Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het procesverloop
Op 29 januari 2013 is op klaarlichte dag een liturgisch kunstvoorwerp, een zogenaamde monstrans met een verzekerde waarde van € 250.000,-, uit het museum Catharijneconvent in Utrecht gestolen. De monstrans stond in een vitrine in de schatkamer van het museum. De dader is het museum via de noodingang binnengedrongen, heeft de vitrinekast met een moker ingeslagen, de monstrans meegenomen en het museum verlaten. Hij is gevlucht op een scooter die werd bestuurd door een ander. De dader heeft een sporttas achtergelaten met daarin een bitje waarop celmateriaal is aangetroffen dat afkomstig kan zijn van de verdachte. De monstrans is ongeveer twee weken na de diefstal teruggevonden in een auto. De verdachte is aangehouden op verdenking van deelneming aan de diefstal dan wel voor het helen van de gestolen monstrans.
,vrijgesproken van het medeplegen van gekwalificeerde diefstal en voor de subsidiair ten laste gelegde
opzethelingveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De verdachte en de officier van justitie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 31 maart 2014 voor het primair ten laste gelegde
medeplegen van gekwalificeerde diefstalveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. De verdachte heeft tegen dat arrest beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 12 mei 2015 heeft de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigd en de zaak teruggewezen naar het hof, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen. [1]
opzethelingveroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden en een taakstraf voor de duur van 120 uren. De verdachte heeft ook tegen dit arrest cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 23 april 2019 het arrest van het hof vernietigd, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging. De zaak is teruggewezen naar het hof opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. [2]
Er is hier sprake van heling van een waardevol kunstvoorwerp. De daders hebben daarbij slechts oog gehad voor hun eigen geldelijk gewin. Het feit dateert uit begin 2013. De rechtbank heeft verdachte eind 2013
(PF: voor opzetheling)een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk opgelegd. Dit was op dat moment een passende straf. Inmiddels zijn we ruim zeven jaar verder. Gelet op het arrest van de Hoge Raad, de documentatie van verdachte alsmede het tijdsverloop in deze zaak, acht ik voor het onderhavige feit een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek van de tijd door verdachte in voorarrest doorgebracht passend en geboden. Verdachte hoeft dan niet alsnog naar de gevangenis.
Op 14 februari 2017 is verdachte door dit hof veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden. Het hof heeft toen in zijn strafmotivering overwogen het niet gewenst te achten dat verdachte in deze zaak nog terug moet keren naar de gevangenis. Ook de verdediging acht dit niet gewenst en stelt zich op het standpunt verdachte in ieder geval geen hogere straf op te leggen dan die vijftien maanden. Verdachte heeft de afgelopen tijd laten zien dat hij een andere weg is ingeslagen.”
opzetheling [3] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Ten aanzien van de strafoplegging heeft het hof het volgende overwogen: [4]
Oplegging van straf en/of maatregelStandpunt advocaat-generaalDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte - rekening houdend met de schending van de redelijke termijn - een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van 14 maanden, met aftrek van de tijd door verdachte in voorarrest doorgebracht.
Standpunt verdedigingDe raadsman heeft verzocht bij het bepalen van de strafmaat te laten meewegen dat verdachte de afgelopen tijd heeft laten zien dat hij een andere weg is ingeslagen. Hij heeft een positieve ontwikkeling in zijn leven laten zien. Een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht zou onwenselijk zijn.
Oordeel hofHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Op klaarlichte dag heeft een diefstal van een waardevol liturgisch kunstvoorwerp, te weten een zogenaamde monstrans, uit het Museum Catharijneconvent in Utrecht plaatsgevonden. De monstrans heeft een verzekerde waarde van € 250.000. De diefstal van de monstrans heeft grote indruk heeft gemaakt op de in het museum aanwezige bezoekers en medewerkers. De monstrans is in gehavende staat teruggevonden. Tot op de dag van vandaag ontbreekt het gedeelte van de monstrans waarin zich vele ingelegde diamanten bevonden. De verdachte heeft de monstrans op enig moment voorhanden gehad en kan daarom als heler worden aangemerkt.
Uit een uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 4 januari 2021 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het plegen van al dan niet gekwalificeerde vermogensdelicten, maar dat na zijn vrijlating in deze zaak geen relevante nieuwe strafbare feiten zijn geregistreerd.
Gelet op de ernst van het feit, meer in het bijzonder gelet op het voorwerp van de heling en de waarde daarvan, is in beginsel een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd.
Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met mede door de raadsman naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Bij het bepalen van deze straf heeft het hof tevens rekening gehouden met de omstandigheid dat het feit geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden. De advocaat-generaal bij de Hoge Raad heeft in de onderdelen 19-21 van zijn conclusie d.d. 12 maart 2019 geconstateerd dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag van de rechten van de mens (EVRM) is overschreden. Het hof houdt daar ter compensatie aldus mee rekening mee dat het hof zonder die overschrijding een volledig onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou hebben opgelegd.
Alles overwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden.”
3.Het middel
een niet tenlastegelegd feitwanneer (i) het gaat om een ad informandum gevoegd feit dat door de verdachte is erkend en waarvoor hij niet afzonderlijk zal worden vervolgd, (ii) het feit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is begaan, dan wel (iii) de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. [5]
18 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. (Netto komt dat neer op 13 maanden zitten. De verdachte heeft die straf toendertijd ook daadwerkelijk uitgezeten). Vervolgens is de verdachte in hoger beroep bij arrest van 31 maart 2014 voor het medeplegen van gekwalificeerde diefstal veroordeeld tot (begrijpelijkerwijs) een zwaardere straf en na cassatie en terugwijzing bij arrest van 14 februari 2017 voor opzetheling veroordeeld tot
een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden en een taakstraf voor de duur van 120 uren.(Netto komt deze straf neer op 13 maanden zitten. [16] Het hof heeft in dit arrest expliciet overwogen het “niet gewenst” te achten “dat verdachte in deze zaak nog terug moet keren naar de gevangenis”). Na een tweede cassatieronde heeft een andere strafkamer van het hof, na een behandeling die gelet op de terugwijzingsbeslissing van de Hoge Raad alleen betrekking had op de strafoplegging, de verdachte bij arrest van 15 februari 2021 voor opzetheling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van
18 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.(Netto komt dit neer op 15 maanden zitten, hetgeen zou betekenen dat de verdachte alsnog 2 maanden gevangenisstraf moet gaan uitzitten).
- zowel het openbaar ministerie als de verdediging op die zitting hierover een standpunt hebben ingenomen dat afwijkt van het oordeel van het hof;
- een andere strafkamer van het hof 4 jaar eerder van oordeel was dat het niet gewenst was dat de verdachte terug zou moeten keren naar de gevangenis; [17] - de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (en diens justitiële documentatie) in de 4 jaren nadien kennelijk niet zijn gewijzigd;
- de rechtbank 7,5 jaar eerder ook al oordeelde dat 13 maanden ‘zitten’ een passende afdoening voor deze zaak is.
nietterug naar de gevangenis hoeft. Daarbij past niet dat 4 jaar later een beslissing wordt genomen die ertoe leidt dat de verdachte
welterug moet naar de gevangenis zonder dat wordt uitgelegd waarom de persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet tegen de noodzaak daarvoor opwegen.