Conclusie
Achmea c.s.in meervoud (eiseressen tot cassatie),
Achmea(eiseres tot cassatie onder 1),
SIPOR(eiseres tot cassatie onder 2), en
verweerder(verweerder in cassatie).
1.Inleiding
2.Feiten
3.Procesverloop
In eerste aanleg
de rechtbank). Zij hebben de rechtbank verzocht om bij beschikking voor recht te verklaren dat, mocht verweerder er in slagen aan te tonen dat hij vóór het ongeval inkomsten uit zwart werk had (en deze zwarte werkzaamheden zonder ongeval zou hebben voortgezet), deze gestelde inkomsten uit zwart werk buiten beschouwing moeten worden gelaten bij het bepalen van de omvang van de schade wegens verlies van verdienvermogen die door Achmea aan verweerder zou moeten worden vergoed.
het hof). Bij memorie van grieven hebben zij hun eis gewijzigd. Zij hebben gevorderd dat het hof de deelgeschilbeschikking vernietigt en, opnieuw rechtdoende:
primair: voor recht verklaart dat de door verweerder gestelde genoten en gederfde inkomsten uit zwart werk buiten beschouwing moeten worden gelaten bij het begroten van de omvang van de schade wegens verlies van verdienvermogen die door Achmea c.s. zou moeten worden vergoed;
subsidiair: voor recht verklaart dat de door verweerder gestelde genoten en gederfde inkomsten uit zwart werk uitsluitend dienen te worden betrokken bij het begroten van de omvang van de schade wegens verlies van verdienvermogen die door Achmea c.s. zou moeten worden vergoed, indien en voor zover hij stelt en bewijst dat hij die inkomsten ook (en in dezelfde omvang) zou hebben genoten en zou zijn blijven genieten indien op die inkomsten de toepasselijke belastingen en premies zouden zijn c.q. worden ingehouden of afgedragen;
primair en subsidiair: verweerder veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.
primairde hiervoor in 3.2 achter de eerste drie gedachtestreepjes weergegeven stellingen ten grondslag gelegd en
subsidiairde daar achter het laatste gedachtestreepje weergegeven stellingen. Aan hun subsidiaire vordering hebben Achmea c.s., puntsgewijs weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd: [8]
Schade aan een niet-rechtmatig belang; relativiteit van de norm
als zodanigverboden zijn – ze zijn in strijd met de wet – en daarmee om belangen die geen bescherming verdienen. Om die reden wordt gesproken van schade aan een niet-rechtmatig belang. Over de rechtsgrond waarop dergelijke schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, bestaat geen eenduidigheid. Veelal wordt aangenomen dat in dat geval niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW Pro: geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.
Zwarte inkomsten) en het geeft de stellingen weer die Achmea c.s. met betrekking tot dit arrest hebben ingenomen:
Uitleg HR 24 november 2000: omvang bewijslast
De rechter die de omvang van de schade als de onderhavige begroot, zal aan de hand van de beschikbare gegevens moeten vaststellen en eventueel moeten schatten welk netto-inkomen de gelaedeerde zou hebben genoten of zou hebben kunnen genieten indien ter zake van de beloning van de desbetreffende werkzaamheden zou zijn overeengekomen dat belasting en premie zouden worden ingehouden. Er is slechts voldoende grond om bij de begroting van de schade uit te gaan van de veronderstelling dat het zonder inhouding van belasting en premie betaalde loon gelijk is aan het bedrag dat bij inhouding van belasting en premie zou zijn betaald, indien en voor zover aannemelijk is dat degene voor wie de gelaedeerde “zwart” werkte, bereid was geweest c.q. bereid zou zijn gebleven (alsnog) de verschuldigde belasting en premie volledig voor zijn rekening te nemen.’
het arrest). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep, kosten rechtens. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. Achmea c.s. hebben gerepliceerd en verweerder heeft gedupliceerd.
4.Vaststelling bestaan en omvang verlies van arbeidsvermogen
nietop vergoeding van de gederfde winst die door de smokkelhandel had kunnen worden verkregen. [21]
zalontwikkelen en aan de andere zijde de hypothetische situatie zoals die zich zonder het letsel
zouhebben ontwikkeld. Minder gelukkig lijkt mij de precisering dat het bij de beoordeling van de hypothetische situatie aankomt op hetgeen redelijkerwijs
te verwachtenvalt, omdat ‘verwachten’ suggereert dat zich iets zal realiseren en dat is bij een hypothetische situatie nu eenmaal niet het geval. Beter lijkt het mij om te spreken van inschattingen of veronderstellingen. Dat leert ook iets over het ‘bewijs’ ervan, waarover nader nr. 4.14 e.v. Goede en kwade kansen moeten daarbij uiteraard in aanmerking worden genomen, maar dát geldt evenzeer voor de verwachtingen ten aanzien van de toekomst
metletsel.
belangis gelegen in het verlies van
arbeidsvermogenen dat feitelijk toekomstig
inkomenen hypothetisch toekomstig
inkomende aanknopingspunten vormen voor de vaststelling van het
bestaan en de omvangvan de schade.
verwachtingenten aanzien van feitelijke toekomstige ontwikkelingen in kaart moeten worden gebracht (wat kan de benadeelde nog?, hoe zal dit vermogen zich ontwikkelen?, hoe kan hij dat te gelde maken?, hoe zullen arbeidsmarktomstandigheden zich in het algemeen en meer specifiek ten aanzien van deze benadeelde ontwikkelen?, et cetera), maar eens te meer omdat
inschattingenmoeten worden gedaan om tot de constructie van een hypothetisch scenario zonder het letsel te komen. Daarbij moeten in wezen dezelfde vragen worden beantwoord, maar dan ten aanzien van een
hypothetischetoekomst zonder letsel.
onzekerheidten aanzien van feitelijke en hypothetische realisatie van goede en kwade kansen, maar ook op meer normatieve aspecten: met welke omstandigheden mag wel of niet worden gerekend? Ten aanzien van dat laatste staat volgens mij buiten kijf dat het hypothetische scenario waarmee wordt gerekend niet in strijd mag zijn met de wet. [29] Dat sluit evenwel niet uit dat daarbij omstandigheden worden betrokken uit het verleden die verband houden met een situatie die niet (geheel) in overeenstemming was met de wet. [30] Het hierna te bespreken arrest
Zwarte inkomstenvormt daarvan een illustratie.
onzekerheden. De genoemde rechterlijke vrijheid bestaat niet ten aanzien van de vraag met welke omstandigheden wel of niet
magworden gerekend: het hypothetische scenario moet als gezegd binnen de grenzen van de wet liggen, anders zouden er niet-rechtmatige belangen in kunnen worden betrokken. Dat het gaat om inschatting van onzekerheden brengt mee dat aan het bewijs ervan door de benadeelde geen hoge eisen mogen worden gesteld. Uw Raad heeft die regel steeds gemotiveerd met de overweging dat het immers de aansprakelijke veroorzaker is geweest die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied. [31] Hoewel de regel dat geen al te zware eisen mogen worden gesteld aan het bewijs op zichzelf juist is, heeft Akkermans zich, volgens mij op goede gronden, kritisch getoond over de motivering ervan:
inkomenmoet worden ‘heen gekeken’ biedt de zaak die aanleiding heeft gegeven tot een arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2017 (hierna ook:
Poolmolen). [33] In deze zaak had een nog jonge man (G.), die als gevolg van een ongeval waarvoor aansprakelijkheid was erkend whiplash-gerelateerde klachten had opgelopen bij een ongeval, ten aanzien van het verlies van zijn toekomstig arbeidsvermogen aanvankelijk een (hypothetische) loopbaan als molenaar uitgetekend. Nadat de rechtbank zijn vordering had afgewezen, omdat de molen waarin hij werkte niet rendabel bleek en daarom geen verlies van arbeidsvermogen zou zijn geleden, nam hij in hoger beroep het standpunt in dat dat hij in de hypothetische situatie zonder ongeval na zijn afstuderen aan de Swiss Milling School de watermolen slechts drie jaren zou hebben geëxploiteerd, en daarna, evenals zijn oud-studiegenoten, een baan elders zou hebben gezocht en gevonden omdat de watermolen slechts een resultaat zou genereren op minimaal bestaansniveau. Over deze standpuntwijziging, die door het hof werd verworpen, oordeelde Uw Raad:
vermogenom in een hypothetisch scenario uit arbeid inkomen te genereren en dat in het verleden gegenereerd
inkomendaarvoor een (belangrijk) aanknopingspunt kan bieden, maar niet beslissend is.
verwachtingals gevolg van de aansprakelijkheidscheppende toestand zal bevinden enerzijds en de hypothetische situatie waarin deze zich naar
inschattingzonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zou hebben bevonden. Voorafgaand aan de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis daadwerkelijk verrichte werkzaamheden en daaruit genoten inkomsten vormen voor de inschatting van de hypothetische situatie zonder ongeval een weliswaar belangrijk aanknopingspunt, maar zijn daarvoor niet beslissend.
Zwarte inkomstenbesproken en de kernoverweging van dat arrest weergegeven. [35] Ten behoeve van de zelfstandige leesbaarheid van deze Conclusie zal ik dat nogmaals doen en een enkele overweging toevoegen.
Zwarte inkomstenhad een werknemer bij een bedrijfsongeval blijvend letsel opgelopen. Daardoor was hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt geworden. In cassatie ging het alleen nog om de schade die de werknemer had geleden en zou lijden wegens gemist overwerk bij zijn werkgever en wegens gemiste nevenwerkzaamheden in een bakkerij. Over de daaruit in het verleden genoten inkomsten waren door de werkgever geen inkomstenbelasting en premies afgedragen. De rechtbank nam aan dat de werknemer die werkzaamheden tot zijn 55e levensjaar volledig had kunnen verrichten en dat hij deze gedurende de daarop volgende vijf jaren lineair zou hebben afgebouwd tot zijn 60e levensjaar. In cassatie klaagde de werkgever allereerst dat onbegrijpelijk is dat de rechtbank dit uitgangspunt redelijk acht. Uw Raad verwierp deze klacht als volgt:
ofbij het bepalen van de omvang van verminderd arbeidsvermogen wel rekening mag worden gehouden met inkomsten uit arbeid waarover geen belasting en premies zijn afgedragen, wordt in de literatuur door enkele auteurs (voorzichtig) aangenomen dat de uitspraak van Uw Raad meebrengt dat die vraag (impliciet) bevestigend is beantwoord. [36]
Zwarte inkomsteninderdaad een bevestigend antwoord te lezen op de vraag of werkzaamheden waaruit inkomsten zijn genoten waarover geen inkomstenbelasting en premies zijn afgedragen in aanmerking mogen worden genomen bij de vaststelling van de omvang van verlies van arbeidsvermogen. Ik leid dat, behalve uit de hiervoor onder 4.19 geciteerde rechtsoverweging 3.2 uit dat arrest (waaruit kan worden opgemaakt dat voor de vaststelling van verlies van arbeidsvermogen relevant is dat wordt aangenomen dat dergelijke werkzaamheden ook in de hypothetische situatie zonder het ongeval zouden zijn verricht), af uit de volgende overweging (uit r.o. 3.3), en in het bijzonder uit de woorden ‘desbetreffende werkzaamheden’:
Zwarte inkomstenwijst volgens mij ook de weg hoe bij de inschatting/constructie van het inkomen in het hypothetische scenario zonder de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis moet worden omgegaan met de omstandigheid dat voorafgaand aan het ontstaan van het letsel arbeid werd verricht waaruit inkomsten werden genoten waarover geen belasting en premies zijn afgedragen. Eerst moet worden beslist of aannemelijk is dat en in welke omvang dergelijke werkzaamheden ook zouden zijn verricht indien het letsel niet zou zijn toegebracht (vgl. de hiervoor onder 4.19 geciteerde passage uit r.o. 3.2 van
Zwarte inkomsten). Daarbij moet ervan worden uitgegaan dat over die werkzaamheden belasting en premies zouden worden afgedragen (r.o. 3.3). Vervolgens zal een inschatting moeten worden gemaakt van de inkomsten die uit die werkzaamheden zouden zijn gegenereerd.
meerarbeid hebben verricht om op netto basis hetzelfde inkomen mee naar huis te kunnen nemen, 4) de werknemer zou dezelfde werkzaamheden hebben verricht en hetzelfde inkomen hebben genoten als zonder het letsel, omdat zijn werkgever bereid zou zijn geweest en gebleven om (alsnog) de verschuldigde belasting en premies voor zijn rekening te nemen. Ik merk op dat al deze scenario’s in overeenstemming zijn met het recht: in geen ervan wordt belasting ontdoken.
Zwarte inkomsteniets minder dan twintig uitspraken gepubliceerd over gevallen waarin een benadeelde vergoeding vorderde van verlies van arbeidsvermogen, terwijl werd gesteld dat voorheen inkomsten waren genoten waarover geen belasting en premies waren afgedragen. [39] In iets meer dan een derde van deze uitspraken werd de vordering afgewezen omdat de benadeelde niet had bewezen dát dergelijke werkzaamheden waren verricht dan wel in welke mate die waren verricht. [40] In de meeste uitspraken werd de vordering (deels) toegewezen, waarbij het in aanmerking te nemen netto-inkomen werd begroot door toepassing van een fictieve correctie op het feitelijk door de benadeelde ontvangen bedrag, als waren premies en belasting ingehouden. Daarbij is veelal uitdrukkelijk verwezen naar het arrest
Zwarte inkomsten. [41]
schade aan niet-rechtmatige belangen. [42] Naar aanleiding van een van deze uitspraken is er in de literatuur discussie ontstaan over de vraag of werkzaamheden die vóór het ongeval werden verricht en waaruit inkomsten zijn genoten waarover geen inkomstenbelasting en premies zijn afgedragen mogen worden betrokken bij de begroting van het verlies van toekomstig arbeidsvermogen. Daarbij is de stelling betrokken dat ‘louter de witte situatie’ als basis kan dienen voor de vaststelling van verlies van arbeidsvermogen en dat het daarbij betrekken van inkomen uit ‘zwarte werkzaamheden’ maatschappelijk onaanvaardbaar is. [43]
Zwarte inkomstenevenwel geoordeeld:
dezelfdewerkzaamheden zou zijn blijven verrichten, maar dan tegen
nettovergoeding. De hierboven geciteerde overweging sluit ‘variant 3’ dus weliswaar niet uit, maar suggereert tenminste dat variant 3 ook niet zonder meer als uitgangspunt mag worden gehanteerd. Eigenlijk geldt voor deze variant evenzeer als wat geldt voor de door de rechtbank in
Zwarte inkomstentoegepaste variant (zonder meer het ‘zwart’ genoten bedrag in aanmerking nemen): ook die variant is ‘in zijn algemeenheid onjuist’. Die variant mag alleen worden gevolgd – in de woorden van
Zwarte inkomsten–: ‘indien en voor zover aannemelijk is dat degene voor wie de gelae-deerde “zwart” werkte, bereid was geweest c.q. bereid zou zijn gebleven (alsnog) de verschuldigde belasting en premie volledig voor zijn rekening te nemen’.
magworden afgeleid dat dat in de hypothetische situatie ook zou zijn gebeurd. Bij de constructie van het hypothetische scenario zal de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval en de daarover door partijen ingenomen stellingen moeten inschatten of, en zo ja, in welke mate werkzaamheden zouden zijn verricht indien daarover belasting en premies zouden zijn afgedragen. Hij mag er daarbij niet zonder meer van uitgaan dat de benadeelde in het hypothetische scenario ‘wit’ zou hebben verdiend wat hij voorheen ‘zwart’ verdiende. Hij mag er evenmin zonder meer van uitgaan dat de benadeelde in het hypothetische scenario datgene zou hebben verdiend wat hij voorheen verdiende, maar dan na aftrek van belasting en premies.
volledigwordt vergoed. [48] De rechter moet zoveel als redelijkerwijs mogelijk is de werkelijk geleden en te lijden schade begroten, [49] in beginsel met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. [50] Op praktische gronden en om redenen van billijkheid kan in bijzondere gevallen van een of meer omstandigheden van het geval worden geabstraheerd. [51] Als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, moet de rechter de schade schatten. Over de vraag of ten behoeve van vlottere schadeafwikkeling bij de vaststelling van de omvang van schade wegens verlies van arbeidsvermogen niet meer zou moeten worden geabstraheerd van bepaalde concrete omstandigheden valt veel te zeggen, maar omdat dat aan de kern van de onderhavige zaak voorbijgaat, laat ik dat hier rusten.
het begroten van schadeeen grote mate van vrijheid toekomt en dat hij daarbij niet is gebonden aan de regels omtrent stelplicht en bewijslast. [52]
World Onlineis bij mijn weten voor het eerst uitdrukkelijk verwoord dat de gewone bewijsregels in beginsel ook gelden bij de schadebegroting. Uw Raad overwoog:
Poolmolen. [55] Aan de benadeelde mogen in dit verband evenwel geen strenge eisen worden gesteld. Ik herhaal de volgende passage uit
Poolmolen:
verwachtingenten aanzien van de ontwikkeling van de feitelijke situatie met letsel en om redelijke
inschattingenof veronderstellingen ten aanzien van (ontwikkelingen in) een hypothetisch scenario zonder letsel. Geen van beide scenario’s laten zich als feitencomplex bewijzen, [57] maar feiten die aan de constructie van de scenario’s ten grondslag worden gelegd lenen zich uiteraard wel voor bewijs. Die feiten hebben, het is hiervoor al gezegd, doorgaans vooral betrekking op het voorafgaand aan het letsel genoten inkomen, wat in de praktijk het vertrekpunt vormt voor het uittekenen van het hypothetische scenario zonder letsel, maar daarvoor niet beslissend is.
op dit punttegemoet zou moeten worden gekomen. Iets anders is dat het voorheen genoten inkomen een
bouwsteenis voor de inschatting van het inkomen in het hypothetische scenario zonder het letsel. De aard van die inschatting brengt mee dat aan de stelplicht van de benadeelde geen strenge eisen mogen worden gesteld.
uitgangspuntvoor de berekening van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding dient dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven (4.3). [60]
belangis gelegen in het verlies van
arbeidsvermogen; feitelijk toekomstig
inkomenen hypothetisch toekomstig
inkomenvormen de maatstaf voor de vaststelling van het
bestaan en de omvangvan de schade door verlies van arbeidsvermogen (4.11).
Verwachtingen over de toekomstige situatie met letsel en
inschattingenten aanzien van de hypothetische situatie zonder letsel laten zich evenwel als zodanig niet bewijzen, wel de feiten die eraan ten grondslag worden gelegd (4.41).
5.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1komt met verschillende klachten op tegen het oordeel dat de primair gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar is. In
onderdeel 2, dat subsidiair is voorgesteld, komen vragen aan de orde die betrekking hebben op (stelplicht en bewijslast en daaraan te stellen eisen bij) de begroting van schade in verband met gemiste inkomsten uit zwart werk.
nietdient te worden vergoed. Het subonderdeel betoogt dat gemiste inkomsten uit zwart werk, anders dan het hof in r.o. 5.11 en 5.12 overweegt, dienen te worden gekwalificeerd als “schade aan een niet-rechtmatig belang die niet voor vergoeding in aanmerking komt”. Het subonderdeel voert daartoe het volgende aan: (i) inkomsten uit zwart werk worden verkregen door een strafbaar feit te plegen (namelijk door in strijd met het gemeenschapsbelang fiscale wetgeving te ontduiken) waarmee bovendien in strijd wordt gehandeld met de maatschappelijke zorgvuldigheid; (ii) aan de ontoelaatbaarheid en maatschappelijke onwenselijkheid van het vergoeden van gemiste inkomsten uit zwart werk wordt niets afgedaan indien deze worden vergoed na toepassing van een correctie alsof wel de verschuldigde belastingen en premies zouden zijn afgedragen; en (iii) het is onjuist om bij de schadebegroting op deze (of andere) wijze via het begrip ‘verdienvermogen’ te abstraheren van het feit dat in de hypothetische situatie zonder aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zwarte inkomsten zouden zijn genoten.
subonderdeel 1.2miskent het hof in r.o. 5.11 en 5.12 dat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste. Ter toelichting wordt aangevoerd dat geen enkele norm strekt ter bescherming van niet-rechtmatige belangen. Het subonderdeel herhaalt dat van dergelijke belangen sprake is indien vergoeding wordt gevorderd van schade wegens genoten en gemiste inkomsten die in strijd met de fiscale wetgeving (zouden) zijn verkregen. Volgens het subonderdeel geldt ook hier dat het onjuist is om bij de schadebegroting op deze (of andere) wijze via het begrip ‘verdienvermogen’ te abstraheren van het feit dat in de hypothetische situatie zonder aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zwarte inkomsten zouden zijn genoten.
buiten beschouwing moeten worden gelaten bij het begrotenvan de omvang van de schade wegens verlies van verdienvermogen’. Toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht kan in de praktijk leiden tot een alles-of-niets-situatie of, in de terminologie van de problematiek: een zwart-wit-situatie. Stel bijvoorbeeld dat een benadeelde uitsluitend inkomsten heeft genoten waarover geen belasting en premies zijn afgedragen, dan zou dit volgens de klachten meebrengen dat al die inkomsten (uit werk dat op zich zelf niet verboden is) niet mogen meetellen bij de begroting van het verlies van arbeidsvermogen. Daarmee worden in wezen de verrichte werkzaamheden zelf ‘gediskwalificeerd’. Deze uitkomst kan, nu het gaat om de begroting van het verlies van
arbeidsvermogen, niet worden aanvaard.
bij wijze van veronderstellingtot uitgangspunt hebben genomen dat vast zou komen te staan dat verweerder € 51.500,-- per jaar aan zwarte inkomsten heeft gehad ten opzichte van gemiddeld € 10.161,-- aan witte inkomsten. Onder verwijzing naar een vindplaats in de processtukken stelt het subonderdeel dat Achmea c.s. hebben betoogd dat een dergelijke wanverhouding maakt dat de gemiste zwarte inkomsten niet dienen mee te tellen bij het begroten van de schade wegens verlies van arbeidsvermogen. [66] Geklaagd wordt dat het hof ten onrechte in het midden laat of deze wanverhouding ertoe leidt dat de gemiste zwarte inkomsten buiten beschouwing moeten worden gelaten bij het begroten van deze schadepost. Door in de beslissing niet in te gaan op de door Achmea c.s. ingeroepen wanverhouding heeft het hof volgens het subonderdeel art. 24 Rv Pro geschonden.
nietvan toepassing is voor zover sprake is van gemiste inkomsten uit zwart werk en 2) dat de benadeelde heeft te stellen en te bewijzen of en in hoeverre hij in de hypothetische situatie zonder ongeval witte inkomsten zou hebben kunnen genieten en zou zijn blijven genieten. Betoogd wordt dat, voor zover niet aannemelijk is dat de benadeelde in dat geval dezelfde werkzaamheden (in dezelfde omvang) wit zou hebben verricht, hij zal dienen te stellen en te bewijzen dat en welke andere keuzes hij had kunnen maken om andere witte inkomsten te genereren en voor welk bedrag. Volgens het subonderdeel verzet de strafbaarheid en onrechtmatigheid van zwart werk en/althans dat op een aan de benadeelde toe te rekenen grond (zwart werk) sprake is van een, in de woorden van het hof, ‘dubbele hypothetische situatie’, zich ertegen dat de benadeelde op dit punt in zijn stelplicht en bewijslast tegemoet wordt gekomen.
Zwarte inkomsten, dat in geval van arbeid waaruit inkomsten zijn genoten waarover geen belasting en premies zijn afgedragen alle relevante omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen en dat daarbij verschillende scenario’s in beeld kunnen komen. (Dat het hof de mogelijkheid van verschillende scenario’s voor ogen heeft, blijkt ook uit r.o. 5.25.) Eén daarvan werkt het hof iets nader uit: als aannemelijk is dat de benadeelde de ‘zwarte werkzaamheden’ niet zou hebben verricht in het geval dat deze fiscaal zouden moeten worden verantwoord, wordt met deze inkomsten geen rekening gehouden. Dan vervolgt het hof: ‘In zo een geval zal de rechter moeten schatten wat de witte inkomsten in de hypothetische situatie, het ongeval weggedacht, zouden zijn geweest en welke witte inkomsten de benadeelde na het ongeval nog zou kunnen genereren.’ Hiermee brengt het hof volgens mij correct tot uitdrukking dat als voor de invulling van het hypothetische scenario niet met concrete in het verleden genoten inkomsten mag of kan worden gerekend, maar niettemin aannemelijk is dat verlies van arbeidsvermogen is geleden, de rechter tot schatting moet overgaan. Tegen deze achtergrond beoordeelt het hof in r.o. 5.25 de subsidiair gevorderde verklaring voor recht, die het hof niet toewijsbaar acht. De verklaring voor recht luidde:
rekening wordt gehouden(‘dienen te worden betrokken’) met het feit dat voorafgaand aan het letsel arbeid werd verricht waaruit inkomen is genoten waarover geen belasting en premies zijn afgedragen in de situatie dat niet wordt gesteld en bij betwisting wordt bewezen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder het letsel
dezelfdeinkomsten (‘die inkomsten en in dezelfde omvang’) zou hebben genoten. Nog los van het feit dat de hypothetische situatie zich niet laat bewijzen, zou toewijzing van deze verklaring voor recht in de ogen van het hof geen recht doen aan het feit dat zich, ook in de situatie van verweerder, ook in een dergelijk geval nog allerlei (rechtmatige) hypothetische scenario’s laten denken. Zo bezien, lijkt mij dit oordeel niet onjuist. Ik merk bij het voorgaande op dat de interpretatie van de gedingstukken en van de vordering ter beoordeling aan het hof is. [67] Subonderdelen 2.2 en 2.3 falen.
sowiesomoet (of mag) schatten wat de witte inkomsten zouden zijn geweest in de (alternatieve ‘dubbel’) hypothetische situatie zonder ongeval én zonder (wegens onaantrekkelijkheid daarvan niet hypothetisch gewitte) zwarte werkzaamheden, het hof miskent dat dit alleen het geval is voor zover de benadeelde stelt en bewijst dat een ‘wit alternatief’ zou (kunnen) zijn benut. Voor zover het hof daarbij overweegt dat betekenis toekomt of kan toekomen aan het feit dat voor het ongeval de genoten zwarte inkomsten veel hoger waren dan de genoten witte inkomsten, miskent het hof volgens het subonderdeel dat het ‘vele malen overtreffen’ van de zwarte inkomsten niets zegt over het bestaan of de omvang van een ‘wit alternatief’ en of dit ‘wit alternatief’ zou (kunnen) zijn benut.