Conclusie
lege artis) is gehandeld, maar ook door één of meer juristen van het ziekenhuis en/of de aansprakelijkheidsverzekeraar, die naar juridische maatstaven beoordelen of de claim terecht is en welk bedrag aan schadevergoeding moet worden betaald. In het kader van deze ‘buitengerechtelijke praktijk’ speelt met regelmaat de vraag wie welke medische gegevens mag raadplegen en onder welke voorwaarden. Concreet gaat het dan veelal over de inhoud van de zogeheten ‘medische machtiging’, een document waarin de patiënt toestemming verleent voor het delen, door (para)medische behandelaars, van bepaalde medische gegevens met bepaalde anderen. Ook over de vraag of die toestemming eigenlijk wel altijd noodzakelijk is voor het delen van medische gegevens in het kader van de buitengerechtelijke afhandeling van medische aansprakelijkheidsclaims, bestaat discussie. En als die machtiging noodzakelijk is maar uitblijft, is het ziekenhuis (ook) dan gehouden een standpunt in te nemen over de aansprakelijkheidsclaim?
1.Inleiding
Feiten
dat de medisch adviseur aan de betrokken medewerkers, adviseurs, schaderegelaars en arbeidsdeskundigen die ten behoeve van MediRisk werkzaam zijn, de medische gegevens verstrekt die voor behandeling van de schadekwestie van belang kunnen zijn.” [6]
laten verwerken door andere personen (schaderegelaars en/of andersoortige artsen/experts)”, daarvoor eerst – via haar advocaat – toestemming moet worden gevraagd aan patiënte. [7]
Procesverloop
procedure ten principale” als bedoeld in de laatstgenoemde bepaling en daarin is bovendien niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding, terwijl ook geen doorbrekingsgrond is ingeroepen. Deze procedurele verwikkelingen zijn in deze zaak niet meer van belang en laat ik dan ook rusten.
zonder toestemming van de patiëntis in een geval als dit niet toelaatbaar in het licht van art. 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: ‘EVRM’) en Verordening (EU) 2016/679, de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: ‘AVG’), zo betoogt zij.
De relatie met een recente vordering tot cassatie in het belang der wet (de inzagezaak)
lege artis) is verlopen. Omdat ik hierna nog verschillende malen naar deze zaak zal verwijzen, zal ik kortheidshalve spreken over ‘de inzagezaak’.
in beginselgéén inzagerecht uit hoofde van de AVG kan inroepen ten aanzien van het daaruit voortvloeiende medisch advies van de extern arts aan de aansprakelijkheidsverzekeraar. Een belangrijke rol daarbij speelt het recht van het ziekenhuis en/of diens aansprakelijkheidsverzekeraar op standpuntbepaling en voorbereiding van de verdediging in vrijheid en beslotenheid, dat moet worden afgewogen tegen het inzagerecht van de patiënt. Ik heb in de inzagezaak opgemerkt dat het eerste doorgaans zwaarder zal wegen, wat strookt met het beeld uit de lagere rechtspraak. [14] Deze bevindingen berusten niet op een wenselijkheidsoordeel mijnerzijds, maar op een onderzoek naar hoe het objectieve recht luidt.
naar een klimaat van wederzijds vertrouwen, transparantie en samenwerking.” [17] Aanbeveling 19 van de GOMA 2022 luidt onder meer: “
In het geval van een verzoek om schadevergoeding wisselen partijen onderling alle relevante feitelijke en medische gegevens uit.” Openheid is volgens GOMA 2022 dus inderdaad een belangrijke waarde. [18] Hoewel de GOMA 2022 geen recht is, ligt voor de hand dat partijen die zich daaraan hebben gecommitteerd in lijn met de daarin opgenomen principes handelen. [19] Overigens kan het ook in het belang van het ziekenhuis en/of diens aansprakelijkheidsverzekeraar zijn om een medisch advies zoals bedoeld in randnummer 1.12 met de patiënt te delen, omdat het de buitengerechtelijke afhandeling kan bespoedigen en een kostbare civiele procedure kan voorkomen, te meer indien er een serieuze kans is dat uiteindelijk zal komen vast te staan dat er een medische fout is gemaakt waarvoor het ziekenhuis aansprakelijk is. Dit brengt echter nog niet mee dat zo’n medisch advies met de patiënt
moetworden gedeeld.
enerzijdshet bestaan en de inroepbaarheid van rechten en bevoegdheden (in dit geval van de patiënt) en
anderzijdsde vraag of het vanuit praktisch oogpunt verstandig en wenselijk is dat zij worden ingeroepen. Deze aspecten vallen niet samen. Wat praktisch wenselijk wordt geacht, is relevant maar bepaalt niet zonder meer of een patiënt bepaalde rechten en bevoegdheden heeft die verband houden met de omgang met medische gegevens. Het gaat dan vooral om rechten en bevoegdheden uit hoofde van art. 8 EVRM Pro en de AVG, op grond waarvan een patiënt in de regel – met, zo zal blijken, beperkte uitzonderingen – kan voorkomen dat medische gegevens worden gedeeld. Deze zeggenschap van de patiënt kan de buitengerechtelijke afhandeling van medische aansprakelijkheidsclaims frustreren – sommigen spreken over “
excessief gebruik van privacyregels” [20] – maar daaruit volgt nog niet dat de rechten en bevoegdheden van de patiënt (zonder wettelijke grondslag) kunnen worden beperkt. Er kunnen – naast emoties – goede redenen zijn waarom de patiënt en/of zijn belangenbehartiger desondanks bezwaren heeft/hebben tegen de verstrekking van een medische machtiging of, meer in het algemeen, de informatiestromen in het kader van de buitengerechtelijke afhandeling van de claim. Zoals duidelijk zal worden, hoeven deze redenen niet zonder meer in de privacysfeer te liggen. Er lijkt meer aan de hand te zijn, in het bijzonder ook de vrees voor de verstrekking door het ziekenhuis van onvolledige en/onbetrouwbare informatie. Dat de zeggenschap van de patiënt over zijn medische gegevens in bepaalde gevallen tot vertraging of zelfs een impasse kan leiden, waarvan vooral de patiënt de gevolgen voelt, is op zichzelf nog geen reden om de patiënt die zeggenschap te ontnemen. Deze thematiek zal in het navolgende uitgebreider aan de orde komen.
persoonsgegevensworden verstrekt en niet
zonder meer– maar in bepaalde gevallen wel – vereist dat kopieën van documenten worden verstrekt. [22] Waar het om gaat, zo schreef ik, is dat “
de betrokkene kennis kan nemen van alle persoonsgegevens in ‘ruwe vorm’(…).” [23] Ik meen dat mijn opmerkingen overeenstemmen met wat het HvJ in het arrest van 4 mei 2023 heeft geoordeeld, te weten dat “
het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke een kopie te verkrijgen van de persoonsgegevens die worden verwerkt, inhoudt dat aan de betrokkene een getrouwe en begrijpelijke reproductie van al deze gegevens moet worden gegeven. Dit recht omvat het recht om een kopie te verkrijgen van uittreksels van documenten of zelfs van volledige documenten of databankuittreksels die onder meer die gegevens bevatten, indien de verstrekking van een dergelijke kopie onontbeerlijk is om de betrokkene in staat te stellen de hem bij deze verordening verleende rechten daadwerkelijk uit te oefenen, waarbij moet worden benadrukt dat daarbij ook rekening moet worden gehouden met de rechten en vrijheden van anderen.” [24] Dit oordeel brengt mee dat de verwerkingsverantwoordelijke zal moeten nagaan of de effectieve uitoefening van het inzagerecht door de betrokkene verlangt dat kopieën van (delen van) documenten – in de inzagezaak gaat het om een medisch advies – worden verstrekt.
Bevraging van de praktijk
Leeswijzer
2.De buitengerechtelijke afhandeling van medische aansprakelijkheidskwesties
Een schets van medische aansprakelijkheid, in het bijzonder bij ziekenhuiszorg
lege artisis gehandeld, maar ook om andere aspecten, zoals de vraag of sprake is van
informed consentaan de zijde van de patiënt. [31] Daarover hoef ik in deze zaak niet verder uit te weiden. Wel is van belang dat de beoordeling van medische aansprakelijkheidskwesties als relatief complex wordt beschouwd. [32] Dat houdt verband met het gegeven dat op (para)medische behandelaars in veel contexten een inspanningsverplichting rust en zeker niet altijd eenvoudig kan worden vastgesteld of zij zich voldoende hebben ingespannen, [33] met dien verstande dat (para)medische behandelaars zich in beginsel wel aan protocollen moeten houden en daaraan wel kan worden getoetst. [34] (Para)medische behandelaars moeten – niet zelden onder moeilijke omstandigheden, waartoe ik ook de alledaagse werkdruk reken – inschattingen en afwegingen maken die verkeerd kunnen uitpakken maar daarmee nog niet zonder meer ‘fout’ zijn. [35] Diagnostiek is in de eerste plaats niet altijd eenvoudig; het vaststellen van diagnostische fouten evenmin. [36] Behandelingen zijn uiteraard ook niet altijd eenvoudig. Er is dan ook een verschil tussen ‘fout gegaan’ (gesproken wordt over een ‘complicatie’) en ‘fout gedaan’ (een medische fout). [37] Tot slot is er in veel gevallen de moeilijkheid van het vaststellen van condicio-sine-qua-non-verband en schade, mede gelet op het feit dat de patiënt ten tijde van een behandeling vaak al gezondheidsklachten had. [38] Er lijkt in medische aansprakelijkheidskwesties dan ook met regelmaat veel ruimte te zijn voor discussie die gepaard kan gaan met de betrokkenheid van experts (en uiteenlopende bevindingen van dezen), waarmee het traject tijd en geld kost en kan leiden tot (emotionele) belasting voor de betrokkenen. Dat is een belangrijk onderdeel van de context waarin de problematiek van deze zaak moet worden geanalyseerd.
contractspartijis van de patiënt. [40] Voor de toepassing van afd. 7.7.5 BW is dat relevant, onder meer op het vlak van de ‘informatiehuishouding’ die in deze zaak centraal staat, zo zal blijken. Het gaat dan onder meer om de vraag wat de bepalingen over geheimhouding in art. 7:457 BW Pro, die verplichtingen opleggen aan de ‘hulpverlener’, nu precies betekenen: wie moet welke gegevens nu precies geheim houden ten opzichte van wie? Nauwkeurigheid is op dat punt dus wel geboden. Daarom merk ik het volgende op.
[n]adere analyse van de gesloten dossiers laat zien dat de stijging van de totale en gemiddelde schadelast wordt veroorzaakt door enkele dossiers met een exponentieel hoge schadelast.” [72] Omdat de totale schadelast vrij gering is, zullen enkele uitzonderlijk hoge claims [73] een sterke invloed kunnen hebben op de totaalcijfers. Het aantal ingediende schadeclaims met betrekking tot ziekenhuiszorg liet volgens de beschikbare cijfers in de periode van 2007 tot en met 2016 geen sterke stijging zien en bleef in de buurt van 1.500 à 1.600, terwijl de afgelopen jaren zelfs een belangrijke daling is te zien. [74] Die daling is wellicht toe te rekenen aan COVID-19, die onder meer de hoeveelheid electieve zorg aanzienlijk heeft doen verminderen. [75] Het is overigens mogelijk dat het totaal aantal claims in werkelijkheid een ander verloop kent omdat meer claims door ziekenhuizen zelf worden afgedaan, mede in het licht van de Wkkgz. [76] Voor de opkomst van een ‘claimcultuur’, die overigens niet zonder meer negatief moet worden gewaardeerd, [77] bestaat al met al onvoldoende bewijs. [78]
Claimafhandeling door de aansprakelijkheidsverzekeraar
lege artis) is gehandeld en, zo niet, of de patiënt schade heeft geleden als gevolg daarvan. [82] Ook patiënten en hun belangenbehartigers schakelen soms medisch adviseurs in om het medische dossier te laten beoordelen. [83]
beoordelen welke medische informatie relevant is voor het kunnen vaststellen van eventuele aansprakelijkheid, causaal verband en schade. Vervolgens dienen zij op basis van de verkregen medische informatie het handelen van de hulpverlener naar maatstaven van de professionele standaard te beoordelen evenals de gezondheidstoestand van de patiënt.” [84] Zij nemen daartoe kennis van medische stukken en winnen medische inlichtingen in. Ziekenhuizen en/of verzekeraars vragen patiënten standaard om het invullen van een ‘medische machtiging’ op grond waarvan (in ieder geval) de medisch adviseur van de verzekeraar medische gegevens mag inzien. [85] De medische adviseur is onderworpen aan de Wet BIG en daarop gebaseerde regelgeving en is dus ook gebonden aan het beroepsgeheim van art. 88 Wet Pro BIG. Bovendien is er een professionele standaard voor medisch adviseurs. [86] Van zijn of haar bevindingen maakt de medisch adviseur een rapport op, een ‘medisch advies’. [87]
stukken, zal de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar toch onvermijdelijk kennis krijgen van wat er volgens de patiënt en de (para)medische behandelaar is voorgevallen en van de bevindingen van de medisch adviseur, neergelegd in het medisch advies (zie hiervoor). Het is praktisch ondenkbaar (indien niet ronduit onmogelijk) en ook bepaald onwenselijk dat de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar een claim voor wat betreft de medische kant van de zaak geheel ‘blanco’ behandelt. Dat is dan ook, als ik het goed zie, nauwelijks onderwerp van discussie. Wel onderwerp van discussie – getuige deze zaak – is of het voor een effectieve buitengerechtelijke afhandeling van een medische aansprakelijkheidsclaim (doorgaans) nodig is dat de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar (op grond van een afdoende medische machtiging) kennis kan nemen van
medische stukken. Dit thema bewaar ik voor later (zie randnummers 3.8 tot en met 3.10).
Claimafhandeling door het ziekenhuis
Voor zover de omvang van de verzochte schadevergoeding binnen het eigen risico van de arts of het ziekenhuis valt, zal de arts of het ziekenhuis het onderzoek naar de aansprakelijkheid echter zelf verrichten, waarbij een beoordeling plaatsvindt door een (‘ziekenhuis’)jurist.” [88] Overigens bieden verzekeraars in dit verband soms wel assistentie. [89] Ziekenhuizen die zelf (een deel van de) claims afhandelen, worden ‘zelfregelend’ genoemd.
effectieve en laagdrempelige klachten- en geschillenbehandeling”. Art. 13 tot Pro en met 17 Wkkgz hebben betrekking op ‘klachten’, art. 18 tot Pro en met 22 Wkkgz op ‘geschillen’, een onderscheid dat verderop zal worden besproken. Voor klachten geldt dat de zorgaanbieder in overeenstemming met cliëntenvertegenwoordigers een schriftelijke regeling voor de afhandeling van klachten moet vaststellen, waaraan bij algemene maatregel van bestuur nadere eisen kunnen worden gesteld (art. 13 Wkkgz Pro).
in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij onder de gegeven omstandigheden zijn klacht over een hem betreffende gedraging van de zorgaanbieder in het kader van de zorgverlening bij de zorgaanbieder indient.” [104]
tot in ieder geval € 25.000,–”. Daarmee wordt bedoeld dat zorgaanbieders verplicht zijn “
om aangesloten te zijn bij een door de sector zelf op te richten geschilleninstantie, die bindende uitspraken kan doen en een schadevergoeding kan toekennen van maximaal € 25.000,” [106] wat onverlet laat “
dat het zorgaanbieders en cliëntenorganisaties vrij staat desgewenst een hoger maximum bedrag met elkaar af te spreken.” [107] Bij een evaluatie van de Wkkgz in 2021 is dit aspect aan de orde gekomen en is geconstateerd dat de geschilleninstanties in hun reglementen hebben bepaald dat de vergoeding maximaal € 25.000 bedraagt. [108] De geschilleninstantie is niet exclusief bevoegd: het staat de klager vrij zich tot de gewone rechter in plaats van de geschilleninstantie te wenden. [109] Het benaderen van een geschilleninstantie is dus een optie die de klager moet worden geboden. Wordt die optie benut en komt de geschilleninstantie tot een uitspraak, dus een bindend advies, dan is de ruimte voor de gewone rechter om tot een ander oordeel te komen (zeer) beperkt. [110]
de zorgaanbieder de patiënt niet zonder daarover een standpunt in te nemen naar de schadeverzekeraar[kan]
doorverwijzen”, [113] wat raakt aan de derde prejudiciële vraag. Dat betekent echter nog niet dat dat standpunt altijd al een definitief oordeel over de aansprakelijkheid en de hoogte van de schadevergoeding moet omvatten, nog los van de vraag of dat in veel gevallen haalbaar zou zijn (vermoedelijk niet). Ik verwijs in dit verband naar randnummer 2.19, waar ik vermeldde dat het begrip ‘oordeel’ niet beperkt moet worden opgevat: een definitieve uitspraak over de gegrondheid van de klacht is niet zonder meer nodig, te minder indien tussen het ziekenhuis en de patiënt een gezamenlijke oplossing wordt bereikt. Een voor de klager en de zorgaanbieder bevredigende oplossing kán het betalen van schadevergoeding zijn, maar kan ook behelzen de “
gezamenlijke conclusie dat er meer tijd nodig is” en de afspraak dat de claim wordt afgehandeld door verzekeraar. [114] In complexe gevallen waarin de patiënt stelt een omvangrijke schade te hebben geleden, zal mijns inziens niet kunnen worden verlangd dat de zorgaanbieder binnen een bestek van ten hoogste tien weken (zie art. 17 Wkkgz Pro) tot een definitief oordeel over de claim komt. [115] Dat lijkt gelet op de wetsgeschiedenis ook niet de strekking van de Wkkgz. [116] Duidelijk is wel dat de Wkkgz niet toelaat dat de zorgaanbieder zich in stilzwijgen hult na ontvangst van een klacht. [117] Volgens mij kan van de zorgaanbieder dan ook in beginsel worden verlangd dat hij binnen de hiervoor vermelde termijn zo goed en zo kwaad als dat kan een inhoudelijk standpunt inneemt over de vraag of het gemaakte verwijt (geheel of gedeeltelijk) gegrond is, waarmee dan nog niet de claim in zijn geheel zal zijn afgehandeld.
3.Een nadere blik op de vraagstelling
preciesde kwesties zijn die voorliggen, mede gelet op de informatie die ik heb ontvangen (zie paragraaf 1.D) en de uitlatingen van partijen. Uit het oogpunt van leesgemak herhaal ik hier de vragen en pas ik ze enigszins aan.
Wanneer een medische hulpverlener door een patiënt aansprakelijk is gesteld voor[lees: in verband met, A-G]
een medische behandeling, mag[dan]
in de buiten[ge]rechtelijke fase van de schadeafwikkeling een ten behoeve van de medische hulpverlener ingeschakelde juridisch adviseur inzage krijgen in het medisch dossier van de patiënt en overleg hebben over het medisch dossier met de medische hulpverlener zonder de uitdrukkelijke toestemming van de patiënt? In hoeverre spelen daarbij beginselen als die van proportionaliteit en subsidiariteit een rol?”
ten behoeve van de medische hulpverlener[lees: het ziekenhuis, A-G]
ingeschakelde juridisch adviseur”. Uit het vonnis blijkt dat het in dit geval gaat om de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar van het ziekenhuis (zie vooral randnummers 1.1 tot en met 1.5 hiervoor). De term ‘juridisch adviseur’ is daarvoor mijns inziens niet helemaal passend. De werkzaamheid van de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar is niet primair gericht op het adviseren van het ziekenhuis, maar op de beoordeling of een beroep kan worden gedaan op de dekking van de aansprakelijkheidsverzekering, een beoordeling die raakt aan een zelfstandig belang van de verzekeraar. Tegelijkertijd is het zo dat het ziekenhuis niet zelden vaart op de (juridische) expertise van de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar, [122] wat overigens niet anders is dan bij andere soorten aansprakelijkheidsclaims (denk bijvoorbeeld aan WAM-claims). Wel geldt, als vermeld, dat er zelfregelende ziekenhuizen zijn die de claim zelf beoordelen. Wellicht moet de vraagstelling in dat licht ruimer worden begrepen en bedoelt de rechtbank met een “
ten behoeve van de medische hulpverlener ingeschakelde juridisch adviseur” mede een jurist die binnen het ziekenhuis werkzaam is. Zo lijkt het ASZ de vraag ook op te vatten, gelet op de inhoud van zijn schriftelijke opmerkingen. [123] Ik zal dit volgen. In dit verband is van belang dat patiënte in het onderhavige geval bezwaren heeft tegen toegang tot haar medische gegevens voor zowel de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar als de ziekenhuisjurist. [124]
zonder de uitdrukkelijke toestemming van de patiënt” een onderscheid worden gemaakt tussen de situaties (a) waarin de patiënt niet om toestemming is gevraagd, (b) waarin de patiënt om toestemming is gevraagd maar deze niet heeft gereageerd en (c) waarin de patiënt om toestemming is gevraagd en deze bezwaren heeft geuit tegen de uitwisseling van medische gegevens. In deze zaak gaat het om het geval onder (c): patiënte heeft via haar advocaat duidelijk kenbaar gemaakt welke grenzen zij wenst te stellen aan de verspreiding van haar medische gegevens en uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen het delen van medische gegevens met anderen dan zij heeft aangewezen. De nadruk zal in het navolgende liggen op dergelijke gevallen. De analyse die ik in het vervolg maak, raakt echter ook aan de gevallen onder (a) en (b).
in het algemeenworden bepaald: in bepaalde gevallen zal dat wellicht feitelijk niet nodig zijn, zal althans een kennisname van medische gegevens door een jurist praktisch weinig meerwaarde hebben, maar er is geen indicatie dat het daarbij om veel gevallen gaat. Bovendien is het een gegeven dat wie (als (para)medisch behandelaar of als zorgaanbieder) wordt geconfronteerd met een aansprakelijkheidsclaim wegens een medische fout, een jurist zal moeten kunnen consulteren, al was het maar ter controle, alvorens een standpunt in te nemen. De vraag of naar de regelen der kunst (
lege artis) is gehandeld, zal het beste kunnen worden beantwoord door medici; tegelijkertijd is het logisch dat bij de beoordeling van een aansprakelijkheidsclaim een jurist wordt betrokken. Op basis van medische gegevens moet worden beoordeeld of een medische fout is gemaakt en dat is uiteindelijk een juridisch vraagstuk, nog los van het vaststellen van schade en causaal verband. De GOMA 2022 gaat daar ook van uit. Aanbeveling 19 GOMA 2022 zegt het volgende: “
In het geval van een verzoek om schadevergoeding wisselen partijen onderling alle relevante feitelijke en medische gegevens uit. Ten behoeve van de medische en juridische beoordeling zijn de medisch adviseur, de schadebehandelaar/jurist van de aansprakelijkheidsverzekeraar of het zelfregelend ziekenhuis bevoegd om de medische gegevens in te zien met toestemming van de patiënt.” Het argument dat juristen niet in staat zijn om medische gegevens te beoordelen, zoals wel wordt gehoord, is mijns inziens te stellig en ook niet erg relevant. Een jurist met ervaring op het vlak van medische aansprakelijkheid zal medische gegevens misschien niet (altijd) ten volle kunnen begrijpen en beoordelen, maar zal naar aanleiding daarvan doorgaans wel kritische vragen kunnen stellen. Dat er in ieder geval een reële behoefte, ik vermijd zo de term noodzaak, is om in een medische aansprakelijkheidskwestie medische gegevens te delen met een jurist moet mijns inziens dus tot uitgangspunt worden genomen.
van de verzekeraar, A-G] en de medisch adviseur start bij de beoordeling van de aansprakelijkstelling: de jurist maakt aan de hand van de verwijten uit die aansprakelijkstelling, van het medisch dossier en het commentaar van de aangesproken zorgverlener een analyse. Daarna formuleert de jurist specifieke vragen die hij aan de medisch adviseur wenst voor te leggen en aan de hand van die vragen stelt de medisch adviseur zijn medisch advies op. Vaak is daarna nog nader overleg tussen jurist, medisch adviseur en aangesproken zorgverlener nodig. Dat kan niet altijd met aanvullende vragen op papier, dat vereist bespreking en bestudering van het medisch dossier, ook door de jurist. Op grond van de analyse, het medisch advies en het eventueel aanvullend overleg kan antwoord gegeven worden op vragen als: Is aan de verzwaarde stelplicht voldaan of is een aanvullende verklaring van de aangesproken arts nodig? Is de vordering tot schadevergoeding van patiënt verjaard? Op wie rust de stelplicht en bewijslast bij het verwijt dat het informed consent van patiënt door de behandelend zorgverlener zou zijn geschonden? En zijn er voldoende aanknopingspunten in het medisch dossier om de stellingen over deze onderwerpen te onderbouwen?” [129]
zonder toestemming van de patiënt en zelfs ondanks de kenbare bezwaren van de patiëntkennis mag nemen van medische gegevens. Volgens het ASZ [131] en volgens verschillende inzenders [132] luidt het antwoord bevestigend. De huidige praktijk is toch een andere, zo wordt in den brede onderkend: in randnummers 2.14 en 2.15 werd duidelijk dat een dergelijke kennisname doorgaans niet plaatsvindt zolang de patiënt daarvoor geen toestemming heeft gegeven, laat staan indien de patiënt daartegen bezwaren heeft. De ‘spanning’ tussen wat in de praktijk gebeurt en de standpunten die worden ingenomen, karakteriseert een deel van de informatie die ik heb ontvangen. Centramed, MediRisk en VvAA stellen zich in hun inzending bijvoorbeeld op het standpunt “
dat een zorgverlener helemaal geen machtiging van de patiënt nodig heeft om een jurist (van zijn verzekeraar) in te schakelen nadat de hulpverlener buiten rechte aansprakelijk is gesteld(…)
.” Zij merken echter meteen ook het volgende op: “
Wij kiezen er bewust voor om in weerwil van die mening, toch het zekere voor het onzekere te nemen en een machtiging van de claimant te vragen. Wij zijn dan ook erg benieuwd naar uw mening en die van de Hoge Raad op dit punt.” Kennelijk zijn de meeste betrokkenen het toch erover eens dat het riskant is om zonder toestemming van de patiënt medische gegevens te delen, ook al is van ziekenhuis- en verzekeraarszijde het geluid te horen dat die toestemming strikt genomen niet nodig is in de onderhavige context.
