Uitspraak
16 oktober 1998.
Hoge Raad
In deze zaak vordert de Staat vergoeding van administratiekosten die zijn gemaakt bij het verhalen van schade aan motorrijtuigen op Amev, de WAM-verzekeraar. De schade betrof eenvoudige blikschade, waarbij Amev de aansprakelijkheid erkende en prompte betaling verrichtte, inclusief expertisekosten.
De Rechtbank wees de vordering af, stellende dat de administratiekosten te algemeen en niet specifiek genoeg waren om als schade aan Amev toe te rekenen. Het Hof oordeelde echter dat deze kosten, voor zover redelijk en noodzakelijk, als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen. Het Hof stelde vast dat het Bureau Schadeafwikkeling werkzaamheden verricht ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte.
De Hoge Raad bevestigt dat de administratiekosten als bedoeld in art. 6:96 lid 2 BW Pro ook onder het oude recht voor vergoeding in aanmerking komen, mits redelijk en noodzakelijk. De forfaitaire berekening van het Hof wordt niet als onjuist beschouwd. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van Amev en bevestigt het oordeel van het Hof dat de Staat recht heeft op vergoeding van 50% van de forfaitaire administratiekosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de Staat recht heeft op vergoeding van 50% van de forfaitaire administratiekosten.