Conclusie
hierna: de vader,
advocaat: mr. R.K. van der Brugge
hierna: de raad,
hierna: de GI,
hierna: de moeder.
1.Inleiding en samenvatting
family lifetussen de vader en de minderjarige, maar wordt dit recht niet rechtstreeks geraakt door de procedure over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, zodat de vader geen belanghebbende in de procedure is.
In cassatie wordt in de eerste plaats geklaagd dat het hof de minderjarige ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn mening aan het hof kenbaar te maken over het ingediende beroepschrift (art. 809 lid 1 Rv Pro). Verder wordt opgekomen tegen de beslissing van het hof dat de vader niet als belanghebbende is aan te merken. Naar mijn oordeel dient het cassatieberoep verworpen te worden.
Het verzoek
3. Het oordeel van het hof
family lifeheeft met de minderjarige en de procedure inbreuk maakt op het recht op
family life. Of dat zo is, beoordeelt de kinderrechter naar de omstandigheden van het geval. [14]
family lifeheeft met [de minderjarige]. Na de geboorte van [de minderjarige] heeft de vader met de moeder en [de minderjarige] een gezin gevormd. De vader heeft [de minderjarige] jarenlang opgevoed en verzorgd, totdat [de minderjarige] ongeveer zeven jaar oud was. In deze periode is tussen de vader en [de minderjarige]
family lifeontstaan. Als tussen een ouder en een kind eenmaal
family lifebestaat, kan dat alleen verbroken worden wanneer sprake is van bijzondere en zwaarwegende omstandigheden.
Family lifewordt niet verbroken door het enkele feit dat de ouder en de minderjarige geen contact meer hebben. Het hof is van oordeel dat het
family lifetussen de vader en [de minderjarige] niet verbroken is. Hoewel [de minderjarige] in 2018 uit huis is geplaatst en de vader geen omgangsregeling heeft, hebben [de minderjarige] en de vader in 2019 nog wel contact met elkaar gehad. Later, in 2022, hebben de vader en [de minderjarige] contact gehad via social media. Bovendien heeft [de minderjarige] in de zomer van 2023 een paar weken bij de vader gewoond. In die periode heeft de kinderrechter op 13 juni 2023 een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader verleend. Hoewel die plaatsing al na één dag is beëindigd en de machtiging is vervangen door genoemde machtiging van 14 juni 2023, was de kinderrechter destijds wel van oordeel dat [de minderjarige] onderdeel was van het gezin van de vader.
family lifetussen de vader en [de minderjarige] rechtstreeks wordt geraakt door de procedure over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat de vader geen belanghebbende is bij de huidige stand van de procedure.
family lifemet [de minderjarige] kan invullen.
family lifemet [de minderjarige] invult. Het recht op
family lifewordt dus niet rechtstreeks geraakt door de procedure daarover. De vader kan daarom niet als belanghebbende worden aangemerkt in die procedure.
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
family lifetussen de vader en de minderjarige rechtstreeks wordt geraakt door de procedure over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, is het hoorrecht voor minderjarigen niet in het leven geroepen voor de procedurele beslissing door de rechter of een
ander(in dit geval de vader) belanghebbende in een procedure is. Hierbij gaat het immers niet om een zaak betreffende minderjarigen, in de zin zoals hiervoor onder 3.8 uiteengezet. Het hoorrecht van artikel 809 lid 1 Rv Pro mist in dit geval dus toepassing. Het hof heeft dit – terecht − kennelijk ook gemeend. Het middel stuit hierop af.
family lifemet de minderjarige niet rechtstreeks wordt geraakt door de procedure over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd is.
family lifein de zin van artikel 8 EVRM Pro met de minderjarige heeft en 2) de zaak rechtstreeks betrekking heeft op dit recht op
family life, dat wil zeggen dat dit recht rechtstreeks wordt geraakt door de beslissing van de rechter houdende de kinderbeschermingsmaatregel. [26] In hoeverre hiervan sprake is, zal steeds afhangen van de omstandigheden van het geval. [27]
family lifevan de vader met de minderjarige niet rechtstreeks wordt geraakt door genoemde procedure is volgens het middel rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd (procesinleiding in cassatie onder 4).
family lifetussen de vader en de minderjarige als vanzelfsprekend wordt geraakt, nu de uithuisplaatsing bij de vader is geëindigd en de minderjarige elders uit huis is geplaatst (zie de procesinleiding in cassatie onder 5-7).
eerste subklachthoudt in dat het kunstmatig en rechtens onjuist is dat de kinderrechter en het hof een scherp onderscheid maken tussen de procedures in juni 2023 tot voorlopige ondertoezichtstelling en de verlenging daarvan, waarin de vader wel als belanghebbende is aangemerkt en de onderhavige procedure over de ondertoezichtstelling voor de periode van een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing waarin de vader geen belanghebbende meer is. Laatstgenoemde procedure bouwt immers voort op de voorgaande procedures tot voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Het hof had dan ook de vraag moeten onderzoeken en beantwoorden of zich inmiddels omstandigheden hebben voorgedaan die rechtvaardigen dat de vader, die in beginsel als belanghebbende moet worden beschouwd, daardoor niet meer als belanghebbende beschouwd kan worden, hetgeen het hof heeft nagelaten te doen, aldus de klacht (procesinleiding in cassatie onder 5).
family lifemet de minderjarige kon invullen en de vader dus niet meer als belanghebbende aangemerkt kon worden in die procedure bij de kinderrechter van september 2023 (r.o. 3.6).
tweede subklachtdie inhoudt dat de argumentatie in r.o. 3.5 waarin het hof zijn oordeel motiveert dat de beslissing van de kinderrechter in zijn beschikking van 11 september 2023 niet rechtstreeks invloed had op de manier waarop de vader zijn
family lifemet de minderjarige invult, onbegrijpelijk is (procesinleiding in cassatie onder 6).
derde subklachtgaat vervolgens in het bijzonder in op één aspect van de argumentatie van het hof in r.o. 3.5. Geklaagd wordt dat de omstandigheid dat de vader absoluut geen contact wil hebben met de GI, zodat deze niet aan contactherstel kan werken omdat de vader dat onmogelijk maakt, niet van belang is voor de vraag of de vader belanghebbende is in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro. Het is volgens de vader rechtens onjuist om de procesrechtelijke beslissing of hij kan worden aangemerkt als belanghebbende te laten afhangen van zijn houding ten opzichte van de GI. Niet de rechter, maar de GI zou dan min of meer bepalen of de vader als belanghebbende in de procedure zal worden betrokken, en dat zou in strijd zijn met het recht op een eerlijk proces zoals volgt uit artikel 6 EVRM Pro, aldus de klacht (procesinleiding in cassatie onder 7).
family lifetussen de vader en de minderjarige. Het hof is van oordeel dat het
family lifetussen de vader en de minderjarige niet verbroken is (r.o. 3.2).
family lifetussen de vader en de minderjarige rechtstreeks wordt geraakt door de procedure over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de kinderrechter in september 2023 (r.o. 3.3).
family lifemet de minderjarige invult, zodat het recht op
family lifeniet rechtstreeks wordt geraakt door de procedure en de vader niet als belanghebbende aangemerkt moet worden in die procedure (r.o. 3.4-3.6):
1. in de procedure in juni 2023 over de machtiging tot uithuisplaatsing was de vader wel belanghebbende, omdat de kinderrechter toen moest beoordelen of de minderjarige bij de vader moest blijven, waar hij toen een paar weken woonde, of niet;
2. tijdens de onderhavige procedure in september 2023 woont de minderjarige bij het netwerkpleeggezin, nadat hij eerst bij de grootvader moederszijde was geplaatst;
3. de GI onderzoekt in het kader van de ondertoezichtstelling of de minderjarige in de toekomst weer bij de moeder kan wonen, waar de minderjarige van 2019 tot juni 2023 woonde;
4. een plaatsing bij de vader is niet meer aan de orde;
5. de vader heeft ter zitting verklaard dat hij sinds juni 2023 geen enkel contact meer met de minderjarige heeft gehad;
6. de GI heeft verklaard dat de minderjarige zelf heeft besloten het contact met de vader te verbreken;
7. de GI heeft verklaard dat het contactherstel tussen de vader en de minderjarige nog wel een van de doelen van de ondertoezichtstelling is;
8. de vader heeft echter heel duidelijk verklaard niet met de GI te gaan samenwerken, hun brieven niet te openen en absoluut niet in gesprek te willen met de GI;
9. het hof stelt vast dat de GI dus niet aan het beoogde contactherstel kan werken, omdat de vader dat onmogelijk maakt;
10. de ondertoezichtstelling kan daarom geen invloed hebben op het (ontbreken van) contact tussen de vader en de minderjarige.
family lifein de zin van artikel 8 EVRM Pro met de minderjarige heeft en vervolgens of de zaak rechtstreeks betrekking heeft op dit recht op
family life, dat wil zeggen dat dit recht rechtstreeks wordt geraakt door de beslissing van de rechter houdende de kinderbeschermingsmaatregel. Het hof heeft dus niet zonder meer als hoofdregel gehanteerd dat een ouder zonder gezag geen belanghebbende is in een procedure over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, maar het heeft de bredere toets zoals onder 3.28 weergegeven aangelegd. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de inmiddels sinds de eerdere beoordelingen in juni 2023 gewijzigde omstandigheden. In dat verband heeft het hof overwogen dat de vader weliswaar nog steeds
family lifemet de minderjarige heeft, maar dat de manier waarop hij zijn
family lifemet de minderjarige kan invullen niet rechtstreeks wordt geraakt door de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Daarvoor zijn mijns inziens met name bepalend de overwegingen van het hof dat 1) de GI door de onwillige houding van de vader niet aan het contactherstel tussen de vader en de minderjarige kan werken (een doel van de ondertoezichtstelling) en dat 2) plaatsing bij de vader niet meer aan de orde is. Wat die eerstgenoemde overweging betreft, geldt nog dat de houding van de vader ten opzichte van de GI daarbij dus een door het hof meegewogen omstandigheid is. Niet valt dus in te zien waarom het de GI zou zijn die beslist over de procespositie van de vader.
vierde klachtdat het recht op
family lifetussen de vader en de minderjarige als vanzelfsprekend wordt geraakt, nu de uithuisplaatsing bij de vader is geëindigd en de minderjarige elders uit huis is geplaatst. Uit de beoordeling van het hof blijkt immers voldoende duidelijk dat een plaatsing bij de vader ten tijde van de beoordeling door de kinderrechter in september 2023, anders dan in juni 2023, niet meer aan de orde was. Al door de beschikkingen van 14 en 21 juni 2023 was een einde gekomen aan het kortstondige verblijf van een paar weken van de minderjarige bij de vader. In de procedure in september 2023 lag, wat de machtiging tot uithuisplaatsing betreft, ook alleen het verzoek van de raad om de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een netwerkpleeggezin voor de duur van zes maanden voor. [38] De rechtbank had de vader, nu hij geen belanghebbende was, immers niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken om afwijzing van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in het netwerkpleeggezin en om een ambtshalve machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader, nog daargelaten dat de wet voor laatstgenoemd verzoek geen grondslag biedt. [39]
family lifevan de vader met de minderjarige niet rechtstreeks wordt geraakt door de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing en de beschikking van de kinderrechter dus bekrachtigd moet worden − rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd, slagen dan ook niet.