Indien toestemming van de patiënt is vereist in de buitengerechtelijke fase, op basis van welke grondslag(en) dient die toestemming dan gegeven te worden? Op welke concrete door de medische adviseur en de juridische adviseur te verrichten handelingen dient die toestemming betrekking te hebben? Zijn er nog andere in aanmerking te nemen omstandigheden die van belang kunnen zijn voor (de reikwijdte van) die toestemming?”
is vereist. In het onderzoek dat naar aanleiding van de eerste prejudiciële vraag moet worden verricht, ligt de beantwoording van deze eerste subvraag (is toestemming nodig en zo ja op welke grondslag?) besloten. Zij behoeft dus geen separaat onderzoek. De derde subvraag leent zich gelet op het onbepaalde karakter daarvan mijns inziens niet voor beantwoording in een prejudiciële procedure, nu het niet goed mogelijk (en gelet op de problematiek die hier aan de orde is: niet nodig) is om in algemene zin na te gaan welke omstandigheden van belang kunnen zijn voor (de reikwijdte van) de toestemming.
Kan van een medische hulpverlener, die door een patiënt aansprakelijk is gesteld voor[lees: in verband met, A-G]
een medische behandeling, worden verlangd dat hij in de buitengerechtelijke fase een standpunt inneemt omtrent aansprakelijkheid indien de patiënt zich ertegen verzet dat een door of ten behoeve van de medische hulpverlener ingeschakelde juridisch adviseur kennis neemt van relevante medische gegevens?”
4.Het (para)medische beroepsgeheim
Inleiding
Ik zal geheim houden wat mij is toevertrouwd.” [138] De artseneed, die tegenwoordig geen juridisch fundament meer heeft, was overigens nooit constituerend voor het bestaan van de geheimhoudingsplicht voor artsen. [139] Bovendien geldt de geheimhoudingsplicht, zo zal verderop blijken, ook voor andere belangrijke beroepsgroepen, zoals verpleegkundigen, en bovendien ook ten aanzien van meer dan wat is ‘toevertrouwd’.
verschoningsrecht, volgens de rechtspraak van Uw Raad, waarin is overwogen dat “
[h]et verschoningsrecht van de[beroepsbeoefenaar, A-G] (…)
zijn grondslag[vindt]
in het algemene maatschappelijke belang dat men zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het aan hem toevertrouwde tot hem als vertrouwenspersoon kan wenden, en derhalvenietin het individuele belang van degenen die van zijn bijstand gebruik maken” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G). [143] Het verschoningsrecht bestaat in beginsel ook als de patiënt in kwestie niet verlangt dat daarop een beroep wordt gedaan en de (para)medisch behandelaar ontslaat uit de geheimhoudingsplicht. [144] Hiermee strookt om de geheimhoudingsplicht primair te beschouwen als een
professionele verplichtingvan de (para)medisch behandelaar, [145] die als uitgangspunt onafhankelijk van de wil van de patiënt bestaat (hoewel die wil, zoals verderop zal blijken, wel ertoe doet). Daarnáást is geheimhouding ook een recht van de patiënt, [146] zoals ook uit de in paragraaf 5.B te bespreken rechtspraak over art. 8 EVRM Pro voortvloeit. Plicht en recht corresponderen hier echter niet volledig, zodat er meer aan de orde is dan een rechtsverhouding tussen de ‘geheimhouder’ en de patiënt. Zo geldt de geheimhoudingsplicht die voortvloeit uit het hierna te bespreken art. 88 Wet Pro BIG óók na het overlijden van de patiënt, wanneer deze dus geen rechtssubject meer is en handhaving van de geheimhouding niet meer kan afdwingen maar deze niettemin in beginsel moet worden gehandhaafd, ook ten opzichte van nabestaanden. [147]
De beoefenaren[lees: beoefenaar, A-G]
van een op grond van artikel 3, 34 of 36a gereguleerd beroep zijn[lees: is, A-G]
verplicht geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen.” [148] De hoofdmoot van de bedoelde ‘beoefenaren’ bestaat uit, kort gezegd, alle beroepsbeoefenaren die in het zogenoemde BIG-register kunnen worden ingeschreven (zoals artsen, apothekers en verpleegkundigen). [149] Boven twijfel is verheven dat (para)medische behandelaars in een ziekenhuis, onder wie artsen en verpleegkundigen, tot deze categorie behoren. Op hen rust zonder meer een aan hun beroepsbeoefening verbonden individuele verplichting tot geheimhouding. Die verplichting rust nadrukkelijk niet op de instelling maar op de individuele (para)medisch behandelaar. [150]
de hulpverlener zorg[draagt], dat aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van de gegevens uit het dossier worden verstrekt dan met toestemming van de patiënt.(…).
De verstrekking kan geschieden zonder inachtneming van de beperkingen, bedoeld in de voorgaande volzinnen, indien het bij of krachtens de wet bepaalde daartoe verplicht.”
aan de hulpverlenerom – kort gezegd – zorg te dragen voor de vertrouwelijke behandeling van gegevens betreffende de patiënt. Hier is oplettendheid geboden, want zoals ik in randnummers 2.3 tot en met 2.5 heb opgemerkt heeft de term ‘hulpverlener’ in afd. 7.7.5 BW een specifieke betekenis en is bij ziekenhuiszorg vrijwel altijd het ziekenhuis de ‘hulpverlener’. Volgens Tjong Tjin Tai geldt dan dat “
de plicht”, waarmee hij de geheimhoudingsplicht bedoelt, “
op de gehele organisatie” rust en betekent dit “
in feite dat deze plicht op alle individuen van de organisatie rust”. [153] Ik vraag mij af of dat juist is. Ik wijs erop dat art. 7:457 lid 1 BW Pro woordelijk alleen de ‘hulpverlener’ bindt (dus in deze context de rechtspersoon en niet “
alle individuen van de organisatie”), terwijl daarin strikt genomen ook geen geheimhoudingsplicht is geformuleerd: de hulpverlener moet ervoor
zorgdragen– aldus de tekst – dat bepaalde gegevens niet aan anderen dan de patiënt worden verstrekt zonder toestemming van de patiënt. Bovendien geldt gelet op art. 88 Wet Pro BIG dat in beginsel uitsluitend de behandelend (para)medisch behandelaars toegang (mogen) hebben tot vertrouwelijke gegevens met betrekking tot de patiënt [154] en bijvoorbeeld niet het bestuur, de technische dienst, het afdelingssecretariaat en ziekenhuisjuristen. [155] Zij ‘delen’ dan ook geen geheimhoudingsplicht met de behandelend (para)medisch behandelaars, maar hebben wel een (afgeleide) geheimhoudingsplicht, zoals hierna aan de orde zal komen.
art. 7:457 lid 1 BW Pro, A-G] in dat de leiding van de instelling ervoor moet zorgen dat de gegevens omtrent de patiënt tegenover anderen dan degenen die deel uitmaken van het bestuur, de directie en het (overige) personeel van de instelling, geheim worden gehouden. De bepaling houdt dus niet in dat door de hierbedoelde personen ten opzichte van elkaar geheimhouding met betrekking tot die gegevens moet worden betracht. Of en, zo ja, in hoeverre er tussen hen onderling geheimhouding geldt, wordt bepaald door andere regels, zoals bij voorbeeld de regeling van het beroepsgeheim van de individuele beroepsbeoefenaar.” [156]
zorg te dragen, wat neerkomt op een organisatorische taak.
De (afgeleide) geheimhoudingsplicht voor niet-behandelaars
niettot geheimhouding verplicht ten aanzien van wat hen in het ziekenhuis over patiënten ter kennis komt? Dat kan niet waar zijn: natuurlijk hebben zij ook een geheimhoudingsplicht. De hierna te bespreken grondslagen daarvoor zijn alleen andere dan de grondslagen die al zijn behandeld. De handhaving geschiedt eveneens anders, want er is anders dan bij beroepsbeoefenaren in de zin van de Wet BIG geen tuchtrechtelijke handhaving. Er is wel strafrechtelijke handhaving op grond van art. 272 Sr Pro, dat overigens geen zelfstandige grondslag is voor een geheimhoudingsplicht maar een geheimhoudingsplicht uit hoofde van een wettelijke voorschrift dan wel een ‘ambt’ of ‘beroep’ vooronderstelt. [158]
wat volgt uit art. 7:457 lid 1 BW Pro indien de zorginstelling de hulpverlener is, A-G]. Niet alle medewerkers zijn echter hulpverlener [
bedoeld is: BIG-geregistreerd beroepsbeoefenaar, A-G] en daarmee zou het probleem kunnen ontstaan dat wat aan de ene kant aan de hulpverlener in vertrouwen wordt meegedeeld, via de achterdeur van betrokken personeel toch naar buiten wordt gebracht. Dit wordt ondervangen door de figuur van het ‘afgeleid beroepsgeheim’. Zo hebben niet-medisch personeel, de Raad van Bestuur en de Commissies die interne meldingen over incidenten onderzoeken, een afgeleid beroepsgeheim. Ook arts-assistenten, coassistenten en stagiaires hebben een afgeleid beroepsgeheim, evenals de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).” [159]
Omgaan met medische gegevensgaat daar ook van uit: “
Niet alle personen die bij de hulpverlening betrokken zijn, hebben een (door de wet erkend) beroepsgeheim. Er geldt een afgeleid beroepsgeheim voor personen die geen zelfstandige geheimhoudingsplicht hebben, maar wel beroepsmatig kennis krijgen van, of toegang hebben tot patiëntgegevens. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om assistenten, secretaresses, telefonistes, ICT-medewerkers, stagiaires en portiers. Deze geheimhoudingsplicht kan worden vastgelegd in een arbeidscontract of geheimhoudingsverklaring.” [160]
hoofdstuk 3 Wkkgz, met de titel ‘Effectieve en laagdrempelige klachten- en geschillenbehandeling’, A-G] en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit hoofdstuk de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.”
Het object van geheimhouding
al datgene wat[de beroepsbeoefenaar, A-G]
bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij[bij de beroepsuitoefening, A-G]
als geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen.”
medischegegevens omvat, [166] ook al staan die in deze zaak centraal. De beperking schuilt erin dat, zo volgt uit de wettekst, de gegevens bij het uitoefenen van een beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg (dus grofweg: onder werktijd of bij hulpverlening daarbuiten) bekend zijn geworden. Een eerste categorie betreft die gegevens die (uitdrukkelijk) als geheim zijn toevertrouwd (‘Ik vertel u X en dat mag u niet doorvertellen.’). Deze categorie lijkt wat achterhaald, omdat de patiënt ook zonder een uitgesproken wens erop moet kunnen rekenen dat de door hem verstrekte gegevens met een vertrouwelijk karakter geheim blijven. Van praktisch groter belang lijkt dat alle gegevens van de patiënt die van vertrouwelijke aard zijn en ter kennis van de beroepsoefenaar komen, onder de geheimhoudingsplicht vallen. [167] De aard van de gegevens is dus bepalend. Welke gegevens zijn van vertrouwelijke aard? Het gaat in ieder geval om medische gegevens (zoals anamnese, diagnose, labuitslagen, behandelingsplan, enzovoort), maar daarnaast ook om gegevens die de gezondheidssituatie kunnen beïnvloeden, zoals gegevens met betrekking tot de woon- of werksituatie en andere persoonlijke omstandigheden. [168] Het veiligste lijkt om alle gegevens in beginsel als vertrouwelijk aan te merken en alleen bij uitzondering uit te gaan van niet-vertrouwelijkheid.
inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van de gegevens uit het dossier”. Twee categorieën van gegevens kunnen dus worden onderscheiden:
ten aanzien van hetgeen hij[de hulpverlener, dus de rechtspersoon, A-G]
uit hoofde van de behandelingsovereenkomst te weten is gekomen over de patiënt”. [169]
De hulpverlener richt een dossier in met betrekking tot debehandeling
van de patiënt. Hij houdt in het dossier aantekening van de gegevens omtrent de gezondheid van de patiënt en de te diens aanzien uitgevoerde verrichtingen en neemt andere stukken, bevattende zodanige gegevens, daarin op, een en ander voor zover dit voor een goede hulpverlening aan hem noodzakelijk is.” In de inzagezaak ben ik vrij uitgebreid ingegaan op wat wel en niet tot het medische dossier behoort. [170] Ik volsta hier met een korte omschrijving. Of bepaalde gegevens of stukken tot het medische dossier behoren is
nietafhankelijk van de wijze waarop zij zijn opgeslagen: de plaatsing in een fysieke dossiermap of, inmiddels veel gebruikelijker, een
recordin een digitale
databaseis niet het afbakeningscriterium. Bepalend, op hoofdlijnen, is de aard van de gegevens en in het bijzonder of de gegevens de goede hulpverlening dienen. Zo behoort een formulier dat aan een ziekenhuisbed is bevestigd en waarop aan de behandeling of verpleging gerelateerde gegevens van de patiënt worden genoteerd vermoedelijk ook tot het medisch dossier, ook als de betreffende gegevens (nog) niet fysiek of digitaal in dossiervorm zijn opgeslagen. Gegevens die niet tot het medisch dossier behoren — zelfs als zij tezamen met medische gegevens in een fysiek dossier of
databasezijn opgeslagen — zijn bijvoorbeeld financiële gegevens zoals declaraties en gegevens met betrekking tot de zorgverzekering van de patiënt. De laatstbedoelde gegevens zijn natuurlijk wel vertrouwelijk, zodat zij wel worden bestreken door art. 88 Wet Pro BIG en art. 7:457 lid 1 BW Pro. Voor deze zaak is het dan ook niet bijzonder nuttig om bij de afbakening van het medisch dossier nader stil te staan. De afbakening van het medisch dossier lijkt vooral het bepalen van de reikwijdte van de bewaarplicht van art. 7:455 BW Pro en het inzagerecht van art. 7:456 BW Pro te dienen.
Expliciete toestemming van de patiënt
Uitzonderingen op de geheimhoudingsplicht
systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de zorg”, zo volgt uit art. 7 in Pro verbinding met 9 lid 1 Wkkgz.
door de patiënt gestelde beperkingen met betrekking tot het gebruiken van gegevens uit diens dossier, blijkend uit een door de patiënt opgestelde machtiging” zal moeten respecteren. [189] Als er bezwaren zijn van de patiënt tegen het gebruik van medische gegevens, doet dat dus ertoe. In dat geval, geldt volgens het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg dat het “
dan aan de klachtencommissie of tuchtrechter[is]
om te beoordelen of de wel beschikbare gegevens voldoende basis bieden om te komen tot een inhoudelijk oordeel over de klacht.” [190] Dat dit alles
mutatis mutandisgeldt voor een civiele aansprakelijkheidsprocedure wordt betwijfeld. [191]
Omgaan met medische gegevens, waarin mede de tuchtrechtspraak is ‘gecodificeerd’, op deze punten uitgebreider te citeren:
5.7.1 De arts als verweerder in klacht- en tuchtzaken en civiele rechtszaken
zonder meermogelijk is zonder expliciete toestemming van de patiënt. [193] De bezwaren van de patiënt moeten worden gerespecteerd en bovendien geldt – hoe dan ook – dat voorzichtigheid, die mede tot uitdrukking komt in een afweging aan de hand van ‘proportionaliteit en subsidiariteit’, geboden blijft waar het gaat om het doorbreken van het medische beroepsgeheim.
a fortioriin een geval als het onderhavige, waarin de patiënt in het kader van de
buitengerechtelijkeafhandeling van een aansprakelijkheidsclaim tegen het ziekenhuis heeft bepaald wie wel en niet het medisch dossier mag inzien, te weten alleen de medisch adviseur, en uitdrukkelijk bezwaren heeft tegen inzage door anderen. Niets uit het voorgaande wijst erop dat dan in weerwil van de bezwaren van de patiënt het medisch beroepsgeheim mag worden doorbroken.
Bevindingen
5.(Para)medische geheimhouding in het Europese recht
Inleiding
Y.G./Rusland, zo:
Z./Finlandui 1997 duidelijk:
of the sense of privacy of a person and his or her confidence in the medical profession and in the health services in general, A-G], those in need of medical assistance may be deterred from revealing such information of a personal and intimate nature as may be necessary in order to receive appropriate treatment and, even, from seeking such assistance, thereby endangering their own health and, in the case of transmissible diseases, that of the community (…).” [197]
serious interference”, aldus het EHRM in
Z./Finland [198] ) op art. 8 EVRM Pro kan al snel sprake zijn indien zonder toestemming van de patiënt medische gegevens worden gebruikt/gedeeld, welke inbreuk een schending is indien er geen goede gronden voor bestaan in het licht van art. 8 lid 2 EVRM Pro. Dat geldt ook als de medische gegevens na het delen daarvan vertrouwelijk worden behandeld. [199] Toen in een Franse echtscheidingszaak medische gegevens werden ingebracht zonder toestemming van de patiënt (één van de echtelieden; de man) en vervolgens ook werden gebruikt door de rechter, overwoog het EHRM in 2006 dat er zonder twijfel inbreuk was gemaakt op art. 8 EVRM Pro, een inbreuk die een ‘schending’ oplevert als goede gronden daarvoor ontbreken:
inzagein medische gegevens, [203] maar het is mijns inziens zeker denkbaar dat dit beschikkingsrecht zich ook uitstrekt tot de wijze waarop medische gegevens worden gebruikt binnen een ziekenhuis en in het overleg tussen een ziekenhuis en een verzekeraar, in die zin dat de patiënt slechts in uitzonderlijke gevallen de
zeggenschapover medische gegevens kan worden ontnomen. [204] Hierbij geldt dat uit het enkele feit dat een individu een aanvraag of verzoek doet die/dat aan de hand van medische gegevens moet worden beoordeeld niet volgt dat afstand wordt gedaan van de bescherming van art. 8 EVRM Pro. [205]
positieve verplichtingenvoor de staat. Er moet worden voorzien in voldoende juridische waarborgen. In
Y.G./Ruslandoverwoog het EHRM dat “
[t]he domestic law must afford appropriate safeguards to prevent any such communication or disclosure of personal health data as may be inconsistent with the guarantees in Article 8 of the Convention.” [206] Onder “
domestic law” moet niet alleen het zuiver nationale recht worden verstaan, maar evenzeer het Unierecht en de daarop betrekking hebbende nationale implementatiewetgeving, die gelet op het HvEU eveneens moeten beantwoorden aan art. 8 EVRM Pro. [207] Zowel het (para)medisch beroepsgeheim, dat in Nederland wordt geregeld in art. 88 Wet Pro BIG en art. 7:457 lid 1 BW Pro, als de hierna te bespreken waarborgen uit hoofde van de AVG vinden zo bezien dus een basis in art. 8 EVRM Pro. De hiervoor bedoelde positieve verplichtingen vormen een opstap naar (indirect) horizontale werking van EVRM-rechten. Een positieve verplichting kan namelijk inhouden dat van de overheid waarborgen in het objectieve recht worden verlangd in de verhouding tussen burgers en dan is het vervolgens een relatief kleine stap voor de rechter om de ‘juiste’ rechtsregels in de verhouding tussen burgers aanwezig te achten, die zich vervolgens voor toepassing in een horizontale verhouding lenen. [208]
Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.” Daarop ben ik in de inzagezaak ingegaan, met vermelding van vindplaatsen. [209] Op hoofdlijnen geldt het volgende. De beperking moet in de eerste plaats een grondslag hebben in het objectieve recht (en niet noodzakelijkerwijs in door de wetgever afgekondigde regelgeving). In dat verband geldt de eis van kenbaarheid en voorzienbaarheid: individuele burgers moeten in de gelegenheid zijn om in te schatten welke beperkingen aan hun grondrechten worden gesteld. In de tweede plaats moet de beperking voortvloeien uit een dringende maatschappelijke behoefte (“
noodzakelijk” zijn) en stroken met het ideaal om een democratische samenleving in stand te houden. Daarbij geldt dat de beperking/inbreuk proportioneel moet zijn ten opzichte van het daarmee nagestreefde legitieme doel. Een belangenafweging is dus nodig. Het EHRM kan hierbij aan de staat een meer of minder ruime
margin of appreciationlaten.
L.H./Letlanduit 2014 liet het EHRM ten aanzien van de toegang van een toezichthouder (de ‘MADEKKI’) tot medische gegevens naar aanleiding van een klacht van een patiënt een strenge benadering zien:
the most careful scrutiny” [211] ) te kiezen en neemt niet snel aan dat zo’n doorbreking is gerechtvaardigd. Ook in de eerdergenoemde Franse echtscheidingszaak toetste het EHRM in 2006 diepgaand en nauwgezet. De overwegingen van het EHRM, ook al gaan zij over andere thematiek dan hier aan de orde is, zijn mijns inziens illustratief voor de hoogte van de drempel die hier geldt:
Z v. Finland, cited above, § 95).
However, in the Court’s view, any unavoidable interference in this connection should be limited as far as possible to that which is rendered strictly necessary by the specific features of the proceedings and by the facts of the case(…).
Whilst the impugned measure may appear justified at first sight, it does not stand up to closer scrutiny.As the Government themselves have acknowledged (…),
the production of the disputed document was not decisive in the granting of the divorce on grounds of fault by the applicant alone and was in fact only one of the items of evidence on which the domestic courts based their findings. The relevant domestic decisions referred, above all, to testimony concerning the applicant’s alcohol addiction and to the “duly substantiated” medical certificates referring to “the reality of the acts of violence to which [the wife had] been subjected”, thus concluding that the acts attributable to the husband constituted serious and repeated breaches of marital duties and obligations which had led to an irretrievable breakdown in the marriage. In reality,
it was only on an alternative and secondary basis that the domestic courts used the disputed medical document in justifying their decisions, and it thus appears that they could have declared it inadmissible and still reached the same conclusion. In other words, the impugned interference with the applicant’s right to respect for his private life, in view of the fundamental importance of the protection of personal data, was not proportionate to the aim pursued and was therefore not “necessary in a democratic society for the protection of the rights and freedoms of others”.
a fortiorijustifies strict scrutiny of the necessity of such measures within the meaning of Article 8 § 2 of the Convention.” (onderstrepingen toegevoegd door mij, A-G) [212]
M.S./Zwedenuit 1997, waarin de beoordeling van een schadevergoedingsclaim wegens een ongeval door het Zweedse Bureau voor sociale verzekeringen aan de orde was, waarbij dat bureau op grond van wettelijke bepalingen kopieën van medische documenten had gevraagd zonder medeweten van de claimante:
by one public institution to another”) en beperkt was tot relevante medische informatie, terwijl de informatie-uitwisseling met duidelijke waarborgen was omgeven. Uiteindelijk zijn de omstandigheden van het geval (waaronder de juridische waarborgen die het nationale recht biedt) dus belangrijk bij de toepassing van art. 8 EVRM Pro. Dat geldt ook bij de toepassing van art. 8 EVRM Pro op de thematiek die in deze procedure aan de orde is.
bezwaren heeft geuittegen de verspreiding van (bepaalde) medische gegevens. Dit brengt voor deze prejudiciële procedure volgens mij het volgende mee. De behoefte aan de zijde van (para)medische behandelaars, het ziekenhuis en/of de verzekeraar om aan de hand van medische gegevens
in het buitengerechtelijke trajectoverleg te voeren over een claim van de patiënt weegt zwaar, maar is niet van een zodanig gewicht dat de vertrouwelijkheid van medische gegevens en de zeggenschap van de patiënt daarover moet wijken. Een dergelijke vergaande inbreuk op art. 8 EVRM Pro is mijns inziens niet noodzakelijk om de belangen van (para)medische behandelaars, het ziekenhuis en/of de verzekeraar in het buitengerechtelijke traject te dienen. Zij kunnen ook ervoor kiezen de claim niet te behandelen indien de noodzakelijke toegang tot en uitwisseling van relevante medische gegevens ontbreekt, zoals nu ook praktijk is. [214] Dat is niet ideaal, maar wel het ‘mindere kwaad’. De tegenwerping dat deze ‘oplossing’ het belang van de patiënt niet dient, [215] heeft mijns inziens onvoldoende kracht. Weliswaar is de weigering van de patiënt om overleg over relevante medische gegevens toe te staan niet zonder meer ‘logisch’, maar zeggenschap van een individu, beschermd door bepaalde rechten, gaat nu eenmaal gepaard met keuzes die anderen niet zouden maken.
De verzekeringnemer en de tot uitkering gerechtigde zijn verplicht binnen redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen welke voor deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen.” Deze bepaling is mijns inziens echter geen voldoende grondslag. [216] Zij is geschreven voor verzekeringsovereenkomsten in het algemeen en ziet niet specifiek op het uitwisselen van medische gegevens, nog afgezien van het feit dat de patiënt geen partij is bij de verzekeringsovereenkomst en deze hem of haar ook, in principe, niet aangaat. Ook is een beroep gedaan op art. 6 EVRM Pro met het argument dat het ziekenhuis zijn verweer tegen de claim van de patiënt moet kunnen voorbereiden. Dit betoog is overtuigender, maar mijns inziens
in het algemeennog steeds van onvoldoende gewicht, afgezien van de vraag of art. 6 EVRM Pro ook betrekking kan hebben op wat voorafgaande aan een procedure plaatsvindt. In de inzagezaak heb ik betoogd dat dat laatste waarschijnlijk zo is, omdat de werking van art. 6 EVRM Pro praktisch en effectief moet zijn. [217] Daaraan doe ik hier niets af: als het ziekenhuis een verweer tegen een aanstaande vordering in rechte moet voorbereiden, kán art. 6 EVRM Pro mijns inziens meebrengen dat de medische geheimhouding voor zover noodzakelijk wordt doorbroken. Desondanks biedt art. 6 EVRM Pro mijns inziens géén grondslag voor het delen door (para)medische geheimhouders van medische gegevens (in weerwil van de bezwaren van de patiënt) slechts met het oog op de buitengerechtelijke afhandeling van een aansprakelijkheidsclaim van diezelfde patiënt, terwijl van een aanstaande vordering in rechte (nog) geen sprake is. De voorbereiding van een civiele procedure is dan nog niet aan de orde en het niet-behandelen van de claim is in die fase een oplossing die tegemoet komt aan de belangen van het ziekenhuis en de verzekeraar (zij het geen ideale oplossing). In dat licht en onder die omstandigheden kan art. 6 EVRM Pro niet meebrengen dat het medisch beroepsgeheim wordt doorbroken en de patiënt zeggenschap wordt ontnomen over het gebruik van medische gegevens. Dat kan anders zijn als een civiele procedure aanstaande of aanhangig is; dat zal afhangen van een afweging van de concrete feiten en omstandigheden en het procedurele regime, dat ik hier buiten beschouwing laat.
rechtspraak[met betrekking tot art. 8 EVRM Pro, A-G] (…)
niet zo verstrekkend [is] dat zij meebrengt dat in het voorliggende geval inzage moet worden gegeven in het medisch advies. Zelfs als zou worden aangenomen dat art. 8 EVRM Pro in beginsel meebrengt dat wel inzage moet worden gegeven in een medisch advies zoals in deze zaak aan de orde is, dan geldt mijns inziens dat het belang van het ziekenhuis en diens aansprakelijkheidsverzekeraar bij het bepalen van een standpunt en het voorbereiden van de verdediging in vrijheid en beslotenheid in het licht van de beperkingsclausule van art. 8 lid 2 EVRM Pro alsnog anders kan – en veelal: zal – meebrengen(…).” Daarbij is van belang dat zodra inzage wordt gegeven in een dergelijk medisch advies, het bepalen van een standpunt en het voorbereiden van de verdediging in vrijheid en beslotenheid onmiddellijk en onomkeerbaar wordt geschaad, ook indien op dat moment een civiele procedure nog niet aanstaande is. De analyse en afweging die dáár aan de orde was, wijkt wezenlijk af van de analyse en afweging die hier aan de orde is, nu het hier rechtstreeks gaat om een doorbreking van het medisch beroepsgeheim en de vertrouwelijkheid van medische gegevens, die juist onmiddellijk en onomkeerbaar worden geschaad indien medische gegevens worden gedeeld in weerwil van bezwaren van de patiënt.
De AVG
moetenworden verwerkt terwijl art. 8 EVRM Pro dat niet toelaat.
gegevens over gezondheid”. Als dit verbod in een geval als het onderhavige in de weg staat aan het delen van medische gegevens zonder toestemming en ondanks de bezwaren van de patiënt, wordt aan de overige bepalingen van de AVG niet toegekomen.
gegevens over gezondheid” zijn, staat buiten kijf. Dat het delen van dergelijke gegevens met anderen “
verwerking” is, is eigenlijk ook niet voor discussie vatbaar. [219] Op grond van art. 4, aanhef en onder 2), AVG wordt onder “
verwerking” verstaan: “
een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen,opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G).
uitdrukkelijke toestemming” heeft gegeven voor de verwerking van de medische gegevens voor een of meer welbepaalde doeleinden. Dat is echter niet aan de orde in een geval als het onderhavige: de patiënt heeft juist uitdrukkelijke bezwaren tegen een bepaalde verwerking van medische gegevens. Gelet op de beantwoording van de tweede prejudiciële vraag in paragraaf 6 ga ik op deze ‘a-grond’ niettemin iets nader in. Het verwerkingsverbod van art. 9 lid 1 AVG Pro geldt niet indien “
de betrokkene (…) uitdrukkelijke toestemming [heeft] gegeven voor de verwerking van die [gezondheidsgegevens] voor een of meer welbepaalde doeleinden(…)”, aldus art. 9 lid Pro 2, aanhef en onder a), AVG. Over deze bepaling bestaat, voor zover mij bekend is, (nog) geen principiële Unierechtelijke rechtspraak. In
GC c.s./CNILkwam deze bepaling terloops aan de orde waar het ging om een zoekmachine. Het HvJ overwoog daar slechts dat de toestemming “
specifiek betrekking moet hebben op de verwerking in het kader van de activiteit van de zoekmachine” gelet op de definitie van ‘toestemming’ in art. 4, aanhef en onder 1), AVG. [220] Daar is aan te treffen dat toestemming van de betrokkene inhoudt: “
elke vrije, specifieke, geïnformeerde en ondubbelzinnige wilsuiting waarmee de betrokkene door middel van een verklaring of een ondubbelzinnige actieve handeling een hem betreffende verwerking van persoonsgegevens aanvaardt”. Ten aanzien van de vraag hoe specifiek de toestemming moet zijn, helpt ons dit niet verder. Mijns inziens ziet de specificiteit van de toestemming gelet op de tekst van art. 9 lid Pro 2, aanhef en onder a) AVG vooral op de doeleinden van de verwerking. Als de verwerking uitdrukkelijk betrekking heeft op de afhandeling van een aansprakelijkheidsclaim en bovendien aan de hand van de omschrijving voor de betrokkene duidelijk is welke medische gegevens kunnen worden verwerkt (ook al zijn zij niet afzonderlijk gespecificeerd), dan volstaat dat mijns inziens, mits de toestemming natuurlijk vrijelijk tot stand is gekomen en de betrokkene voldoende is geïnformeerd. Dat laatste raakt niet zozeer aan de formulering van de medische machtiging, maar aan de informatieverstrekking richting de patiënt, in welk verband ook de toelichting die veelal aan de medische machtiging is gehecht [221] een rol kan vervullen.
voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden” als verwerkingsgrondslag aanmerkt. Hieraan komt vanuit praktisch oogpunt geen zelfstandige betekenis toe indien uitdrukkelijke toestemming als bedoeld in art. 9 lid Pro 2, aanhef en onder a), AVG is gegeven. De verwerkingsgrondslagen in art. 6 lid 1 AVG Pro verlangen in deze prejudiciële procedure voor het overige geen nadere aandacht omdat daaraan gelet op wat hierna volgt in beginsel niet kan worden toegekomen: zonder uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene mogen in gevallen als het onderhavige (waar het draait om de buitengerechtelijke afhandeling van een medische aansprakelijkheidsclaim) in beginsel geen medische gegevens worden verwerkt.
noodzakelijk[is]
voor de instelling, uitoefening of verdediging van een rechtsvordering”. De verdediging
tegen(en dus niet alleen
van) een aansprakelijkheidsclaim valt vermoedelijk wel onder deze minder fraai geredigeerde passage (veronderstellende dat zij ruimer moet worden opgevat dan volgens een woordelijke lezing). [222] Het moet, zo suggereert de tekst van art. 9 lid Pro 2, aanhef en onder f) AVG, wel gaan om de verwerking van gegevens in het kader van de verdediging tegen een claim in een gerechtelijke procedure (een ‘rechtsvordering’). [223] Maar dat lijkt iets te streng. [224] Overweging (52) bij de AVG wijst op een verruiming tot ‘buitengerechtelijke procedures’, [225] waarmee volgens mij wordt gedoeld op alternatieve geschilbeslechting zoals door middel van arbitrage of bindend advies [226] en niet zozeer op geschillen buiten rechte in het algemeen. Ten aanzien van art. 9 lid Pro 2, aanhef en onder f) AVG geldt mijns inziens
mutatis mutandishetzelfde als in randnummer 5.11 met betrekking tot art. 6 EVRM Pro: in het buitengerechtelijke traject en zolang een civiele procedure (of alternatief daarvoor) nog niet aanstaande of aanhangig is, kan art. 9 lid Pro 2, aanhef en onder f) AVG niet meebrengen dat het medisch beroepsgeheim wordt doorbroken en de patiënt zeggenschap wordt ontnomen over het gebruik van medische gegevens.
Noodzakelijkis dat niet. [227] Zoals in ik randnummer 5.10 opmerkte, zijn (para)medische behandelaars, het ziekenhuis en/of de verzekeraar in het buitengerechtelijke traject niet genoodzaakt om medische gegevens uit te wisselen waar de patiënt dat niet wil en kunnen zij ook ervoor kiezen de claim niet te behandelen (zoals nu ook praktijk is [228] ). Dat is, als gezegd, niet ideaal, maar wel het ‘mindere kwaad’. Zolang het niet-behandelen van de claim een enigszins werkbare, zij het niet zonder meer wenselijke, oplossing is voor ziekenhuis en verzekeraar, is er geen reden om een beperking van art. 8 lid 1 EVRM Pro in dit verband toe te staan. Zodra het niet-behandelen van de claim geen werkbare oplossing meer is voor het ziekenhuis en de verzekeraar, bijvoorbeeld omdat verweer moet worden gevoerd in een civiele procedure en bij gebreke van dat verweer de belangen van het ziekenhuis en/of de verzekeraar worden geschaad is een andere afweging denkbaar. Over dat scenario gaat deze prejudiciële procedure echter niet.
noodzakelijk[is]
om redenen van zwaarwegend algemeen belang, op grond van Unierecht of lidstatelijk recht, waarbij de evenredigheid met het nagestreefde doel wordt gewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene”. Dit brengt onder meer mee dat onder omstandigheden een wettelijke verplichting een uitzondering op het verwerkingsverbod kan legitimeren. Voor de thematiek van deze prejudiciële procedure is de uitzonderingsgrond in art. 9 lid Pro 2, aanhef en onder g) AVG mijns inziens niet van belang. Er zijn geen “
redenen van zwaarwegend algemeen belang” die de verwerking van medische gegevens in een geval als hier voorligt noodzakelijk maken.
de verwerking is noodzakelijk voor(…)
het verstrekken van gezondheidszorg of sociale diensten of behandelingen dan wel het beheren van gezondheidszorgstelsels en -diensten of sociale stelsels en diensten, op grond van Unierecht of lidstatelijk recht, of uit hoofde van een overeenkomst met een gezondheidswerker en behoudens de in lid 3 genoemde voorwaarden en waarborgen”. Ter uitwerking daarvan wordt in art. 30 lid Pro 3, aanhef en onder b, onder 2º, van de Uitvoeringswet Algemene verordening het volgende bepaald:
Bevindingen
6.Beantwoording van de vragen
andere vraagis, kort gezegd, in welke gevallen de patiënt
tegelijkertijd(i) een medische machtiging met een bepaalde inhoud weigert af te geven (zoals de patiënt altijd kan doen) én desondanks (ii) van het ziekenhuis een inhoudelijk standpunt mag verlangen. Anders gezegd: wanneer heeft het ziekenhuis een afdoende medische machtiging, die hem in staat stelt om een inhoudelijk standpunt in te nemen, wat dan ook van hem wordt verlangd? Dit thema valt niet onder vraag 2, maar onder vraag 3, waar ik nu aan toekom.
eenmedische machtiging te verstrekken waarmee het ziekenhuis en/of de verzekeraar ‘uit de voeten’ kan, kan een inhoudelijk standpunt wel degelijk worden verlangd. Dit leidt tot een verplichting van het ziekenhuis [237] waarvan de nakoming desnoods – zoals de rechtbank in het deelgeschil voorafgaande aan deze procedure heeft aangenomen [238] – in rechte kan worden afgedwongen (art. 3:296 lid 1 BW Pro). Dat laatste staat op zichzelf ook niet ter discussie. Het voorgaande geldt uiteraard ook indien de patiënt en/of de belangenbehartiger zelf het medisch dossier of relevante delen daaruit toezendt aan de medisch adviseur van de verzekeraar, zoals in bepaalde gevallen gebeurt, [239] mits dat gepaard gaat met een afdoende medische machtiging.
relevantemedische gegevens. ‘Relevant’ betekent in ieder geval: gerelateerd aan het verwijt dat wordt gemaakt en de claim die daaraan wordt gekoppeld. [240] Dat betekent dat een zekere afbakening nodig is, die inzichtelijk moet zijn voor de patiënt en de belangenbehartiger. Mijns inziens brengt dit niet mee dat altijd een
specificatievan medische stukken in de medische machtiging nodig is, wel dat de medische machtiging is beperkt tot medische gegevens die in een relevant tijdvak zijn ontstaan en wordt voorkomen dat onbedoeld (bijna) de gehele medische geschiedenis van de patiënt door de medische machtiging wordt gedekt terwijl dat niet nodig is. Het ligt mijns inziens op de weg van het ziekenhuis en/of de verzekeraar om de patiënt en diens belangenbehartiger van een toelichting te voorzien met betrekking tot de in de medische machtiging geformuleerde afbakening. Waar specificatie mogelijk is, is zij mijns inziens wel vereist en zal maatwerk moeten worden geleverd. Als bijvoorbeeld het verwijt van de patiënt ziet op de beweerdelijke schending van een protocol tijdens een operatie, zal wellicht kunnen worden volstaan met het delen van medische gegevens die rechtstreeks op die operatie betrekking hebben (zoals het operatieverslag en wat bij de voorbereiding is uitgewisseld).
medisch adviseurvan de verzekeraar of het ziekenhuis relevante medische gegevens moet kunnen beoordelen. [242] In voorbeelden van medische machtigingen die ik bij de voorbereiding van deze conclusie heb gezien, [243] wordt de medisch adviseur niet zelden expliciet genoemd, soms met naam en toenaam. Een heikel punt is of ook het delen van medische gegevens met een jurist nodig is. In randnummers 3.9 en 3.10 merkte ik al op dat die vraag mijns inziens bevestigend moet worden beantwoord omdat het mogelijk moet zijn om een jurist te consulteren ter zake van een kwestie die (naast medisch ook) juridisch is. Dat betekent wat mij betreft dat een adequate medische machtiging in ieder geval kan omvatten dat medische gegevens worden gedeeld met één of meer (i)
ziekenhuisjuristen(of een soortgelijke aanduiding, denk aan schadebehandelaar of klachtenbehandelaar), en/of (ii)
schadebehandelaars/juristenvan de verzekeraar, aangenomen dat er voldoende waarborgen zijn op het vlak van geheimhouding, zowel organisatorisch en op het vlak van ict als op het vlak van geheimhoudingsplichten, om te voorkomen dat anderen toegang krijgen tot medische gegevens. Als een medische machtiging omvat dat medische gegevens ook mogen worden gedeeld met andere niet-(para)medici dan de ziekenhuisjurist en/of schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar (zoals de leden van de raad van bestuur van het ziekenhuis [244] ), zal dat mijns inziens gepaard moeten gaan met een specifieke en voldoende dragende toelichting. [245]
per seaan deze eisen moet voldoen. Dat is immers niet de strekking van de analyse die hier wordt gemaakt. Zoals ik hiervoor opmerkte, voldoet ook een ruimere machtiging indien de patiënt daarmee akkoord gaat (binnen de grenzen van wat hiervoor ten aanzien van vraag 2 aan de orde kwam). Het gaat hier uitsluitend om de vraag onder welke omstandigheden het aangesproken ziekenhuis bij gebreke van instemming door de patiënt met de verlangde medische machtiging zal zijn ontheven van zijn verplichting om een inhoudelijk standpunt in te nemen. Dat laatste is mijns inziens alleen het geval indien de van de patiënt verlangde medische machtiging in lijn is met de voorgaande punten (i) tot en met (v). Indien daarentegen een van de patiënt verlangde medische machtiging daaraan niet voldoet en de patiënt weigert deze af te geven, dan zal het aangesproken ziekenhuis mijns inziens niet zijn ontheven van zijn verplichting om een inhoudelijk standpunt in te nemen. Dat betekent vanuit praktisch oogpunt dat alsnog een adequate medische machtiging zal moeten worden geformuleerd, zodat desnoods zal moeten worden afgeweken van het formulier/model dat normaliter wordt gebruikt. Het staat de patiënt en/of de belangenbehartiger uiteraard vrij in de plaats van het ziekenhuis en/of de verzekeraar tot een dekkende formulering te komen. Indien de patiënt een verklaring afgeeft die in lijn is met de punten (i) tot en met (v) en in overeenstemming is met eventuele eisen die het objectieve recht aan de toestemming van de patiënt stelt (zie hiervoor met betrekking tot de tweede prejudiciële vraag), zal aan de patiënt niet kunnen worden tegengeworpen dat het formulier/model van het ziekenhuis en/of de verzekeraar moet worden gebruikt.
7.Slotopmerkingen
8.Conclusie
Een patiënt is behandeld door een hulpverlener als bedoeld in art. 7:446 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Neem gemakshalve aan dat de hulpverlener een rechtspersoon is, zoals een ziekenhuis of een kliniek. Alleen de (para)medische behandelaars hebben inzage in de medische gegevens van de patiënt (afgezien van de patiënt zelf). De patiënt stelt zich op het standpunt dat bij de behandeling een fout is gemaakt, waarvoor de hulpverlener aansprakelijk is. De hulpverlener of diens aansprakelijkheidsverzekeraar (hierna: ‘verzekeraar’) vraagt de patiënt een zogenoemde ‘medische machtiging’ te verstrekken, die, kort gezegd, inhoudt dat het de (para)medische behandelaars wordt toegestaan in het kader van de afwikkeling van de (eventuele) schadeclaim (relevante) medische gegevens van de patiënt te verstrekken aan (bepaalde) derden.”
de afwikkeling van de (eventuele) schadeclaim” benadrukt dat de medische machtiging juist betrekking heeft op de beoordeling of de betrokken behandelaar naar de regelen der kunst (
lege artis) heeft gehandeld. Dat laatste heb ik zonder meer beoogd te verdisconteren in de situatieschets.
(bepaalde) derden”, die de onjuiste indruk zouden wekken dat het om een grote groep zou gaan. Die indruk heb ik zeker niet willen wekken. Ook is opgemerkt dat de passage dat het “
[d]e vraag is (…)of het klopt wat gesteld wordt, namelijk dat “alleen de (para)medische behandelaars (…) inzage[hebben]
in de medische gegevens van de patiënt (afgezien van de patiënt zelf)”.” Volgens de desbetreffende inzender is dat niet het geval: “
Er zijn ter uitvoering van de behandelingsovereenkomst vele bij de hulpverlener werkzame functionarissen die delen van het dossier moeten kunnen inzien. Bijvoorbeeld voor de financiële afwikkeling of om de rechten van de patiënt te effectueren, zoals het recht op een afschrift. Allen hebben overigens een (soms afgeleid) beroepsgeheim.” Ik merk daarover op dat de situatieschets geen stellingname is over hoe het er in de praktijk aan toegaat, maar een gestileerde hypothese. Ik meen dat de situatieschets op dit punt nog steeds representatief is. Dat in de praktijk wel degelijk ook sommige anderen onder bepaalde omstandigheden en voorwaarden delen van het medisch dossier moeten kunnen inzien, doet mijns inziens niets af aan het uitgangspunt dat alleen (para)medische behandelaars inzage hebben in de medische gegevens van de patiënt. De informatie die ik heb ontvangen, weerspreekt dat niet en dat strookt mijns inziens bovendien met de regels rondom het beroepsgeheim. [248]
Veel claims worden buitengerechtelijke afgehandeld, hetzij door het ziekenhuis zelf, hetzij door de verzekeraar in overleg met het ziekenhuis.” Ik heb geen andersluidende informatie ontvangen. Uit de informatie die ik heb ontvangen, rijst bovendien het beeld dat een soepele buitengerechtelijke afwikkeling in den brede belangrijk wordt gevonden. Wel hebben sommige inzenders aarzelingen bij de vraag of de buitengerechtelijke informatie-uitwisseling goed is georganiseerd. Zo schrijven twee advocaten in een gezamenlijke inzending dat “
in de buitengerechtelijke fase simpelweg onvoldoende waarborgen zijn waarmee de privacy van de cliënt (…) kan worden beschermd” omdat schaderegelaars bij verzekeraars over medische informatie kunnen komen te beschikken.
lege artis) is verricht. In de voorbeelden van (modellen van) medische machtigingen die ik heb ontvangen, wordt daarvan echter niet uitdrukkelijk melding gemaakt.
bepaalde personen die over medische gegevens beschikken worden gemachtigd(informatiehouders) om deze informatie aan bepaalde andere personen te verstrekken. In enkele gevallen worden volgens de tekst echter (ook)
bepaalde personen gemachtigd om medische gegevens in te zien of te verkrijgen(informatieverkrijgers). In dat geval worden dus zowel informatiehouders als informatieverkrijgers gemachtigd. Dit geldt voor de medische machtigingen die door medische aansprakelijkheidsverzekeraars worden gehanteerd.
binnen de zorginstelling(daaronder begrepen het delen met niet-behandelaars) geen toestemming is vereist. Zo wordt volgens de door mij ontvangen informatie in bepaalde gevallen toestemming verleend aan “
het bestuur en de schadebehandelaar van, alsmede de zorgverleners verbonden aan de zorginstelling” om medische gegevens te delen. Soms gaat het echter met zo veel woorden slechts om de (betrokken) behandelaars aan wie toestemming wordt verleend om medische gegevens te delen. In die gevallen ziet de toestemming soms ook op het delen van medische gegevens
binnen de zorginstelling, zoals met de raad van bestuur, een (intern) juridisch adviseur of, in de geestelijke gezondheidszorg, de geneesheer-directeur.
betrokken medewerkers, adviseurs, schaderegelaars en arbeidsdeskundigen die ten behoeve van de verzekeraar werkzaam zijn” of “
de schadebehandelaar (inclusief het medisch secretariaat en leidinggevende)”. Volgens sommige antwoorden komt ook een algemenere formulering als “
aan de bij de claimbeoordeling en claimbehandeling betrokken personen” voor. Het komt ook voor dat met de machtiging toestemming wordt verleend om medische gegevens te delen met de ‘verzekeraar’ als zodanig. Volgens Centramed, MediRisk en VvAA hebben in de praktijk bij de verzekeraar alleen de medisch adviseur en de behandelend schadebehandelaar/jurist inzicht in de medische gegevens nodig.
Als aansprakelijkheid komt vast te staan volgt de beoordeling van de schade. Daarvoor wordt een andere machtiging gebruikt waarbij wordt aangesloten bij de Medische Paragraaf van de GBL[Gedragscode Behandeling Letselschade, A-G]
. Ook komt het voor dat de belangenbehartiger van de patiënt zorgdraagt voor aanlevering van de benodigde informatie.” Een beperking naar doel komt volgens de antwoorden zeker niet altijd expliciet voor in de tekst. Hierover blijkt in de praktijk soms discussie te bestaan tussen enerzijds de belangenbehartigers (onder wie advocaten) van patiënten en anderzijds de zorginstelling of haar aansprakelijkheidsverzekeraar. De eersten verlangen soms dat op dit vlak een beperking aan de tekst wordt toegevoegd voordat de medische machtiging door de patiënt wordt ondertekend.
eigenlijk nooit”, “
<1%”, “
zelden”, “
wel eens”, “
niet meer dan 5%”, “
wellicht 5-10%”, “
maximaal 10%”, “
10%” tot “
10 tot 20 procent”. Hieruit rijst het beeld dat het gaat om een gering maar zeker niet verwaarloosbaar deel van de gevallen die overeenkomen met de situatieschets. Centramed, MediRisk en VvAA schatten in dat het voor hen gezamenlijk gaat om zo’n 450 dossiers per jaar (15% van de nieuwe zaken per jaar). [251] Hiertoe behoren dus niet de claims die door zorginstellingen zelf worden afgewikkeld. Volgens verschillende antwoorden gaat het bijna altijd om gevallen waarin patiënten worden bijgestaan door een belangenbehartiger.
