Conclusie
Nummer22/02576
Inleiding
Het eerste middel
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 25 oktober 2021, dossierpagina’s 3-4, voor zover inhoudende als verklaring van [aangever] :
hof begrijpt: [betrokkene 1] , de moeder van verdachte). Ik ken de zoon van [betrokkene 1] , [verdachte] . Ik was samen met [betrokkene 1] hout in de aanhanger aan het laden en toen kwam [verdachte] eraan lopen. Ik hoorde hem roepen: “Ga naar huis dikke vette boer”. Ik zag dat [verdachte] hout oppakte en in mijn richting gooide. Hij liep naar mij toe en greep mij vast en duwde mij naar de grond. Dit deed hij met twee handen.
hof: aangever) tuinafval op zijn aanhanger aan het laden. Mijn woning ligt aan het [a-straat 1] in [plaats] . Toen ik-samen met [aangever] in de tuin stond, kwam mijn zoon [verdachte] zonder aanleiding op hem af gelopen. Ik zag dat [verdachte] [aangever] in een hoop bladeren duwde.
Het tweede middel
heel laag. Een en ander is ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 juni 2022 toegelicht door de reclasseringswerker. Zij gaf aan dat een klinisch traject weliswaar de beste kans zou bieden om tot gedragsverandering te komen, maar benadrukte dat zij dit traject niet haalbaar acht. Verder verklaarde zij dat zij op 15 juni 2022, één dag voor de terechtzitting in hoger beroep, nog een e-mailbericht van de verdachte had ontvangen, waarin hij te kennen gaf zich geheel niet te kunnen vinden in de inhoud van het rapport en niet opgenomen te willen worden in een kliniek.