Uitspraak
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
Blijkens het proces-verbaal heeft BJZ ter zitting van het hof verklaard:
4.Beslissing
1 november 2013.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak ging het om een verzoek tot wijziging van de omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige kind, alsmede om vervangende toestemming voor medische behandeling. De rechtbank had de omgangsregeling gewijzigd en toestemming verleend voor medische behandeling, waarna het hof deze beslissing bekrachtigde. Het hof had de minderjarige uitgenodigd om zijn mening kenbaar te maken, maar deze uitnodiging was niet doorgekomen en de minderjarige was niet gehoord.
De vader stelde cassatie in tegen het hofbesluit, waarbij werd betoogd dat de minderjarige, die ouder was dan twaalf, een reële mogelijkheid had moeten krijgen om zijn mening te uiten. De Hoge Raad overwoog dat de wet (art. 809 Rv Pro) vereist dat de minderjarige in de gelegenheid wordt gesteld zijn mening te geven, tenzij sprake is van een zaak van kennelijk ondergeschikt belang of onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarige.
De Hoge Raad stelde dat het hof onjuist had geoordeeld dat de minderjarige niet opnieuw hoefde te worden uitgenodigd omdat het horen niet tot een andere beslissing zou leiden. Ook was de motivatie van het hof onvoldoende om ervan af te zien de minderjarige te horen, ondanks de door BJZ genoemde angststoornis. Daarom vernietigde de Hoge Raad het hofbesluit en verwees de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofbesluit en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing.