Conclusie
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 2.1), de inspectie op 4 oktober 2013 (
onderdelen 2.2-II tot en met 2.2-IV), de toewijzing van de gewijzigde eis (
onderdelen 2.2-V tot en met 2.2-VIII) en het passeren van het bewijsaanbod (
onderdeel 2.2-IX).
onderdelen 2.1-V en 2.1-VIverwijzen naar klachten die in onderdeel 2.2 worden uitgewerkt. Het middel bevat voorts louter op andere onderdelen voortbouwende klachten in de
onderdelen 2.1-V, 2.2-I, 2.2-IV (slot), 2.2-X en 2.3.
onderdeel 2.1-I) en onbegrijpelijke oordelen geeft over de klachtplicht van art. 6:89 BW Pro (
onderdelen 2.1.-II tot en met 2.1-IV). Ik schets hierna het juridische kader, plaats de overwegingen van het hof in dat kader en bespreek dan de klachten.
weleen oplevering was (onder voorbehoud) op 4 mei 2012 respectievelijk (definitief) op 12 februari 2013. Voor dát geval oordeelt het hof dat de VvE tijdig heeft geklaagd in de zin van art. 6:89 BW Pro [25] en dat de vordering niet is verjaard op de voet van art. 7:761 lid Pro 1, eerste zin, BW. Daarbij maakt het hof een onderscheid tussen de kennis van de scheurvorming als zodanig en tussen de kennis van de oorzaak van de scheurvorming zoals die bleek uit het rapport van Nebest (het gebruik van een verkeerde coating; zie rov. 3.3.2).
nietis uitgegaan van een (hypothetische) oplevering op 4 mei 2012 respectievelijk 12 februari 2013, dan zou rov. 3.3.4 als volgt moeten worden begrepen.
eerste klacht van onderdeel 2.1-I, samengevat, geeft rov. 3.3.3 blijk van een onjuiste rechtsopvatting van de oplevering in de zin van art. 7:758 BW Pro, althans is het oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het hof had aan de hand van de Haviltex-maatstaf moeten toetsen of sprake was van een aanvaarding door de VvE. Het hof gaat echter uit van de letterlijke tekst van het memo van [betrokkene 6] van 7 februari 2013, dat niet aan [de aannemer] was gericht, terwijl volgens de stellingen van [de aannemer] [26] in de bespreking van 12 februari 2013 tussen [betrokkene 6] en [de aannemer] de kwestie van de scheurvorming was afgekaart omdat partijen gezamenlijk constateerden dat deze was ontstaan door de constructie van het gebouw en niet door ondeugdelijke werkzaamheden.
tweede klacht van onderdeel 2.1-I, samengevat, is rov. 3.3.3 onjuist dan wel onbegrijpelijk, omdat het hof niet alle omstandigheden in zijn afweging betrekt. De klacht noemt als relevante omstandigheden om aan te tonen dat (definitieve) oplevering op 4 mei 2012 dan wel 12 februari 2013 heeft plaatsgevonden ten overstaan van [betrokkene 6] namens de VvE en dat [betrokkene 6] de geconstateerde scheurvorming heeft geaccepteerd als iets waarvoor [de aannemer] niet kan worden aangesproken; [27] dat het door [betrokkene 6] eenzijdig opgestelde verslag wordt aangeduid als “oplevering werkzaamheden en bespreking opmerkingen van de VvE galerijen”, [28] dat afgesproken is dat [de aannemer] een aantal klachten zou oppakken en dat ook heeft gedaan, [29] dat de evaluatie daarvan op 12 februari 2013 heeft plaatsgevonden waar de scheurvorming is besproken en tussen [betrokkene 6] en [de aannemer] is overeengekomen dat voor [de aannemer] geen taak was weggelegd, [30] dat de(ze) bespreking van 12 februari 2013 het memo van [betrokkene 6] aan de VvE van 4 februari 2013 in tijd en inhoud ‘overruled’, dat volgens de VvE een nieuw rapport nodig zou zijn om alsnog vast te stellen dat er sprake zou zijn van een gebrek dat voor rekening en risico van [de aannemer] zou komen en dat onderzoek later heeft laten verrichten door Nebest. [31]
onderdeel 2.1-Igenoemde omstandigheden maken het oordeel niet onjuist of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Het hof kon het verslag van 4 mei 2012 lezen als betreffende een vooropname, zoals de VvE had gesteld (rov. 3.3.1).
onderdelen 2.1-II tot en met 2.1-IVdie zien op de klachtplicht. Ik stel voorop dat deze onderdelen allen berusten op de veronderstelling dat de scheurvorming op 12 februari 2013 door partijen is afgekaart. Bij de bespreking van onderdeel 2.1-I bleek echter dat het hof het verslag van de bespreking op die datum anders uitlegt en dat die uitleg in cassatie stand houdt. De onderdelen 2.1-II tot en met 2.1-IV berusten daarom op een onjuist feitelijk uitgangspunt zodat zij niet kunnen slagen. Aanvullend merk ik het volgende op.
onderdeel 2.1-IIbetoogt, kan een mededeling dat het werk scheuren bevat naar mijn mening een klacht in de zin van art. 6:89 BW Pro opleveren, los van de vraag of partijen vervolgens komen tot een gezamenlijk standpunt ten aanzien van de verantwoordelijkheid van de aannemer voor het optreden van de scheurvorming. De schuldeiser die meent dat de prestatie gebrekkig is en daaraan mogelijk gevolgen wil verbinden, [34] doet er goed aan om daarover bij de schuldenaar te klagen ook indien op dat moment nog onzeker is of hetgeen de schuldeiser heeft waargenomen inderdaad een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis van de schuldenaar oplevert. [35]
onderdeel 2.1-IVveronderstelt, heeft het hof in het verslag van 12 februari 2013 geen ingebrekestelling of aansprakelijkstelling van [de aannemer] door de VvE gelezen.
onderdeel 2.1-Vvoortbouwt op de al besproken klachten, behoeft het geen bespreking. Voor het overige verwijst dit onderdeel naar de onderdelen 2.2-II tot en met 2.2-V en behoeft het daarom geen afzonderlijke bespreking. Dat laatste geldt ook voor
onderdeel 2.1-VIdat verwijst naar onderdeel 2.2-IX.
Onderdeel 2.2-Ibehoeft evenmin bespreking omdat het slechts een op onderdeel 2.1 voortbouwende klacht bevat.
onderdeel 2.2-II) en te overwegen dat [de aannemer] daarbij aanwezig was (
onderdeel 2.2-III) en voorts in dit verband de devolutieve werking van het hoger beroep miskent (
onderdeel 2.2-IV). Hierop wijst ook
onderdeel 2.1.-V (slot). Deze onderdelen slagen naar mijn mening niet.
eerste klacht van onderdeel 2.2-IItreedt het hof buiten het partijdebat door tussen de momenten in februari 2013 en 30 maart 2015 een nieuw moment in te lassen, namelijk een inspectie op 4 oktober 2013, waarbij het hof ook overweegt dat daarbij een vertegenwoordiger van [de aannemer] aanwezig zou zijn geweest en dat [de aannemer] dit niet heeft betwist. Deze overweging van het hof in rov. 3.3.4 is volgens het onderdeel onjuist en is door [de aannemer] betwist in eerste aanleg en in hoger beroep met de stelling dat zij sinds 12 februari 2013 meer dan twee jaar niets van de VvE heeft vernomen, alsook dat zij niet op de hoogte was van het onderzoek van Nebest en daar ook niet bij is betrokken. [37] De VvE stelt in de memorie van grieven ook niet dat [de aannemer] daarbij aanwezig was, aldus het onderdeel.
Op 4 oktober 2013 is er door Sikkens, [betrokkene 7] , in aanwezigheid van uw uitvoerder, [betrokkene 8] , wederom een inspectie gehouden. Geconcludeerd werd dat er spoedig overleg met [de aannemer] (…) nodig is. Daarna kwam er van [de aannemer] (…) geen reactie meer.” (zie rov. 3.1.9).
Ik zie onderaan de aansprakelijkstelling van 30 maart 2015 nog dat er op 4 oktober 2013 een inspectie is gehouden met Sikkens en [de aannemer] . De VvE heeft [de aannemer] kennelijk uitgenodigd om te komen kijken omdat er iets niet goed was. Daarna is de VvE via [betrokkene 6] bij Nebest uitgekomen”. [38]
tweede klacht van onderdeel 2.2-IIis het arrest onvoldoende gemotiveerd, omdat in rov. 3.3.1 en 3.3.2 het standpunt van de VvE is weergegeven maar het verweer van [de aannemer] ontbreekt. Ook daarom valt niet (behoorlijk) na te gaan met welke argumenten van [de aannemer] het hof (wel) rekening heeft gehouden en waarom die, volgens het hof, niet zouden opgaan.
onderdeel 2.2-IIIhad het hof, gelet op het bepaalde in art. 149 Rv Pro en de specifieke betwisting door [de aannemer] , niet als vaststaand mogen aannemen dat [de aannemer] bij de inspectie op 4 oktober 2013 aanwezig was of zelfs maar op de hoogte was van het hernieuwde onderzoek. [de aannemer] heeft in eerste aanleg en in appel gesteld dat het na februari 2012 meer dan twee jaar stil bleef, dat zij pas in 2015 met de aansprakelijkstelling het rapport van Nebest ontving, dat dit rapport eenzijdig is opgesteld en dat zij daarbij niet betrokken is geweest. [39] Ter zitting van het hof merkte haar advocaat voorts op: “
Er zou nog contact zijn geweest met [betrokkene 8] , maar dat is niet zo. Dat was WB Bouwtechniek; daar weet [de aannemer] niets van.” [40]
onderdeel 2.2-IV, samengevat, dat het hof de devolutieve werking van het appel miskent door de hierboven genoemde stellingen van [de aannemer] uit de conclusie van antwoord in eerste aanleg ten aanzien van de inspectie op 4 oktober 2013 niet te behandelen.
gemotiveerdis betwist dat er op 4 oktober 2013 een inspectie is geweest in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van Sikkens en van [de aannemer] . Het hof onderkent dus dat [de aannemer] heeft betwist betrokken te zijn geweest bij deze inspectie, daarvan op de hoogte te zijn geweest of daarbij aanwezig te zijn geweest. Het hof heeft daarom de devolutieve werking van het appel niet miskend, maar de stellingen van [de aannemer] , ook die uit de eerste aanleg, bij zijn oordeel betrokken.
Onderdeel 2.2-IVslaagt naar mijn mening daarom niet.
onderdeel 2.2-IIIniet.
onderdelen 2.2.-II , 2.2-III en 2.2-IVook aanvoeren. De brief van 30 maart 2015 van de VvE, waarop haar advocaat ter zitting van het hof wees, vermeldt dat de inspectie van 4 oktober 2013 plaatsvond “in aanwezigheid van uw uitvoerder, [betrokkene 8] ”. Uit de reactie daarop van de advocaat van [de aannemer] ter zitting van het hof heeft het hof kennelijk afgeleid dat diens aanwezigheid niet voldoende gemotiveerd werd betwist. Dat feitelijke oordeel is naar mijn mening niet onbegrijpelijk.
onderdeel 2.2-III (slot)nog veronderstelt, heeft het hof niet geoordeeld dat [de aannemer] betrokken is geweest bij het rapport van Nebest.
onderdeel 2.2-V), de tweeconclusieregel schendt door de eisvermeerdering bij pleidooi toe te staan (
onderdeel 2.2-VI); meer toewijst dan is gevorderd en een verrassingsbeslissing geeft door ook toekomstige schade mee te nemen (
onderdeel 2.2-VII); en de vordering tot ontbinding onbesproken laat en onduidelijk is wat de grondslag is van de vordering tot schadevergoeding (
onderdeel 2.2.-VIII).
onderdelen 2.2-V en 2.2-VIIIaan het oordeel van de Hoge Raad.
Onderdeel 2.2-Vslaagt naar mijn mening, de andere onderdelen niet. Ik licht dit hieronder toe.
veroordeelt [de aannemer] tot vergoeding van de door de VvE geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat”) en de andere vorderingen afgewezen (“
wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde”). Het dictum moet worden gelezen tegen de achtergrond van rov. 3.4. In rov. 3.4 vat het hof de gewijzigde vordering van de VvE op als een vordering tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. De nakomingsvordering is volgens het hof blijkbaar niet langer aan de orde. Tegen deze uitleg van de vorderingen wordt in cassatie niet opgekomen.
onderdeel 2.2-VI, dat klaagt dat het hof de in art. 347 lid 1 Rv Pro opgenomen tweeconclusieregel miskent door, ongemotiveerd, een eiswijziging bij pleidooi toe te staan. Uit het proces-verbaal van de pleitzitting bij het hof kan niet worden afgeleid dat [de aannemer] ondubbelzinnig heeft toegestemd dat de eisverandering- of vermeerdering plaatsvindt, aldus het onderdeel.
onderdeel 2.2-Vdat, samengevat, betoogt dat het hof de devolutieve werking van het hoger beroep miskent door de hierboven in 3.27.2 genoemde verweren van [de aannemer] uit de eerste aanleg onbehandeld te laten.
onderdeel 2.2-VIII.
niet is gebaseerd op voldoende geconcretiseerde stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.” Volgens
onderdeel 2.2-IX,samengevat, passeert het hof in rov. 3.4 ten onrechte, althans zonder voldoende motivering, het bewijsaanbod van [de aannemer] . Het onderdeel wijst in dit verband onder meer op de stellingen van [de aannemer] ten aanzien van de verjaring, de vervaltermijn, het ontbreken van een tekortkoming en het niet gerechtvaardigd zijn van een ontbinding. Ook
onderdeel 2.1-VIwijst hierop.
onderdelen 2.1-VI en 2.2-IXslagen naar mijn mening in het verlengde van onderdeel 2.2-V.
onderdelen 2.2-V en 2.2-VIII alsmede 2.1-VI en 2.2-IXslagen, en in het verlengde daarvan ook de daarop voortbouwende klachten van
onderdelen 2.2-X en 2.3, zodat het arrest dient te worden vernietigd en de zaak dient te worden verwezen naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing. De overige onderdelen slagen naar mijn mening niet en hetzelfde geldt voor de op die falende onderdelen voortbouwende klachten in de onderdelen
2.1.-V (aanvang), 2.2-I en 2.2-IV (slot). Dit brengt mee dat na cassatie en verwijzing nog een oordeel zal moeten worden gegeven over het beroep van [de aannemer] op de vervaltermijn in de algemene voorwaarden en, zo nodig, over de vraag of [de aannemer] (toerekenbaar) is tekortgeschoten en, zo ja, (eventueel in een schadestaatprocedure) welk schadebedrag als gevolg daarvan voor vergoeding in aanmerking komt.