AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vader zonder gezag geen belanghebbende bij machtiging tot uithuisplaatsing
De rechtbank Overijssel behandelde een zaak waarin de Raad voor de Kinderbescherming een verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige had ingediend. De vader, die geen ouderlijk gezag heeft, verzocht om als belanghebbende te worden aangemerkt en stelde zich op het standpunt dat hij betrokken moest worden bij de besluitvorming over de uithuisplaatsing.
De kinderrechter stelde vast dat het ouderlijk gezag bij de moeder ligt en dat de minderjarige in een netwerkpleeggezin verblijft. De vader heeft op dat moment geen contact met de zoon, en het is onduidelijk of en hoe contactherstel zal plaatsvinden. Op grond van vaste jurisprudentie en het EVRM-artikel 8 overPro family life, kan een niet-gezaghebbende ouder alleen als belanghebbende worden aangemerkt wanneer sprake is van een family life dat door de procedure wordt geraakt.
Omdat er geen contact is en geen sprake is van family life, concludeerde de rechtbank dat de vader niet rechtstreeks wordt geraakt door de beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing. Daarom werd de vader niet als belanghebbende aangemerkt en werd hij niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken. De rechtbank benadrukte dat de hulpverlening gericht blijft op een veilige terugkeer van de minderjarige naar de moeder.
De beschikking werd uitgesproken door kinderrechter A. Flos op 11 september 2023 en schriftelijk vastgesteld op 4 oktober 2023. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open.
Uitkomst: De vader zonder gezag wordt niet als belanghebbende aangemerkt en is niet-ontvankelijk in zijn verzoeken omtrent de machtiging tot uithuisplaatsing.
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK OVERIJSSEL
locatie Almelo
team familie- en jeugdrecht
zaakgegevens: C/08/302011 / JE RK 23-1678
datum uitspraak: 11 september 2023
beschikking over procespositie vader bij het verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen de raad,
gevestigd te Almelo,
betreffende
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een geheim adres,
advocaat: mr. M.H.J. Booijink,
[minderjarige] , en
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
de gecertificeerde instelling,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Hengelo (Ov).
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl.
Het procesverloop
Op 5 september 2023 heeft de kinderrechter met [minderjarige] gesproken. Van dit gesprek zijn aantekeningen gemaakt.
Op 6 september 2023 is het verzoek met bijlagen van de raad ingekomen bij de griffie.
Op 7 september 2023 is een e-mailbericht van mr. de Gruijl ingekomen bij de griffie.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft op 11 september 2023 met gesloten deuren plaatsgevonden, gelijktijdig met het verzoek van de GI met zaaknummer C/08/298936 / JE RK 23-1273, waarvan afzonderlijk bij beschikking is beslist. Verschenen en gehoord zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat per videoverbinding;
- [naam 1] namens de raad; en
- [naam 2] namens de GI.
De feiten
Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.
[minderjarige] verblijft in een netwerkpleeggezin.
Bij beschikking van 20 juni 2023 is de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 13 september 2023. De kinderrechter heeft bij diezelfde beschikking ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] op het adres van opa moederszijde of van een ander persoon uit het brede netwerk van de moeder of de vader verlengd voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.
Het verzoek
De raad heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verzocht voor de duur van een jaar.
Tevens wordt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin verzocht voor de duur van zes maanden.
De beoordeling
Het standpunt van de vader
Namens en door de vader is verzocht om hem in deze procedure als belanghebbende aan te merken. De advocaat van vader stelt zich op het standpunt dat de vader in elk geval tot na afloop van de mondelinge behandeling als belanghebbende moet worden aangemerkt. Hij verzoekt in dat kader primair om afwijzing van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerkpleeggezin van de heer en mevrouw [naam 3] en een ambtshalve machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] op het adres van de vader. Subsidiair wordt verzocht om een bijzondere curator voor [minderjarige] , zodat er goed gekeken kan worden naar de wens van [minderjarige] . Ten aanzien van het nog openstaande verzoek van de GI tot toestemming wijziging in het verblijf (zaaknummer: C/08/298936 / JE RK 23-1273) wordt verzocht om afwijzing nu reeds door de raad onderhavig verzoek is ingediend. Tot slot stelt de vader niet te willen samenwerken met de GI. Hij wil best meewerken aan het opbouwen van contact met [minderjarige] , maar niet onder begeleiding van de GI. De vader stelt dat hij de begeleiding door BOR Humanitas als prettig heeft ervaren en daar opnieuw hulp van wil accepteren.
Ten aanzien van de procespositie van de vader
De kinderrechter beantwoordt eerst en in een de vraag of de vader als belanghebbende kan worden aangemerkt.
In artikel 798, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan ‘degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft’. De Hoge Raad heeft al meerdere keren geoordeeld dat het begrip belanghebbende als bedoeld in artikel 798, eerste lid, Rv strikt moet worden geïnterpreteerd. Wie als belanghebbende moet worden aangemerkt wordt bepaald door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en door de rechten of verplichtingen waarop deze persoon zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop deze persoon zich beroept rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt is die persoon in die zaak belanghebbende in de zin van art. 798 lidPro 1, eerste volzin, Rv (HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:488).
Vaststaat dat de vader niet het ouderlijk gezag uitoefent over het kind. Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat ook de niet-gezaghebbende ouder aangemerkt kan worden als belanghebbende, wanneer er sprake is van ‘family life’ zoals bedoeld in artikel 8 vanPro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de procedure op dat recht betrkeking heeft. De vader heeft op dit moment geen contact (meer) met [minderjarige] en het is evenmin duidelijk of, wanneer en op welke wijze er contactherstel gaat plaatsvinden. Gelet daarop is de kinderrechter van oordeel dat er niet kan worden gesproken van een procedure waarbij inbreuk wordt gemaakt op dit ‘family life’ zoals bedoeld in artikel 8 EVRMPro.
Bij het ontbreken van ‘family life’ (gezinsleven) wordt een vader zonder gezag in beginsel niet geraakt in zijn belangen door een ondertoezichtstelling. In het kader van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] dient te worden ingezet op intensieve hulpverlening in de thuissituatie bij moeder in de vorm van Gezinsfact, met als doel een veilige (gefaseerde) thuisplaatsing van [minderjarige] bij moeder. Gelet op het vorenstaande zal de kinderrechter de vader in deze fase van de procedure niet aanmerken als belanghebbende. Dit maakt ook dat de vader niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de namens hem gedane verzoeken.
Ten aanzien van het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
Bij afzonderlijke beschikking van heden (zaaknummer: C/08/302011 / JE RK 23-1678) heeft de kinderrechter beslist op het verzoek van de raad.
De beslissing
De kinderrechter:
bepaalt dat de vader in deze fase van de procedure nietals belanghebbende wordt aangemerkt;
verzoekt de griffier om vader, die informant is, wel een afschrift van deze beschikking te sturen.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Flos, kinderrechter, in tegenwoordigheid van A.G.M. Wispels als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2023. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 4 oktober 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden