Conclusie
curator)
1.[vennoot 1] (hierna: [vennoot 1] )
[vennoot 2])
vennoten)
vennootschap) hield zich bezig met zorg en verpleging, die zij namens cliënten declareerde. Zij is gefailleerd nadat aan haar betaalde gelden (in totaal ongeveer € 750.000) werden teruggevorderd wegens onregelmatigheden, onder andere op het vlak van declaraties en de kwaliteit van de zorg. De curator heeft vorderingen ingesteld tegen de vennoten, mede op basis van een
Peeters q.q./Gatzen-actie. In hoger beroep zijn, anders dan in eerste aanleg, de vorderingen van de curator afgewezen. Daartegen komt de curator in cassatie op, m.i. zonder succes. Ik leg uit waarom.
1.Feiten
arrest).
Samen14). In die overeenkomst is bepaald dat de samenwerking is gestart per 1 januari 2019. Op 16 januari 2019 is Samen14, onder leiding althans op initiatief van toezichthouders van de gemeente Enschede, een onderzoek gestart naar de vennootschap. De bevindingen van dat onderzoek zijn op 2 mei 2019 in een rapport vastgelegd. Op basis van die bevindingen heeft Samen14 eerst haar verplichtingen opgeschort en vervolgens in een brief van 9 september 2019 de raamovereenkomst ontbonden per 21 oktober 2019. De gemeente Enschede heeft haar terugvordering op basis van de buitengerechtelijke ontbinding berekend op € 146.443,84.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) een procedure tegen de vennoten aanhangig gemaakt. Daarin heeft de curator, zoals in rov. 4.1 van het arrest “sterk samengevat” (in cassatie onbestreden), het volgende gevorderd:
vonnis). De rechtbank heeft de vorderingen van de curator deels toegewezen, onder andere door de vennoten hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de curator van het gehele faillissementstekort. Het dictum luidt als volgt, voor zover in cassatie van belang:
rov. 5.3.8-5.3.18.
rov. 5.3.19-5.3.32.
rov. 5.4.1-5.4.4.
rov. 5.5.1-5.5.4.
MvG).
MvA).
rov. 5.1 [3] duidt het hof de inzet van het hoger beroep van de vennoten, aldus dat de toegewezen vorderingen van de curator alsnog worden afgewezen en dat hij wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat de vennoten op grond van het vonnis hebben betaald. Vervolgens duidt het hof de inzet van het hoger beroep van de curator, aldus dat de door de rechtbank afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.
rov. 5.2-5.3 [4] geeft het hof de vorderingen van de curator en de grondslagen daarvan weer, gevolgd door het oordeel dat die vorderingen niet toewijsbaar zijn. Ik citeer:
rov. 5.4voegt het hof daaraan het volgende toe. De curator heeft eerst ter mondelinge behandeling in hoger beroep ook een beroep gedaan op art. 18 WvK Pro. Daarop gegronde vorderingen kunnen niet alsnog worden ingesteld tijdens de mondelinge behandeling, gezien de tweeconclusieregel. Anders dan de curator heeft betoogd, mag het hof die bepaling (ook) niet ambtshalve toepassen. Want art. 25 Rv Pro kan niet leiden tot het ambtshalve onderzoeken en toewijzen van vorderingen die niet zijn ingesteld, en in dit geval zijn vorderingen tot nakoming door de vennoten van individuele verbintenissen van de vennootschap door de curator niet (tijdig) ingesteld. Bovendien is niet gebleken dat de curator per individuele schuldeiser voor wie hij een zodanige vordering instelt, op de daartoe vereiste wijze is gelegitimeerd (bijvoorbeeld op basis van een machtiging). Art. 68 Fw Pro biedt daartoe niet de bevoegdheid.
rov. 5.5 [7] gaat het hof als volgt verder. De curator heeft de vorderingen op grond van onrechtmatige daad gebaseerd op de zogenoemde
Peeters q.q./Gatzen-rechtspraak. In het
Peeters q.q./Gatzen-arrest [8] is door de Hoge Raad beslist dat een faillissementscurator bevoegd is (op grond van art. 68 lid 1 Fw Pro) voor de belangen van schuldeisers op te komen bij benadeling van schuldeisers door de gefailleerde en dat in zo’n geval onder omstandigheden ook plaats kan zijn voor het geldend maken door een curator in het belang van de gezamenlijke schuldeisers van een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad tegen een derde die bij de benadeling van schuldeisers betrokken is, ook al kwam een dergelijke vordering uiteraard niet aan de gefailleerde zelf toe. De opbrengst van een zodanige door een curator geldend gemaakte vordering valt in de boedel en komt dus de gezamenlijke schuldeisers ten goede in de vorm van een toename van het overeenkomstig de uitdelingslijst te verdelen boedelactief. Een vordering voor een groep schuldeisers of voor een individuele schuldeiser die niet ertoe strekt (“is bedoeld”) het boedelactief ten behoeve van alle schuldeisers te vermeerderen, valt buiten de grenzen van de in art. 68 lid 1 Fw Pro aan een curator gegeven opdracht, terwijl ook overigens in de Faillissementswet daarvoor geen grondslag valt te vinden. [9] Dit wordt niet anders als een curator voornemens is de opbrengst van de door hem ingestelde vordering in de boedel te laten vallen. [10]
rov. 5.6vat het hof dan samen welke verwijten de curator concreet maakt aan het adres van de vennoten, te weten:
rov. 5.7, [11] dat voor het slagen van een
Peeters q.q./Gatzen-actie nodig is dat de gefailleerde daarbij betrokken was. In
rov. 5.8licht het hof vervolgens toe: dat de curator niet (toereikend) heeft onderbouwd dat en hoe de vennootschap door de, volgens de curator, gebrekkige inrichting van haar administratie de gezamenlijke schuldeisers heeft benadeeld; en dat het hof de door de curator bepleite analogie met art. 2:248 lid 2 BW Pro in verbinding met art. 2:10 BW Pro en met art. 2:9 BW Pro niet volgt. In
rov. 5.9laat het hof daarop volgen dat, los van de gebrekkige juridische onderbouwing van zijn vordering op dit punt, de curator ook feitelijk onvoldoende heeft onderbouwd dat niet voldaan is aan de administratieplicht van, in dit geval, art. 3:15i BW. De conclusie is, aldus het hof in
rov. 5.10, dat het beroep op art. 6:162 BW Pro faalt voor zover het op schending van de administratieplicht is gestoeld. En dat grief II van de curator dus faalt.
rov. 5.11 [12] legt het uit dat in de onderhavige procedure (dus in de verhouding curator-vennoten) niet vaststaat dat, en in hoeverre, Menzis en de gemeente Enschede/Samen14 (terug)vorderingen hebben op de vennootschap wegens te veel of onterecht gedeclareerde zorg. En dat de curator niet voldoende concreet en specifiek bewijs van die vorderingen heeft aangeboden, wat wel op zijn weg lag gelet op de onderbouwde betwistingen door de vennoten. Daaraan voegt het hof in
rov. 5.12toe dat reeds op dit niet-vaststaan van die vorderingen de daarop gebaseerde
Peeters q.q./Gatzen-actie vastloopt. En dat ook als die vorderingen wel zouden hebben vastgestaan, niet valt in te zien dat dan sprake is van een onrechtmatige daad jegens alle schuldeisers overeenkomstig het
Peeters q.q./Gatzen-arrest. Want wat de curator heeft aangevoerd, neerkomend op die lijn van (analogie met) bestuurdersaansprakelijkheid waarin het hof niet meegaat, is daartoe ontoereikend: de gestelde ernstig tekortschietende wijze waarop de vennoten de vennootschap hebben “bestuurd”, kan niet op één lijn worden gesteld met de specifieke benadelingshandeling die nodig is voor het kunnen instellen van een “Peeters/Gatzen-vordering”. Daarop laat het hof in
rov. 5.13volgen dat de vennoten het argument van de curator dat zij onvoldoende adequaat hebben gereageerd op de stopzetting van betalingen door Menzis overigens voldoende gemotiveerd hebben weersproken. Dat de curator onvoldoende heeft onderbouwd waarom het onrechtmatig is dat de vennoten naar de ingewonnen (juridische) adviezen hebben gehandeld. En dat de curator evenmin voldoende heeft onderbouwd dat en wanneer de vennoten zelf het faillissement hadden moeten aanvragen. Grief II van de vennoten slaagt, aldus
rov. 5.14. [13]
rov. 5.20-5.21gaat het hof nog in op ad (v), oftewel de (subsidiair) door de curator aan de vennoten verweten onrechtmatige selectieve betalingen verband houdend met ‘onttrekkingen’ door de vennoten in januari tot en met april 2019 van in totaal € 16.000 per vennoot. Dit betoog van de curator strandt al op het gegeven dat de vennoten voornoemde vorderingen van Menzis en de gemeente Enschede/Samen14 gemotiveerd hebben betwist en die vorderingen in deze procedure niet zijn komen vast te staan. Daarmee staat dan ook niet vast dat, zoals betoogd door de curator, de vennoten konden voorzien dat het onderzoek negatief voor hen zou uitpakken en er in 2019 geen winsten zouden worden behaald. Grief I van de vennoten treft doel, zo ligt besloten in rov. (5.15-5.19 en) 5.20-5.21. [14]
rov. 5.23 [15] concludeert het hof dat het hoger beroep van de vennoten slaagt en van de curator faalt. Gevolgd door het dictum in
rov. 6, samengevat onder 2.11 hiervoor.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
vof) bevoegd is te ageren tegen vennoten van die vof met een “Peeters/Gatzen-vordering” die gebaseerd is op art. 18 WvK Pro;
vraag a.
Peeters q.q./Gatzen-arrest van de Hoge Raad. [16] Die “vordering” kan worden gebaseerd op
ieder typeonderliggende vordering, aldus de curator, mits deze wordt gehouden door de gezamenlijke schuldeisers (nr. 2.7).
uit onrechtmatige daadwegens schuldeisersbenadeling niet ‘de alfa en de omega’ behoeft te zijn van de uit art. 68 lid 1 Fw Pro voortvloeiende bevoegdheid van een curator om met een
Peeters q.q./Gatzen-actie ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement te ageren. [17] Maar ik zie onvoldoende goede redenen het door de curator in algemene zin gepropageerde ruime toepassingsbereik van deze actie (en dus ook de bevoegdheid daartoe van een curator) aan te nemen, of de door hem verdedigde specifiek op art. 18 WvK Pro gebaseerde
Peeters q.q./Gatzen-actie voor mogelijk te houden. Een implicatie daarvan is, kort en goed, dat als een curator art. 18 WvK Pro in stelling wil brengen dit (in ieder geval) niet kan lopen over de route van voornoemde actie. M.i. moet vraag a dus ontkennend worden beantwoord. Daarop strandt het onderdeel dus al. Ik licht dit toe onder 3.6.5-3.6.16 hierna.
Peeters q.q./Gatzen-arrest [19] is aangenomen dat daarbij onder omstandigheden ook plaats kan zijn voor het geldend maken, via een daartoe strekkende rechtsvordering (het processuele middel), van een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad tegen een derde die bij die benadeling was betrokken: de
Peeters q.q./Gatzen-actie. [20] Ik licht enkele punten uit die rechtspraak uit. [21]
Peeters q.q./Gatzen-actie niet worden bewerkstelligd. Het gaat hier immers om het opkomen door een curator voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers, dat wil zeggen: de groep schuldeisers als eenheid gedacht, niet alle individuele schuldeisers.
Peeters q.q./Gatzen-actie instelt, plaats zou zijn voor een onderzoek omtrent de individuele positie van elk van de betrokken schuldeisers. Want het gaat hier vooreerst om verhaal van door de schuldeisers gezamenlijk geleden schade. In het verlengde daarvan is wel aanvaard dat een aangesproken derde tegenover een curator niet gebruik kan maken van alle verweren die hem wellicht tegenover bepaalde individuele schuldeisers ten dienste zouden hebben gestaan. Dit vanwege het collectieve belang dat is betrokken bij de onderhavige bevoegdheid van een curator.
Peeters q.q./Gatzen-arrest herleidt de Hoge Raad de bevoegdheid van een curator tot dit geldend maken van die vordering tot schadevergoeding tot art. 68 lid 1 Fw Pro. Daarbij is geen bezwaar dat die vordering tot schadevergoeding, waarmee wordt gedoeld op een vorderingsrecht (de materieelrechtelijke aanspraak, de vordering als vermogensbestanddeel), toekomt aan de gezamenlijke schuldeisers. Die vordering tot schadevergoeding is immers gegrond op de benadeling van de gezamenlijke schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden door het handelen van de latere gefailleerde en de betrokken derde.
Peeters q.q./Gatzen-actie, valt wél in de boedel. [22] Die opbrengst strekt immers tot herstel van de verhaalsmogelijkheden van de gezamenlijke schuldeisers, dat wil zeggen hun verhaalsmogelijkheden binnen het kader van het faillissement. Men kan ook zeggen: die opbrengst strekt tot herstel van de aangetaste boedel. Dáárom brengt de in art. 68 lid 1 Fw Pro bedoelde opdracht aan een curator mee dat hij ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers die vordering tot schadevergoeding kan innen en dus ook de voldoening daarvan in rechte kan vorderen.
Peeters q.q./Gatzen-actie in verhouding tot de schuldeisers in het faillissement zonder last en ruggespraak kan instellen. Een curator is hierbij belangenbehartiger, maar er zijn geen reële aanwijzingen dat hij daarbij namens de gefailleerde of de schuldeisers optreedt als vertegenwoordiger
sensu stricto(in de zin van art. 3:66 lid 1 BW Pro in verbinding met art. 3:78 BW Pro). Kortmann formuleert het aldus: [24]
Peeters q.q./Gatzen-actie valt op als atypisch. Maar het bestaan ervan valt meteen ook op de plaats als de verwantschap tussen deze actie en de faillissementsrechtelijke pauliana-actie van art. 42-51 Fw in beschouwing wordt genomen. [26] Laatstgenoemde actie is in wezen niets anders dan een variant van de remedie die aan schuldeisers toekomt en berust op hun materieelrechtelijke aanspraak (art. 3:45 BW Pro). Ook dáár geldt bijvoorbeeld: (i) dat de gefailleerde logischerwijs niet zelf de desbetreffende aanspraak had en ook niet aldus kon ageren; (ii) dat een curator deze actie zonder overleg met schuldeisers kan instellen (art. 49 lid 1 Fw Pro) en daarbij (ook) niet optreedt als hun vertegenwoordiger
sensu stricto, [27] terwijl zij buiten het faillissement ook zelf kunnen ageren; [28] en (iii) dat de opbrengst van deze actie in de boedel valt (art. 51 lid 1 Fw Pro).
Peeters q.q./Gatzen-actie onderstreept. Ik citeer weer Kortmann, nu met mijn cursivering: [29]
De Hoge Raad biedt hiernaast een andere mogelijkheid tot herstel van de aangetaste boedel: de vordering uit onrechtmatige daad.(Van Schilfgaarde redeneert iets anders, maar niet heel verschillend. Hij geeft aan dat aan het begrip “boedel” ook een functionele betekenis moet worden gegeven. Zie zijn noot onder HR 24 april 2009, NJ 2009/416 (Dekker/Lutèce).) [30] In deze benaderingen past naadloos dat de curator op grond van de hem in art. 68 lid 1 Fw Pro gegeven opdracht tot beheer en vereffening van de failliete boedel deze vordering kan instellen.”
actio Pauliana[tijdens faillissement als geregeld in art. 42-51 Fw, A-G]. In HR 14 januari 1983,
NJ1983/597, m.nt. BW (
Peeters q.q./Gatzen) heeft de Hoge Raad (voor het eerst) aanvaard dat de curator bevoegd is een vordering uit onrechtmatige daad in te stellen tegen een derde die bij de benadeling van schuldeisers door de (latere) gefailleerde was betrokken (…). (…) Het doel van de Peeters q.q./Gatzen-vordering is gelijk aan dat van de
actio Pauliana. Ook de Peeters q.q./Gatzen-vordering strekt ertoe de benadeling van schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden ongedaan te maken en aldus de omvang van het vermogen van de schuldenaar te herstellen, dat wil zeggen terug te brengen in de staat waarin het zich voorafgaand aan de onrechtmatige daad bevond. (…) Evenals bij de
actio Paulianakan bij een Peeters q.q./Gatzen-vordering de benadeling van schuldeisers zijn gelegen in een vermindering van het actief van de schuldenaar, een vermeerdering van diens passief of een verstoring van de
paritas creditorum, het teweegbrengen van een wijziging in de tussen de schuldeisers bestaande rangorde. (…) het moet een vorm van generieke verhaalsbenadeling betreffen die met een actie tot herstel van de failliete boedel kan worden geredresseerd (…). De curator kan slechts uit onrechtmatige daad ageren wanneer er sprake is van een aantasting van het voor verhaal vatbare vermogen van de schuldenaar, een vorm van benadeling waarvan in beginsel alle schuldeisers nadeel kunnen ondervinden.”
Peeters q.q./Gatzen-actie, in termen van afbakening, niet geheel zonder rafelrandjes. [32] Enerzijds is de Hoge Raad-rechtspraak over deze actie, bijeengenomen, niet onduidelijk. Anderzijds blijft onderwerp van discussie welke ruimte een curator daarbij, via art. 68 lid 1 Fw Pro, precies toekomt. [33] Behoudens een wettelijke regeling, die bij de huidige stand van zaken vooralsnog niet te verwachten valt, kunnen de ‘witte vlekken’ alleen rechtsprekenderwijs en wel met enige behoedzaamheid worden ingekleurd.
Peeters q.q./Gatzen-actie (en dus ook de bevoegdheid daartoe van een curator) in uitgangspunt en kort gezegd te beperken tot die gevallen waarin een curator ageert, via een daartoe strekkende rechtsvordering, op grond van (a) een vordering tot schadevergoeding [34] (b) tegen een of meer derden die waren betrokken (c) bij de benadeling (door de latere gefailleerde) van de gezamenlijke schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden, [35] bijvoorbeeld door (medewerking aan) onzakelijke transacties waarbij activa het vermogen van de schuldenaar verlaten. Dit is een wezenlijk andere benadering dan die waarin dit bereik zich in uitgangspunt uitstrekt tot elke (hypothetisch) denkbare actie waarbij een curator de belangen van de gezamenlijke schuldeisers zou behartigen, zoals bedoeld in het onderdeel. Bij dit laatste zou de
Peeters q.q./Gatzen-actie conceptueel losgezongen raken van de aangetaste boedel (waardoor de gezamenlijke schuldeisers zijn benadeeld) en herstel daarvan door tussenkomst van een curator, terwijl deze actie - gelijk de faillissementspauliana - van meet af aan toch juist dáárom scharniert. En zou, in het verlengde daarvan, het reële gevaar ontstaan dat aldus buiten de oevers wordt getreden van de aan een curator gegeven opdracht tot beheer en vereffening van de failliete boedel als bedoeld in art. 68 lid 1 Fw Pro. Ik kan daarvoor, het verrast eigenlijk ook niet, geen steun ontdekken in (Hoge Raad-)rechtspraak of doctrine.
Peeters q.q./Gatzen-actie die gebaseerd is op (de verschillende vorderingen die de schuldeisers hebben uit hoofde van) art. 18 WvK Pro. Zóver strekt het toepassingsbereik van deze actie zich niet uit. Daarbij betrek ik ook dit. [36]
burgerlijkeen
commerciële; de laatste zijn òf onder eene firma opgerigt [een vof, A-G], òf bij wijze van geldschieting, òf eindelijk bij deelneming. Alle deze soorten en hare onderdeelen komen daarin overeen, dat een derde, die met de vennootschap handelt, steeds een of meer personen moet aantreffen, die in hun persoon en
in alle hunne goederenvoor de daden en verbindtenissen der maatschap aansprakelijk zijn. (…) Bij commerciële vennootschappen
onder eene firmazijn alle de vennooten hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk (…). (…) Uit dit een en ander volgt, dat op hoedanige wijze eene maatschap ook moge zijn opgerigt, de derde steeds zijnen waarborg vindt
in den persoonen in
de goederenvan een of meer aan hem bekende lieden, en dat derhalve die derde, vóór dat hij de handeling sluit, naar mate van het vertrouwen, dat de vennooten hem inboezemen, in staat is zich te beraden, of hij al dan niet de verbindtenis wil aangaan. (…).”
Peeters q.q./Gatzen-actie. De (beschermings)strekking van art. 18 WvK Pro is niet gelijk aan, of vergelijkbaar met, die van deze actie. In zo’n geval ontbreekt dan logischerwijs ook de door de Hoge Raad onderkende rechtvaardiging waarom de in art. 68 lid 1 Fw Pro bedoelde opdracht aan een curator meebrengt dat hij ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers deze actie, met alle consequenties van dien, kan instellen. Kortom: zo’n geval is zodanig ver verwijderd van de onder 3.6.11 hiervoor in uitgangspunt geschetste contouren van een
Peeters q.q./Gatzen-actie dat dit geval, gezien ook (Hoge Raad-)rechtspraak en doctrine, zonder twijfel valt buiten het toepassingsbereik van deze actie en dus ook de bevoegdheid daartoe van een curator.
vraag b.
overeenkomstig het arrest Peeters/Gatzen” (rov. 5.12, derde zin); en dat “[v]oor het slagen
van een Peeter[s]/Gatzen vorderingeen benadelingshandeling van de failliet en een derde [is] vereist waardoor alle schuldeisers schade lijden” (rov. 5.12, voorlaatste zin). Het hof werpt de curator daar ook helemaal niet tegen dat niet (is betoogd en/of vaststaat dat) álle schuldeisers zijn benadeeld. Kortom: het hof gebruikt enigszins afwijkende - en wellicht minder gelukkige - bewoordingen, maar heeft daarmee kenbaar niets anders op het oog dan volgt uit het
Peeters q.q./Gatzen-arrest van de Hoge Raad.
Peeters q.q./Gatzen-actie vereiste benadeling van schuldeisers door de gefailleerde en de betrokken derde(n). [57] Zie ook onder 3.11.2 hiervoor.
klacht a.
zorgadministratie niet op orde had en dat dit de oorzaak is geweest van het intreden van het faillissement en de benadeling van de schuldeisers daarin. Dit is
klacht b.
klacht a.
rov. 5.8oordeelt het hof, samengevat, dat het geen aanleiding ziet voor de door de curator bedoelde toepassing naar analogie van art. 2:248 lid 2 BW Pro in verbinding met art. 2:10 BW Pro en ook van art. 2:9 BW Pro. Dit oordeel berust erop dat een vof geen kapitaalvennootschap en zelfs geen rechtspersoon is, dat haar vennoten geen bestuurders zijn en dat art. 18 WvK Pro de mogelijkheid biedt de vennoten aan te spreken. Dit oordeel, dat dus niet berust op wat volgens het hof de reikwijdte is van art. 3:15i BW, wordt - het zij genoteerd - in cassatie
nietbestreden. In
rov. 5.9gaat het hof dan slechts ten overvloede nog in op art. 3:15i BW. Het stelt daarin immers voorop, onder verwijzing naar rov. 5.8, dat de juridische onderbouwing van de vordering van de curator ter zake dus gebrekkig is. “Los” daarvan, aldus het hof, is het “van oordeel dat de curator ook feitelijk onvoldoende heeft onderbouwd dat niet voldaan is aan de administratieplicht van, in dit geval, artikel 3:15i BW.” In
rov. 5.10bereikt het hof de conclusie “dat het beroep op [art.] 6:162 BW faalt voor zover het op deze grond (schending administratieplicht) is gestoeld.”
de rechten en verplichtingenvan, wat ik kortheidshalve noem, ‘de ondernemer’ kunnen worden gekend. Dáártoe moet volgens de tekst een en ander worden geadministreerd. [61] Ik constateer dat naar de letter hiervan evident niet integraal hieronder kan worden geschaard wat de curator allemaal tot de ‘zorgadministratie’ rekent, waaronder de diagnoses, indicatiebesluiten en begeleidings- en zorgplannen voor het verlenen van zorg aan cliënten, alsook een systeem om de kwaliteit van de verleende zorg te monitoren. [62]
klacht b.
geenverwijt te maken is voor de wijze waarop de Menzis-zorg en de Samen14-zorg is verleend en gedeclareerd. [71] Dit is
klacht a.
klacht b.
klacht c.
welkeonderzoeken zijn uitgevoerd. Die uitleg van dit aanbod is al zeer onwelwillend ten aanzien van het bewijsaanbod dat is gedaan in de MvA, nr. 130 (“verklaren over het onderzoek dat is uitgevoerd”), maar is zeker onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd waar het gaat over het bewijsaanbod uit de MvA, nr. 129 (verwijzing naar het bewijsaanbod uit nr. 53 van de inleidende dagvaarding, waarin wordt aangeboden te laten “verklaren omtrent het onderzoek dat (…) is verricht en de conclusies die daaruit naar voren zijn gekomen”). Dit is
klacht d.
klacht a.
geenverwijt te maken is voor de wijze waarop de Menzis-zorg en de Samen14-zorg is verleend en gedeclareerd, mist de klacht eveneens feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Van zo’n oordeel is geen spoor te vinden in het arrest, ook niet in rov. 5.11. [77] De “klassieke redeneerfout” die de klacht het hof tracht aan te wrijven, doet zich in werkelijkheid dus niet voor.
klacht b.
klacht c.
Peeters q.q./Gatzen-actie (ook) vereist is dat de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld.
klacht d.
welkeonderzoeken zijn uitgevoerd. Daarin onderkent het hof dat de curator mede bewijs heeft aangeboden omtrent “de vordering die als gevolg daarvan door de Gemeente Enschede tegen de VOF is ingesteld”. En maakt het te dien aanzien duidelijk dat dit bewijsaanbod niet ter zake dienende is, omdat de (gestelde) vordering van de gemeente Enschede/Samen14 al bekend is. Bovendien onderkent het hof daarbij ook dat de curator heeft aangeboden de vennoten als getuigen te horen, maar zonder aan te geven over welke stelling.
[betrokkene 1]) aan het lijntje zijn gehouden en dat bij elk nieuw informatieverzoek werd aangegeven dat na ontvangst van de gevraagde stukken het onderzoek op korte termijn zou worden afgerond en de betalingen weer hervat zouden worden. [82] De curator heeft daarentegen gesteld, mede op basis van gesprekken met [betrokkene 1], dat de communicatie met de vennoten bij ([betrokkene 1] namens) Menzis de indruk juist heeft versterkt dat er veel mis was binnen de vennootschap. En heeft - net als de vennoten [83] - aangeboden [betrokkene 1] als getuige te doen horen. [84] De getuigenverklaring van [betrokkene 1] werd daarmee door beide partijen van belang geacht voor hun stellingen en zou ook tot een ander oordeel hebben kunnen leiden, nu bij bevestiging van het verhaal van de curator zou zijn gebleken dat de vennoten niet ervan mochten uitgaan dat zij rustig de uitkomsten van het onderzoek van Menzis konden afwachten in het vertrouwen dat naderhand de betalingen weer zouden worden hervat (al dan niet in de vorm van een minnelijke oplossing). [85] Dit een en ander, met (a) hiervoor, is
klacht a.
klacht b.
éneen of meer klachten gericht tegen rov. 5.12, met betrekking tot de vraag of voldaan is aan de voorwaarden voor een
Peeters q.q./Gatzen-actie, slagen. Alleen indien rov. 5.11
énrov. 5.12 niet standhouden, kan immers (eventueel) relevantie toekomen aan de in rov. 5.13 centraal gestelde vraag of de vennoten verwijtbaar zijn omgesprongen met de stopzetting van betalingen door Menzis, zoals ook het woord “overigens” in rov. 5.13, eerste zin indiceert. De tegen rov. 5.11-5.12 gerichte klachten slagen m.i. evenwel niet. Zie onder 3.11-3.11.2 en 3.13-3.28 hiervoor. Dit betekent dat het onderdeel reeds bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden.
klacht a.
Bewijs en bewijsaanbod (principaal en incidenteel appel)”. Hij biedt daarin aan [betrokkene 1] te horen als getuige, maar dan slechts omdat hij “kan verklaren over het onderzoek dat door Menzis is uitgevoerd”. Enig kenbaar verband met dit nr. 37 (waarin ook niet wordt verwezen naar die nrs. 129-130) wordt daarbij niet gelegd. [90]
klacht b.
voldoende gemotiveerd weersproken(MvG 5.3.15 e.v.). Zij hebben uiteengezet op welke wijze zij
aan het onderzoek door Menzis hebben meegewerkt, (…).”
op dat momentwisten of behoorden te weten omtrent de financiële toestand van de
vennootschap. Daarvoor is niet relevant, zoals het hof nu overweegt, welke vorderingen
op dit momentvaststaan jegens de
vennoten. Dit is
klacht a.
in 2019rekening ermee moesten houden dat de vennootschap onvoldoende verhaal zou bieden. Rov. 5.2.8 van het vonnis - zoals door de curator in hoger beroep aangehaald [94] - illustreert dit. De rechtbank plaatst daarin de selectieve betaling in de context van de op dat moment geldende omstandigheden. Die hielden onder meer in dat Menzis een onderzoek was gestart en aangaf geen declaraties meer te zullen betalen, als gevolg waarvan de inkomsten van de vennootschap wegvielen. [95] De redenering van het hof legt niet uit waarom de vennoten aan die omstandigheden niet de conclusie moesten verbinden dat zij geen onttrekkingen meer mochten doen (c.q. gaat aan deze essentiële stellingen van de curator voorbij). Het feit dat de accountant van de vennootschap de vordering van Menzis conform het voorzichtigheidsprincipe heeft opgenomen in de jaarrekening wijst (juist) ook in die richting. Dit is
klacht b.
klacht a.
jegens de vennoten. Daarin heeft het hof immers eveneens het oog op voornoemde (terug)vorderingen van Menzis en de gemeente Enschede/Samen14
jegens de vennootschap, waarvan het in rov. 5.11-5.12 al vaststelt dat die niet zijn komen vast te staan in de onderhavige procedure, dus in de verhouding curator-vennoten.
klacht b.
in 2019”) wisten of redelijkerwijze behoorden te begrijpen omtrent de financiële toestand van de vennootschap. Zie onder 3.37.1-3.37.4 hiervoor.
Peeters/Gatzen-vorderingen” ingesteld, maar ook zo’n vordering uit onrechtmatige daad vanuit het vermogen van de vennootschap. Deze vordering kan door de curator als beheerder van het vermogen van de vennootschap worden ingesteld. Dat de curator deze vordering heeft ingesteld, dat de vennoten deze zo konden opvatten en daadwerkelijk zo
hebbenopgevat, blijkt duidelijk uit de gedingstukken, waarna de volgende opsomming volgt.
Peeters q.q./Gatzen-actie. Dit omvat die primaire vordering onder c, met de geciteerde passage daarin. Uit het vervolg van het arrest blijkt, kort gezegd, dat het hof anders dan de rechtbank komt tot integrale afwijzing van die op voornoemde actie gebaseerde vorderingen uit onrechtmatige daad van de curator (zie rov. 5.5-5.14, 5.20-5.21 en 5.22-5.23). Waaronder dus die primaire vordering onder c, met voornoemde passage.
Peeters q.q./Gatzen-actie te onderscheiden, “vordering uit hoofde van onrechtmatige daad vanuit het afgescheiden vermogen van de vennootschap” heeft ingesteld als bedoeld in het onderdeel. Ik licht dit toe.
Peeters q.q./Gatzen-actie. [112] Dit sluit aan op de MvA [113] (zoals het hof ook signaleert in rov. 5.3, tweede zin). Dit sluit eveneens aan op de inleidende dagvaarding [114] (zoals het hof ook signaleert in rov. 5.3, eerste zin), en op hetgeen zijdens de curator is aangevoerd ter mondeling behandeling in eerste aanleg. [115] Blijkens de conclusie van antwoord en het bij laatstgenoemde mondelinge behandeling verhandelde, hebben de vennoten in eerste aanleg die op onrechtmatige daad gegronde vorderingen van de curator ook niet anders begrepen dan dat die zijn opgezet als voornoemde actie. [116] Het ligt dan ook voor de hand het petitum van de inleidende dagvaarding, hier in het bijzonder die primaire vordering onder c van de curator, [117] zo te verstaan dat deze in de sleutel staat van voornoemde actie. [118]
Peeters q.q./Gatzen-actie. En dit is ook precies het beeld dat de curator ter zake oproept in de MvA. [120] M.i. zit het hof in rov. 4.2 (dan) ook op die lijn, wat prima te volgen is.
Peeters q.q./Gatzen-actie. Zo’n benadering ligt ook niet in de rede, gezien dat partijdebat in eerste aanleg en rov. 5.4.1-5.4.4 van het vonnis: zie onder a-b hiervoor. [123] Het onderdeel wijst ook niet op enige vindplaats in de MvG, anders dan de titel van die grief. Uit voornoemd verweer blijkt dus niet van zo’n vordering (zie onder a hiervoor), noch trouwens dat volgens de curator de vennoten in die grief wel (ook) redeneren vanuit zo’n door hem ingestelde vordering; [124] hetzelfde geldt voor de rest van de MvA. Ook hier wijst het onderdeel niet op enige vindplaats in de MvA, anders dan de titel van voornoemd verweer.