdheid.
Althans is het oordeel van het Hof onbegrijpelijk gemotiveerd, nu geen inzicht wordt verschaft over het ontbreken van bebouwing en opstallen als bedoeld in art. 16 Lv Pro, aldus het subonderdeel.
de maatstaven die in de laatste decennia in Nederland ten aanzien van het overheidsgedrag tot ontwikkeling zijn gebracht, niet zonder meer hier te lande behoren te worden aangelegd”. Er moet rekening mee worden gehouden dat verzoeken aan de overheid niet spoedig worden afgehandeld, waarbij niet zonder betekenis is dat het gaat om kleine landen, die wel alle overheidstaken moeten vervullen, aldus het Hof. [58]
Erven R./Sint Eustatius) [67] , betrof een conflict tussen B en R c.s. over een stuk grond op Sint Eustatius. Teneinde tot een oplossing te komen, had het Bestuurscollege van het Eilandgebied in 1965 toegezegd het stuk grond van B te kopen en door te verkopen aan R c.s. Ondanks dat deze toezegging door verschillende gezagsdragers was bevestigd en met de doorverkoop samenhangende uitvoeringshandelingen waren verricht, was de doorverkoop uitgebleven. De erven van R vorderden veroordeling van het Eilandgebied tot overdracht van het hun toekomende gedeelte van de grond, primair op grond van wanprestatie en subsidiair op grond van onrechtmatige daad. Het Gemeenschappelijk Hof wees de vordering af. Het Hof stelde daarbij voorop dat “
het van verhoogd belang is in een kleinschalige samenleving, waar persoonlijke verhoudingen een grote rol spelen en een expliciete weigering niet gemakkelijk wordt gegeven, dat regels inzake bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht worden genomen” (rov. 2.5). Tegen deze achtergrond en het feit dat het Bestuurscollege wettelijk niet bevoegd was om te besluiten tot vervreemding, konden de mededelingen van het Bestuurscollege het Eilandgebied niet binden (rov. 2.6-2.8) en was van wanprestatie derhalve geen sprake (rov. 2.10). Verder oordeelde het Hof dat de vordering evenmin toewijsbaar was op grond van onrechtmatige daad. De erven R hadden daartoe onvoldoende gesteld, aldus het Hof (rov. 2.11).
Vitesse-arrest [68] , het volgende (met mijn onderstreping):
LJNBN0930,
NJ2010/371).
tegenover de betrokkenen, onder wie aanvankelijk [R] en nadien diens erven, zodanig concrete verwachtingen kunnen zijn gewekt dat het onrechtmatig is het daarop gebaseerde vertrouwen te beschamen, hetgeen dan een onrechtmatige daad van het Eilandgebied zelf zou opleveren. Daarvoor is in de eerste plaats noodzakelijk dat die gedragingen in het maatschappelijk verkeer als gedragingen van het Eilandgebied zelf hebben te gelden.
dat, zoals het hof heeft overwogen, het van verhoogd belang is in een kleinschalige samenleving, waarin persoonlijke verhoudingen een grote rol spelen en een expliciete weigering niet gemakkelijk wordt gegeven, dat regels inzake bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht worden genomen, en
volgt dat slechts onder bijzondere omstandigheden plaats is voor het oordeel dat de gedragingen waarop de subsidiaire grondslag van de vordering is gebaseerd, als gedragingen van het Eilandgebied zelf, jegens erven [R] onrechtmatig zijn.
De Goede Hoop/Curaçao [69] ging over een verkavelingsplan in Curaçao. Het Bestuurscollege had De Goede Hoop medegedeeld bereid te zijn een verkavelingsplan goed te keuren, inhoudende de planvoorwaarde dat een grondtransactie met de overheid zou plaatsvinden. Deze grondtransactie diende ten behoeve van de aanleg van een weg. De planvoorwaarde bracht voor De Goede Hoop een beperking in haar eigendom van de betreffende strook grond mee, in die zin dat het haar niet vrijstond de strook aan derden te verkopen. Toen medewerking van het Eilandgebied aan de grondtransactie langdurig was uitgebleven, vorderde De Goede Hoop (subsidiair) veroordeling van het Eilandgebied tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad, waaronder de schade die zij leed als gevolg van het niet eerder van bij brief van 26 juni 2008 – tijdens het geding in eerste aanleg – opheffen van de beperking van haar eigendomsrecht als vervat in het verkavelingsplan.
het van groot belang is in een kleinschalige samenleving als Curaçao, waar persoonlijke verhoudingen een grote rol spelen, dat regels inzake bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht worden genomen.” Voor zover het Eilandgebied en zijn ambtenaren hadden gehandeld alsof het besluit was geslagen, berustte dit op een vergissing en rechtens was het Eilandgebied niet gehouden te volharden in deze vergissing. Verder bestaat er, aldus het Hof, geen regel inhoudende dat mededelingen die door of namens het Bestuurscollege zijn gedaan ten aanzien van de onderhavige beperking het Eilandgebied binden, nu niet het Bestuurscollege maar de Eilandsraad terzake bevoegd is. Voor zover De Goede Hoop op basis van die mededelingen een beroep deed op het vertrouwensbeginsel, kon dit dan ook niet slagen, waarbij werd meegewogen dat niet is gesteld of gebleken dat De Goed Hoop als onmiddellijk betrokkene het gewaarmerkte afschrift van het besluit heeft ontvangen (rov. 4.3).
Vitesse-arrest door te onderschrijven dat de door het Hof genoemde lokale omstandigheid een relevante factor is bij de beantwoording van de vraag of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen. [71] Ook Loth gaat ervan uit dat de Hoge Raad het pokopokobeginsel weliswaar erkent, maar de toepassing door het Hof in de voorliggende casus heeft verworpen. Voor het Hof zijn formele gebreken in de besluitvorming op zich voldoende om de overheid niet gebonden te achten aan toezeggingen, voor de Hoge Raad niet. In diens rechtspraak kan de overheid in een zodanige vertrouwensrelatie tot de wederpartij komen te staan (bijvoorbeeld door herhaalde toezeggingen of ander gedrag) dat schending van dat vertrouwen onrechtmatig is. Waar het Hof eisen stelt aan de burger, stelt de Hoge Raad die veeleer aan het bestuur. Het Hof moet hiertussen laveren, aldus Loth. [72] De verwachting is uitgesproken dat met de benoeming van de kleinschaligheid van de samenleving als gezichtspunt, in de Caribische gebiedsdelen mogelijk meer in de richting van het niet honoreren van opgewekt vertrouwen zal worden gegaan dan in Europees Nederland, zij het onder de aantekening dat de Hoge Raad in de afgelopen jaren ook voor de niet-kleinschalige Nederlandse samenleving dit punt strenger lijkt te zijn geworden. [73]
Erven R./Sint Eustatiusen
De Goede Hoop/Eilandgebied Curaçaohad gewezen, hebben de Caribische feitenrechters het pokopokobeginsel verscheidene keren toegepast. Het betreft uiteenlopende gevallen van overheidsprivaatrecht [74] en bestuursrecht [75] , waarbij het toepassingsgebied onder meer werd uitgebreid naar leerstukken als vertrouwensbescherming bij onbevoegde vertegenwoordiging (art. 3:61 lid 2 BWC Pro en BWSM) [76] en ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BWC Pro). [77] Het Gemeenschappelijk Hof geeft zich er daarbij rekenschap van dat in het Caribisch gebied weliswaar van verhoogd belang is dat regels inzake de bevoegdheid en formele besluitvorming strikt in acht worden genomen, maar daar tegenover staat dat het evenzeer van groot belang is dat een burger of ondernemer op de overheid kan rekenen en dat gerechtvaardigd vertrouwen wordt beschermd. Daarbij wordt opgemerkt dat in dat verband de hoedanigheid van de wederpartij en diens kennis van en ervaring met de lokale omstandigheden een rol spelen. [78] In een recente uitspraak spreekt het Hof, onder verwijzing naar het arrest van uw Raad inzake
De Goede Hoop/Eilandgebied Curaç
ao, van een
afwegingvan belangen: [79]
Staat/Windmill [82] had Windmill de benodigde vergunning verkregen voor het lozen van afvalgips op de Nieuwe Waterweg. In deze procedure vorderde de Staat een verbod tot het lozen van gipsslurry op de Nieuwe Waterweg zolang Windmill niet in het bezit was van een door de Staat als eigenaar te verlenen ‘privaatrechtelijke vergunning’ tot het gebruik van dit water tegen een betaling van een vergoeding. Nadat uw Raad had geoordeeld dat de bevoegdheid van de Staat om op grond van zijn eigendom de lozing afhankelijk te stellen van zijn (tegen betaling) te verlenen toestemming zou leiden tot onaanvaardbare doorkruising van de toepasselijke publiekrechtelijke wetgeving (rov. 3.4), overwoog uw Raad:
Den Haag/Staat [84] betrof een vergelijkbaar geval. De Staat had gedurende een aantal jaren aan de gemeente Den Haag een ontheffing verleend op grond van de Wet verontreiniging zeewater voor het storten van baggerspecie in de Noordzee. Daarnaast had de Inspecteur der domeinen namens de Staat steeds een privaatrechtelijke vergunning verstrekt aan de gemeente voor het storten van deze baggerspecie, waarbij een vergoeding was bedongen. In de procedure vorderde de gemeente Den Haag een verklaring voor recht dat het de Staat niet vrijstaat deze privaatrechtelijke vergoeding te bedingen. Uw Raad oordeelde dat de Staat als eigenaar geen financiële vergoeding kon vorderen voor het gebruik van de Noordzee als stortplaats, omdat van bijzonder gebruik geen sprake was (rov. 3.5). Daartoe had uw Raad overwogen:
Gemeente Amsterdam/G. [86] had de gemeente Amsterdam op grond van de Verordening op de Straathandel een vergunning verleend tot het innemen van een standplaats met een mobiele snackbar in de nabijheid van de Amsterdam Arena. De gemeente was ook eigenaar van deze grond en voor het benutten van de vergunning had de snackbarhouder privaatrechtelijke toestemming van de gemeente nodig. De gemeente had echter de toestemming geweigerd, omdat de locatie op korte termijn in erfpacht zou worden uitgegeven en tot die tijd als parkeerterrein zou moeten worden gebruikt. De snackbarhouder had in de procedure gesteld dat de gemeente de privaatrechtelijke toestemming niet mocht weigeren, nu zij de publiekrechtelijke vergunning al had verleend. Het hof stelde voorop dat de privaatrechtelijke bevoegdheid van de gemeente in beginsel slechts wordt begrensd door het bepaalde in de artikelen 3:13 en 3:14 BW, hetgeen wil zeggen dat zij geen misbruik van haar bevoegdheid mag maken en haar bevoegdheid niet mag uitoefenen in strijd met regels van publiekrecht (rov. 3.3). Het hof overwoog vervolgens dat door het afgeven van de publiekrechtelijke vergunning de grond een publieke bestemming had gekregen die zij voordien niet had en dat de gemeente bij de beslissing de privaatrechtelijke toestemming al of niet te geven deze (nieuwe) bestemming in haar belangenafweging had moeten betrekken (rov. 3.4). De gemeente had de privaatrechtelijke toestemming alleen mogen weigeren, indien zij zich kon beroepen op zwaarwegende belangen die zich verzetten tegen het plaatsen en exploiteren van de snackbar (rov. 3.5).
misbruik van bevoegdheidop,
tenzijsprake is van zo zwaarwegende belangen die zich verzetten tegen dat gebruik, dat niet gezegd kan worden dat de Gemeente wegens onevenredigheid tussen haar belang bij weigering en het belang van [G.], niet tot die weigering heeft kunnen komen.” [87]
Hoogheemraadschap/G. [88] van belang. In deze zaak was door (een rechtsvoorganger van) het Hoogheemraadschap van Rijnland op grond van de Keur Waterschap Groot-Haarlemmermeer een ontheffing verleend voor het maken en hebben van een steiger in de Ringvaart. Vervolgens had het Hoogheemraadschap als eigenaar van de Ringvaart aan de eigenaar van de steiger een gebruiksregeling voorgesteld conform de daarvoor geldende tarieven. De eigenaar van de steiger weigerde de gebruiksovereenkomst te tekenen. Het Hoogheemraadschap vorderde vervolgens veroordeling tot het verwijderen van de steiger. Het hof had de vordering afgewezen.
een verleende ontheffing niet zonder meer een privaatrechtelijke toestemming tot een bepaald bijzonder gebruik impliceert.”
Staat/Windmillen
Gemeente Den Haag/Staat.Indien de vergunning
nietmede ziet op het gebruik van de eigendom, dan kan de privaatrechtelijke toestemming daarvoor worden geweigerd of afhankelijk worden gesteld van een vergoeding. Een voorbeeld hiervan is het arrest
Hoogheemraadschap/G.Het arrest
Amsterdam/G.moet ook tegen de achtergrond van de hier bedoelde maatstaf worden begrepen
. [89]
is’ dan wel ‘
impliceert’. [92]
de toestemming van het Land omdat die blijkt uit de afgegeven bouwvergunning”. [96] Het Gerecht heeft dit argument verworpen omdat naar zijn oordeel de bestendige jurisprudentie van het Hof omtrent het pokopokobeginsel in deze zaak meebrengt dat “
het afgeven van een bouwvergunning door de Minister van Vromi niet gelijk gesteld kan worden aan toestemming door diezelfde Minister om op de in erfpacht uitgegeven percelen een gebouw neer te zetten” (rov. 4.17).
a shipyard building”, nota bene minder dan een jaar na de uitgifte van de Erfpachtrechten. Hiermee staat vast dat zij publiekrechtelijk gezien de bouwwerkzaamheden mocht verrichten en aldus niet ‘illegaal heeft gebouwd’. Deze vergunning is verleend door het overheidsorgaan dat daartoe bevoegd was, de
Executive Council, waarbij de regels inzake bevoegdheid en formele besluitvorming in acht zijn genomen. Een officiëlere goedkeuring/toestemming voor de bouwwerkzaamheden bestaat er niet.
Executive Council, ook onder de Bouwvoorwaarden [98] akkoord was met de voorgenomen bouwwerkzaamheden. Het
poko poko-beginsel maakt dat in dit geval niet anders en het Gerecht is dan ook ten onrechte tot de conclusie gekomen dat het
poko poko-beginsel in de weg staat aan de vordering van SSY.”
Erven R./St. Eustatius [99] heeft overwogen over het gewicht van dat beginsel bij de vraag of onbevoegd handelen van een ambtenaar een onrechtmatige daad van de overheid oplevert (MvG, nr. 3.62), vervolgt de memorie van grieven:
Executive Councilook de benodigde toestemming onder de Bouwvoorwaarden inhield om de scheepswerf aan te leggen, omdat ook die toestemming van de
Executive Councilmoest komen. Het
poko poko-beginsel staat daaraan niet in de weg.”
Executive Councildestijds de privaatrechtelijke goedkeuring [hebben] willen weigeren (waarvan geenszins is gebleken), zij dit niet meer had kunnen weigeren, omdat zij dan misbruik had gemaakt van haar bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW Pro.”
Amsterdam/G. [100] , waarin uw Raad overweegt dat – kort samengevat – na verlening van de standplaatsvergunning een weigering van toestemming tot gebruik van de locatie overeenkomstig die vergunning misbruik van bevoegdheid oplevert, behoudens zwaarwegende belangen die zich verzetten tegen dat gebruik (rov. 3.4.1, aangehaald hiervoor onder 6.26) (MvG, nr. 3.65). De memorie van grieven vervolgt:
gerechtvaardigd vertrouwenop het verleend zijn van privaatrechtelijke toestemming voor het bebouwen van de erfpachtgrond (MvG nr. 3.67), en wel op grond van:
(i) de door het bevoegde orgaan verleende
bouwvergunning(MvG, nr. 3.59-3.63), en
(ii) de (door potentieel misbruik van bevoegdheid ingegeven)
onmogelijkheid van weigeringvan privaatrechtelijke toestemming (MvG, nr. 3.64-3.66). [101] Deze argumenten worden op de in het middel aangegeven vindplaatsen in de pleitaantekeningen (nr. 4.4-4.7) herhaald.
Erven R./Sint Eustatiusen
De Goede Hoop/Curaçao.In die gevallen ging het om overheidsaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad wegens handelen in strijd met het vertrouwensbeginsel, te weten het beschamen van vertrouwen dat is gewekt door handelen in strijd met regels inzake bevoegdheid en formele besluitvorming (art. 6:162 BW Pro). In het thans voorliggende geval draait het om vergunningverlening door een bevoegd orgaan, op grond waarvan de vergunninghouder zich op het standpunt stelt dat – als er al geen sprake is van wilsovereenstemming tussen partijen over afwijking van de erfpachtvoorwaarden [102] – in ieder geval bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de overheid toestemming heeft gegeven om de geldende erfpachtvoorwaarden niet na te leven. Dit geval staat dus in de sleutel van vertrouwensbescherming als bedoeld in art. 3:33 jo Pro. 3:35 BW.
dit” – waarmee het verwijst naar het daarvoor weergegeven pokopokobeginsel – niet altijd doorslaggevend is.
stelling (a); zie MvG nr. 3.59).
stelling (b),inhoudend dat op grond ‘
daarvan’ – het verleend zijn van de bouwvergunning – Shipyard er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat het Land privaatrechtelijk akkoord was met afwijking van de erfpachtvoorwaarden (zie MvG nr. 3.60). Dit oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk, nu uit de in het middel genoemde vindplaatsen in de gedingstukken niet blijkt
waaromde enkele vergunningverlening volgens Shipyard bedoeld gerechtvaardigd vertrouwen kon wekken, afgezien van het feit dat de vergunning afkomstig was van hetzelfde overheidsorgaan dat volgens haar ook bevoegd zou zijn om privaatrechtelijke toestemming te geven. [104] Voor zover (ook) deze
stelling (b)ervan uitgaat dat een publiekrechtelijke bouwvergunning zonder meer privaatrechtelijke toestemming tot de vergunde bebouwing meebrengt [105] , berust zij op een onjuiste rechtsopvatting (zie hiervoor, alinea 6.31).
stelling (c)– dat het Land misbruik van bevoegdheid maakt door zich eerst 13 jaar na de vergunning privaatrechtelijk op het standpunt te stellen dat door Shipyard in strijd met de erfpachtvoorwaarden is gebouwd (MvG, nr. 3.68-3.69) – niet aangevoerd ter onderbouwing van haar beroep op gerechtvaardigd vertrouwen op het verleend zijn van privaatrechtelijke toestemming voor de bebouwing. Ik verwijs naar de alinea’s 6.41 en 6.42 hiervoor.
subonderdeel 1.3faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. In het verlengde daarvan faalt ook de rechtsklacht van
subonderdeel 1.1.
subonderdeel 2.1vervatte
rechtsklachtbehelst een voortbouwklacht. Deze faalt in het voetspoor van onderdeel 1.
motiveringsklachtwordt geen inzicht verschaft waarom bebouwing en opstallen als bedoeld in art. 16 Lv Pro ontbreken.
toegestanebouw. In rov. 2.26 ligt het oordeel besloten dat van toegestane bouw geen sprake is, nu het Hof het Gerecht eveneens volgt in het oordeel dat de erfpachtvoorwaarden niet zijn nageleefd zonder dat daar – naar ook het Hof in rov. 2.24 heeft geoordeeld – toestemming voor is gegeven (vonnis Gerecht, rov. 2.19).
onderdeel 1en
subonderdeel 2.1falen.
niet redelijkzou zijn (MvG, nr. 3.73). [107] De motiveringsklacht faalt dan ook.