Ik wil graag zeker weten dat er niet met het medisch dossier is geknoeid en laat mijn cli[ë]nt daarom meestal zelf via de klachtenfunctionaris het dossier opvragen. Als ik dat als advocaat doe, bestaat de kans dat er dan wat alarmbellen bij de behandelaar gaan rinkelen en die het dossier aanpast.”
Het komt voor dat de belangenbehartiger stukken opstuurt, maar zonder machtiging. In dat geval is ons beleid dat die ofwel onder gesloten couvert worden geretourneerd, ofwel afgesloten bij het medisch secretariaat worden bewaard tot er wel een getekende machtiging of een vergelijkbare toestemming is.”
Degene die namens de patiënt optreedt vraagt in het geval dat geen machtiging wordt verleend, in het algemeen zelf een kopie van het dossier bij het ziekenhuis op en stuurt die kopie naar de verzekeraar van het ziekenhuis. Voor de verzekeraar is dan echter niet na te gaan of die kopie volledig is en authentiek. Ook geeft dit problemen in de communicatie met de betrokken behandelaars, want mogen zij dan wel vragen van de verzekeraar beantwoorden?” Een vergelijkbare opmerking tref ik in een andere inzending aan: “
Het komt ook voor dat belangenbehartigers aangeven dat de patiënt weigert een machtiging te verstrekken, maar dat de medische informatie opgevraagd en verstrekt zal worden door de belangenbehartiger. Deze situatie is onwenselijk, omdat de verzekeraar dan niet kan nagaan of zij een volledig medisch dossier met alle relevante informatie heeft ontvangen. Ook is er in die situatie geen communicatie over de stukken mogelijk met de verzekerde zorgverlener omdat het beroepsgeheim van de zorgverlener zich daartegen verzet.”
de weigering tot inbehandelingname zonder (brede) medische machtiging wordt gebruikt als middel om de betrokkene[n] te bewegen afstand te doen van zijn privacyrechten”. In een andere inzending wordt in dit verband gesproken over “
een ongeoorloofd pressiemiddel t.o.v. het slachtoffer”.
Ja, dat komt voor. Dat gebeurt meestal uit onwetendheid bij de zorgverlener of de behandelaar van de claim bij de zorginstelling. Het gebeurt ook dat de behandelaar bij de aansprakelijkheidsverzekeraar met de zonder machtiging verkregen informatie aan de slag gaat (intern of extern). Het bezwaar hiertegen is dat de privacy van de patiënt wordt geschonden en hij achteraf moet zien te achterhalen welke medische gegevens naar welke perso(o)n(en) zijn gezonden. Correctie of weigering van toestemming is dan niet meer mogelijk.”
is niet anders dan in elke andere letselschadezaak en behoeft om die reden ook geen specifieke machtiging”.Discussie over de medische machtiging in medische aansprakelijkheidszaken heeft nagenoeg alleen betrekking op de eerste fase, zo wordt opgemerkt.
dat met de invoering van de centrale aansprakelijkheid is beoogd om een centraal aanspreekpunt voor de patiënt te creëren” en dat “
[n]iet valt in te zien dat het ziekenhuis (de ziekenhuisjurist namens deze) in die rol zonder medische machtiging geen kennis zou mogen nemen van de medische gegevens(…)”. In het verlengde daarvan is ook gewezen op de rol van de Wkkgz: “
Om te kunnen voldoen aan de wettelijke termijnen (artikel 17 Wkkgz Pro) (…) wordt in de praktijk – in afwachting van de ontvangst van de medische machtiging – door de behandelend jurist wel al om een reactie van de bij de behandeling betrokken zorgverlener(s) gevraagd. Deze reactie wordt niet verder gedeeld en pas nader gebruikt wanneer de medische machtiging is ontvangen. In de praktijk lukt het anders niet de (wettelijke) termijnen te halen, nu deze termijnen gaan lopen op het moment van ontvangst van de aansprakelijkstelling en niet op het moment van ontvangst van de medische machtiging.”
er verschillende versies van een medisch dossier kunnen worden toegezonden naar het slachtoffer en de verzekeraar”, waarmee vermoedelijk wordt bedoeld dat de medische machtiging niet altijd een voldoende specifieke omschrijving omvat van de medische gegevens die worden gedeeld zodat op dat vlak geen controle kan plaatsvinden. Ook wordt opgemerkt dat het niet nodig is om een jurist inzage te geven in medische gegevens omdat een medisch adviseur daarvan kennis kan nemen en dat een jurist ook de medische kennis mist om een medisch dossier goed te doorgronden. Ook wordt opgemerkt dat een ruime medische machtiging ervoor kan zorgen dat “
een medisch dossier door een verzekeraar aan allerlei artsen van andere zorginstellingen kan worden voorgelegd zonder dat het slachtoffer hier weet van heeft”. Door een andere belangenbehartiger wordt het volgende opgemerkt: “
De meeste patiënten beseffen niet hoe ruim de machtiging is die hen gevraagd wordt te tekenen, net zoals de meeste patiënten niet weten dat het door hen zelf opgevraagde medische dossier 9 van de 10 keer verre van compleet is. Na een toelichting hierop en voorlegging van een alternatieve machtiging zijn zij blij met de geboden bescherming.”
cliënten na ‘gedwongen’ te zijn het huisartsenjournaal te delen, aarzelen om nog hun huisarts te raadplegen voor gezondheidsklachten. Simpelweg omdat zij niet willen dat deze informatie bij derden bekend wordt. Het kan dan gaan om klachten die los staan van de schadeveroorzakende gebeurtenis en niet relevant zijn voor de schadevaststelling(…).” Volgens deze inzending geldt “
dat cliënten grote moeite hebben met het delen van hoogstpersoonlijke informatie die soms alleen bij de huisarts bekend is.” Daaraan wordt toegevoegd: “
De informatie wordt weliswaar gebruikt door professionals in een professionele setting, maar dat is niet bepalend voor het gevoel van cliënten om hun kwetsbaarheden ‘openbaar’ te maken. Wij kunnen niet genoeg benadrukken hoe deze impact op onze cliënten wordt onderschat door professionals. Voor de zekerheid: de negatieve gevoelens bestaan ook bij cliënten waarbij de wederpartij zorgvuldig omgaat met de medische informatie. Het vorenstaande maakt ook dat wij cliënten adviseren om alleen een medische machtiging te tekenen die zo veel mogelijk recht doet aan het beschermen van de vertrouwelijkheid van medische informatie.”
De medische machtiging dient afgestemd te worden op de aanwezige documenten in het medisch dossier die relevant zijn voor het beoordelen van de aansprakelijkheidsvraag. De patiënt (en diens eventuele belangenbehartiger), de aangesproken hulpverlener en de aansprakelijkheidsverzekeraar/behandelend jurist namens de aangesproken hulpverlener dienen samen te bepalen welke documenten uit het medisch dossier dit zijn.
Eventuele overige medische documenten die zich ook in het dossier bevinden maar die niet direct relevant zijn voor de aansprakelijkheidsvraag, dienen met het oog op de subsidiariteit niet (direct) aan de verzekeraar te worden overlegd. Eventueel kunnen deze documenten in een later stadium van de schaderegeling alsnog met een hernieuwde medische machtig[ing] aan de verzekeraar worden verstrekt.”
vrij simpel” is, te weten dat alleen de medisch adviseur kennisneemt van de medische informatie. Volgens deze inzender kan de schadebehandelaar/jurist van de verzekeraar “
met het medisch advies uit de voeten om de aansprakelijkheid te beoordelen en kan[deze]
waar nodig aanvullende vragen stellen aan haar medisch adviseur.” Daaraan wordt toegevoegd: “
Zo gaat dat ook bij het beoordelen van de medische informatie door verzekeraars in WAM-zaken en bedrijfsongevallen. Op die manier blijft de medische informatie namelijk tussen de artsen. Of sprake is van medisch verwijtbaar handelen is namelijk een medische vraag. Waar nodig kan nog toestemming worden gegeven aan de medisch adviseur om collegiaal overleg te hebben met de verzekerde arts (bijvoorbeeld in het geval van een medische misser de arts die de vermeende misser zou hebben begaan). Dan blijft het ook nog steeds tussen artsen die de medische informatie daadwerkelijk kunnen ‘lezen’ en begrijpen.”
personalia patiënt en omschrijving gebeurtenis]
(Volgens § 3.3.1 van de Medische Paragraaf moet in dat geval duidelijk worden beschreven om welke informatie het precies gaat en waarom deze informatie noodzakelijk is voor de beoordeling van uw zaak. Een toelichting vindt u op de achterzijde van dit formulier.)
gegevens van informatieverkrijger]
ondertekening]
Met uw medische gegevens moet zorgvuldig worden omgegaan. In de Medische Paragraaf bij de Gedragscode Behandeling Letselschade staat wat een zorgvuldige omgang met uw medische informatie inhoudt. U vindt de Medische Paragraaf op www.deletselschaderaad.nl. De belangrijkste regels vindt u hieronder. Voor meer informatie kunt u terecht bij uw belangenbehartiger of de aansprakelijk gestelde verzekeraar.
U heeft letselschade en wilt uw schade verhalen op de aansprakelijke partij. Diens verzekeraar heeft uw medische informatie nodig om uw situatie te beoordelen. Zonder informatie kan de verzekeraar niet vaststellen welk letsel u heeft opgelopen en welke klachten en beperkingen daardoor zijn ontstaan. De verzekeraar heeft uw uitdrukkelijke toestemming nodig voor het opvragen en gebruiken van uw medische informatie.
Als u geen belangenbehartiger heeft, vraagt de medisch adviseur van de verzekeraar de medische informatie over u op. Heeft u wel een belangenbehartiger, dan schakelt die vaak een medisch adviseur in. Doorgaans vraagt deze medisch adviseur (of uw belangenbehartiger zelf) dan uw medische informatie op.
De medisch adviseur van de verzekeraar vraagt de noodzakelijke informatie op bij uw behandelend arts(en) en/of behandelaars. U geeft uw arts(en) toestemming om de informatie te verstrekken met behulp van een (of meer) gerichte medische machtiging(en). ‘Gericht’ wil zeggen dat uw toestemming alleen geldt voor de in de machtiging omschreven informatie en alleen voor de genoemde arts, zorgverlener of instantie. U kunt deze machtiging op ieder
U kunt uw arts(en) en/of behandelaars een gerichte medische machtiging verstrekken, maar u kunt ook kiezen voor een medische volmacht. Daarmee machtigt u uw medisch adviseur (of belangenbehartiger) om uit uw naam de noodzakelijke medische informatie op te vragen bij al uw behandelend arts(en), zorgverleners en instanties. Ook deze machtiging kunt u op ieder moment intrekken.
Meestal heeft de medisch adviseur van de verzekeraar alleen de medische informatie nodig die direct te maken heeft met de schadeveroorzakende gebeurtenis (zoals een ongeval). Soms is ook medische informatie nodig die niet direct met het ongeval te maken heeft. De medisch adviseur moet in dat geval duidelijk aangeven waarom hij uw zaak niet kan beoordelen zonder die aanvullende informatie. In de Medische Paragraaf bij de Gedragscode Behandeling Letselschade (§ 3.3.1) staat welke regels hierbij gelden. Uw medische informatie wordt uitsluitend gebruikt voor uw letselschadezaak.
Als u een belangenbehartiger en een medisch adviseur heeft, beoordelen zij de opgevraagde informatie. Daarnaast beoordeelt de medisch adviseur van de verzekeraar (en zijn medische staf) uw medische informatie. Soms zal de medisch adviseur daarbij een (medisch) specialist raadplegen, bijvoorbeeld als er specifieke medische kennis nodig is voor het opstellen van het advies. De medisch adviseur van de verzekeraar verwerkt in zijn advies alleen de medische informatie die hij van belang vindt voor uw zaak.
Het medisch advies gaat naar degenen die voor de verzekeraar uw zaak behandelen. Soms krijgt ook een arbeidsdeskundige of een advocaat van de verzekeraar inzage in het advies. In de regel heeft de verzekeraar voldoende aan alleen het medisch advies. Maar soms zullen ook achterliggende stukken nodig zijn voor de beoordeling van uw situatie. In dat geval neemt de medisch adviseur van de verzekeraar deze informatie op in de bijlagen bij zijn advies. Ook hiervoor gelden strikte voorwaarden. Deze voorwaarden vindt u in § 3.6.4 van de Medische Paragraaf bij de Gedragscode Behandeling Letselschade.
Soms kan het nodig zijn om – naast de medisch adviseur(s) – een onafhankelijk medische deskundige in te schakelen. Door ondertekening van dit machtigingsformulier geeft u eveneens toestemming voor het verstrekken van het rapport van een gezamenlijke expertise aan de medische adviseur(s), uw eventuele belangenbehartiger en de schadebehandelaar van de verzekeraar. Deze toestemming doet niet af aan uw recht het rapport eventueel te blokkeren alvorens het aan derden wordt verstrekt.
In de meeste gevallen wordt letselschade in overleg met de verzekeraar afgewikkeld. Soms komen partijen er samen niet uit en moet de rechter beslissen. Het kan dan noodzakelijk zijn om (een deel van) uw medische informatie naar de rechter te sturen.
Alle betrokken partijen – uw belangenbehartiger, de medisch adviseurs en de verzekeraar – houden bij wanneer en aan wie zij welke medische informatie verstrekken. Deze informatie kunt u op elk moment opvragen bij de verzekeraar en/of uw belangenbehartiger. Zo weet u altijd waar uw medische informatie is.”
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A].
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A].
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A] te verstrekken. Ook machtig ik de direct bij de behandeling van mijn schadeclaim betrokkenen, te weten de schadebehandelaar van de zorginstelling dan wel de schadebehandelaar en de (interne/externe) medisch adviseur van [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A], inzage te hebben in deze gegevens. Deze toestemming om relevante medische gegevens te verstrekken geschiedt onder de voorwaarde dat de tot mij herleidbare gegevens uitsluitend worden gebruikt voor de beoordeling van mijn schadeclaim.
personalia patiënt en gegevens aansprakelijk gestelde zorginstelling]
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A].
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A] is verstrekt.
ondertekening]
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A] werkt volgens de Gedragscode Openheid medische incidenten; betere afwikkeling Medische Aansprakelijkheid (GOMA). U vindt de GOMA op www.deletselschaderaad.nl. [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A] is daarnaast gehouden aan de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars.
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A] heeft (medische) informatie nodig om uw aanspraak op schadevergoeding te kunnen beoordelen. Met deze machtiging en toestemming kunnen wij de medische informatie opvragen en verwerken. Zonder deze informatie kan het handelen van de aangesproken zorginstelling / behandelaar(s), en de gevolgen daarvan (uw letsel en/of beperkingen) niet worden beoordeeld.
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A], de schadebehandelaar van de zorginstelling en/of [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A] et cetera. Alle betrokkenen hebben een geheimhoudingsplicht.
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A] uw persoonsgegevens?
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A] mag persoonsgegevens alleen verwerken als daar een grondslag voor bestaat zoals genoemd in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A] is de verzekeraar van de zorginstelling en heeft in dat kader een gerechtvaardigd belang om deze persoonsgegevens te verwerken aangezien dit noodzakelijk is voor de behandeling van uw schadeclaim. Medische gegevens verwerkt [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A] op basis van uw uitdrukkelijke toestemming middels deze machtiging en toestemming.
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A] kan persoonsgegevens verstrekken aan derden. Dit gebeurt alleen als dit noodzakelijk is voor het beoordelen en behandelen van uw schadeclaim. U kunt hierbij denken aan een rekenkundige, arbeidsdeskundige of advocaat.
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A] gebruik van de diensten van andere partijen, zoals kantoorautomatiseerders en softwareleveranciers. Deze derden zijn verwerkers van [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A] en verwerken uw persoonsgegevens slechts ten behoeve van [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A] en voor geen enkel ander doel. [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A] blijft dan ook verantwoordelijk voor de verwerking.
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A] uw persoonsgegevens?
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A] verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen. Tot slot heeft u het recht op beperking van de verwerking van persoonsgegevens en het recht om persoonsgegevens over te dragen. Voor een uitgebreidere uitleg van deze rechten verwijzen wij u naar het privacy statement op onze website www.[
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A].nl.
medische aansprakelijkheidsverzekeraar A], dan kunt u contact opnemen met onze functionaris gegevensbescherming via [
gegevens medische aansprakelijkheidsverzekeraar A]. U kunt de functionaris gegevensbescherming ook telefonisch bereiken op nummer [
telefoonnummer].”
medische aansprakelijkheidsverzekeraar B].
personalia patiënt, omschrijving gebeurtenis en gegevens aansprakelijk gestelde zorgaanbieder en overige zorgverleners]
medische aansprakelijkheidsverzekeraar B]. Tevens machtig ik de verzekeraar om de benodigde relevante medische gegevens bij de hierboven genoemde zorgaanbieders op te vragen.
ondertekening]
...(omschrijving gebeurtenis)... meen ik (ondergetekende) schade te hebben geleden waarvoor ik de hierna te noemen zorginstelling en/of zorgverlener(s) aansprakelijk acht. De zorginstelling heeft mijn schadeclaim bij [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar C] gemeld.
medische aansprakelijkheidsverzekeraar C].
medische aansprakelijkheidsverzekeraar C] te verstrekken. Ook machtig ik de direct bij de behandeling van mijn claim betrokkenen, te weten de schadebehandelaar en de (interne/externe) medisch adviseur van [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar C], om inzage te hebben in deze gegevens en daarover te overleggen. Deze toestemming om relevante medische gegevens te verstrekken geschiedt onder de voorwaarde dat de tot mij herleidbare gegevens uitsluitend worden gebruikt voor de beoordeling van mijn claim.
personalia patiënt, omschrijving gebeurtenis en gegevens aansprakelijk gestelde zorgaanbieder en overige zorgverleners]
ondertekening]
medische aansprakelijkheidsverzekeraar C], heeft medische informatie nodig om uw aanspraak op schadevergoeding te kunnen beoordelen. Deze informatie is nodig om het handelen van de aangesproken zorginstelling en/of behandelaar(s) en de gevolgen daarvan (letsel, beperkingen) te beoordelen. Met deze machtiging geeft u toestemming voor het opvragen en gebruiken van uw relevante medische informatie. De medische gegevens worden uitsluitend gebruikt voor de beoordeling van uw claim.
medische aansprakelijkheidsverzekeraar C]. Alle betrokkenen hebben een geheimhoudingsplicht en zijn gebonden aan het privacy-protocol van [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar C].
gegevens patiënt]
medische aansprakelijkheidsverzekeraar C] kennis te nemen van de medische gegevens die voor beoordeling en behandeling van de schadekwestie van belang kunnen zijn.
ondertekening]
medische aansprakelijkheidsverzekeraar C].nl kunt u lezen hoe wij met uw persoonsgegevens omgaan en welke rechten u heeft. Onze functionaris gegevensbescherming kunt u bereiken via [
e-mailadres]. Enkele belangrijke regels zijn hieronder samengevat.
e-mailadres].
website]
website]. voor het volgen van de verschillende fasen van uw claimafhandeling. Om dit te kunnen doen delen wij uw naam en e-mailadres met de contractpartij die [
website] onderhoudt/host.
personalia patiënt]
perifeer ziekenhuis A]
medische aansprakelijkheidsverzekeraar], respectievelijk aan degenen die het ziekenhuis in dezen vertegenwoordigen, mededelingen te doen, alsmede medische stukken te (laten) verstrekken inzake de behandeling in verband met:
omschrijving gebeurtenis en datum en tijd]
perifeer ziekenhuis A] zullen van de verkregen informatie strikt vertrouwelijk gebruik maken.
ondertekening]”
personalia patiënt]
perifeer ziekenhuis B] mededelingen te doen, alsmede medische stukken in te zien inzake de behandeling in verband met
omschrijving gebeurtenis]
perifeer ziekenhuis B] werkzaam zijn, alsook in voorkomend geval aan de aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis, zijnde [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar], respectievelijk aan degenen die het ziekenhuis in deze vertegenwoordigen.
medische aansprakelijkheidsverzekeraar] indien en voor zover dat nodig is in het kader van de schadebeoordeling en/of schadebehandeling de betrokken medewerkers en adviseurs van [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar] informeert omtrent de verstrekte medische informatie. De medewerkers en adviseurs zullen van de verkregen informatie een strikt vertrouwelijk gebruik maken.
ondertekening]”
perifeer ziekenhuis C], alsmede de met de afhandeling van de aansprakelijkstelling belaste medewerkers, verbonden aan:
perifeer ziekenhuis C]
perifeer ziekenhuis C] berustende medische, verpleegkundige en paramedische gegevens met betrekking tot de aansprakelijkstelling in te zien.
perifeer ziekenhuis C].
perifeer ziekenhuis C] en zo nodig de
perifeer ziekenhuis C] om zijn/haar persoonsgegevens te verwerken als bedoeld in de Algemene Verordening Gegevensbescherming met als doel het beoordelen en behandelen van de schadeclaim.
ondertekening]”
personalia patiënt]
umc A], die betrokken zij bij de behandeling van ondergetekende,
umc A], die betrokken zijn bij de behandeling van de claim en aan de medewerkers en medisch adviseur(s) van [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar], respectievelijk aan degenen die het ziekenhuis in deze representeren, mededelingen te doen, alsmede medische stukken te verstrekken inzake de behandeling in verband met:
omschrijving gebeurtenis]
umc A] die betrokken zijn bij de behandeling van de claim, de medisch adviseur en de medewerkers van [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar] om kennis te nemen van de medische informatie en deze te verwerken in het kader van de behandeling van de schadeclaim. De informatie zal strikt vertrouwelijk worden gebruikt.
umc A] en [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar] om zijn/haar persoonsgegevens te verwerken zoals bedoeld in de Algemene verordening Gegevensbescherming (AVG), met als doel het beoordelen en behandelen van de schadeclaim
ondertekening]
umc A] aansprakelijk is voor de door u geleden schade. Door ondertekening van dit formulier geeft u toestemming aan zowel degenen die in het [
umc A] betrokken zijn van de behandeling van de claim, als aan de medewerkers en medisch adviseur(s) van [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar] dat zij kennis nemen van de relevante gegevens uit uw medisch dossier en uw persoonsgegevens verwerken. U mag uw toestemming te allen tijde intrekken. Dit laat de rechtmatigheid van de verwerking van uw medische gegevens vóór het intrekken van de toestemming in stand. Het medisch dossier wordt primair gebruikt voor de beoordeling van het handelen van de zorgverlener. Mocht er sprake zijn van een fout, wordt het gebruikt voor de beoordeling van het causaal verband tussen de gevorderde schade en de fout. Ook voor de beoordeling van de schadeomvang kan inzage in het medisch dossier van belang zijn. Omdat uw claim pas beoordeeld en in behandeling kan worden genomen nadat u deze machtiging hebt verleend, is een spoedige retourzending van de ingevulde en ondertekende machtiging van belang.
umc A] en [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar] mijn persoonsgegevens ten aanzien van de behandeling van de schadeclaim?
umc A] en [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar] mogen persoonsgegevens alleen verwerken als daar een grondslag voor bestaat zoals genoemd in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Het [
umc A] en [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar] hebben een gerechtvaardigd belang om deze persoonsgegevens te verwerken aangezien dit noodzakelijk is voor de afhandeling van uw schadeclaim. Het [
umc A] en [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar] verwerken uw medische gegevens aangaande uw schadeclaim op basis van uw uitdrukkelijke toestemming middels deze machtiging. Indien u ons deze gegevens niet verstrekt, kan uw schadeclaim niet in behandeling worden genomen.
umc A] en [
medische aansprakelijkheidsverzekeraar] kunnen persoonsgegevens doorgeven aan derden. Dit doen wij alleen als dit noodzakelijk is voor het beoordelen en behandelen van uw schadeclaim. U kunt hierbij denken aan een externe letselschade-expert die een huisbezoek aan u aflegt en daarvoor natuurlijk gegevens nodig heeft of aan een medisch adviseur die door ons wordt ingeschakeld om voorlichting te geven over de medische aspecten van uw schadeclaim. Tot slot kan het zijn dat wij een rekenkundige, arbeidsdeskundige of advocaat inschakelen wanneer de behandeling van uw dossier hierom vraagt.
personalia patiënt]
umc B] alsmede
umc B] inzien en/of afschriften ontvangen in het kader van de beoordeling van de ingediende aansprakelijkstelling, indien en voor zover zulks volgens hen nodig is in het kader van de behandeling daarvan. De bovengenoemde personen zullen van de verkregen informatie strikt vertrouwelijk gebruik maken.
ondertekening]”