Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
.Tussen partijen is voorts niet in geschil, dat [A] in elk geval per appellant(e ) een deel van het overeengekomen meerwerk heeft verricht
.Verder staat vast dat de curator heeft verklaard de koop-/aannemingsovereenkomsten niet gestand te doen (zie r.o. 4.1.8. van het tussenarrest)
.Artikel 37 Fw Pro bepaalt dat bij het niet gestand doen van een dergelijke overeenkomst, de curator het recht verliest zijnerzijds nakoming van de overeenkomst te vorderen.”
“het resterende gedeelte dient te worden gedeclareerd bij het gereedkomen van het meerwerk”.[A] heeft de resterende 75% van het meerwerk per appellant(e) in zijn geheel gedeclareerd, zoals blijkt uit de facturen gedateerd 27 oktober 2009 (producties 5 tot en met 13 bij dagvaarding in eerste aanleg). Op die facturen is onder meer het volgende vermeld:
“(...) Hierbij factureren wij U volgens de aanneemovereenkomst betreffende [het plan] te [plaats] het overeengekomen meer- minderwerk. Restant van het overeengekomen meer minderwerk volgens ingesloten overzicht meer- minderwerk. (...)”. Daarbij zijn de bedragen van het gehele meerwerk per appellant(e) vermeld. Gelet op (i) voornoemde tekst van artikel 5 lid 9 van Pro de koop-/aannemingsovereenkomsten, (ii) het feit dat [A] het meerwerk niet per post maar in zijn geheel declareerde en (iii) de daarop aansluitende tekst van voornoemde facturen, had het op de weg van de curator gelegen om concrete feiten en omstandigheden aan te voeren die de door hem gestelde uitleg van opeisbaarheid per meerwerkpost onderbouwen. Dit heeft hij niet gedaan. Dat als bijlage bij de facturen een overzicht is gevoegd waarop de diverse meerwerkposten zijn gespecificeerd, is hiertoe niet voldoende. Iedere appellant(e) kon na het sluiten van de koop-/aannemingsovereenkomst uit de meer-/minderwerklijst kiezen voor welke meer- /minderwerkopties hij koos. Daaruit kan, anders dan de curator lijkt te betogen, niet worden afgeleid dat daarmee voor iedere afzonderlijke meerwerkpost een aparte betalingstermijn ging gelden, die bij het gereedkomen van die meerwerkpost opeisbaar werd. Anders dan de curator in de memorie van antwoord (nr. 100) aanvoert, gaat ook de rechtbank in r.o. 3.4.1. van het bestreden vonnis uit van voornoemde uitleg zoals gesteld door [verweerders] De rechtbank overweegt immers, dat er sprake is van opeisbaarheid bij het gereedkomen van het meerwerk en dat dit feit heeft plaatsgevonden na het faillissement (hof: toen het meerwerk alsnog geheel is afgerond). Aldus leidt het niet richten van een grief door [verweerders] tegen de door de rechtbank gegeven uitleg er niet toe, dat de uitleg van de curator is komen vast te staan. De stelling van de curator dat artikel 7:767 BW Pro met zich brengt, dat de curator iedere meerwerkpost afzonderlijk kan vorderen (conclusie van repliek nr. 21) kan het hof niet volgen. Deze wetsbepaling is bedoeld om de gehoudenheid van de opdrachtgever tot vóórfinanciering te begrenzen, niet om de vorderingen van de aannemer eerder opeisbaar te doen zijn dan afgesproken in de overeengekomen termijnregeling.”
T. T. van Zanten, De overeenkomst in het insolventierecht, 2012, § 4.7.1.2.2., F.M.J. Verstijlen, De betrekkelijke continuïteit van het contract binnen faillissement, Preadvies voor de Vereniging voor Burgerlijk Recht, 2006, § 6.1., N.E.D. Faber, Verrekening, 2005. nr. 448, rechtbank 's-Gravenhage 18 juli 2012, met annotatie van J.J. van Hees, JOR 2012/308, annotatie H. Brouwer bij Raad van Arbitrage voor de Bouw, 13 februari 2013, TBR, 2013/190 en Gerechtshof Arnhem Leeuwarden, 25 februari 2014, met annotatie van T. T. van Zanten, JOR 2014/146).Daarbij komt ook de vraag aan de orde, of artikel 37 Fw Pro restrictief dient te worden uitgelegd in die zin, dat het verlies van het recht om nakoming te vorderen geen betrekking heeft op de vordering tot nakoming van de tegenprestatie voor de al door de gefailleerde vóór de faillietverklaring verrichte werkzaamheden.”
ontstaanvan die vorderingen:
nakomingvan de bewuste verbintenissen tot betaling van het meerwerk alleen al om die reden geen sprake kan zijn. Derhalve kunnen de vorderingen van de curator in elk geval niet worden toegewezen op de primair gestelde grondslag. Ook brengt dit mee dat de door het hof in bovengenoemd tussenarrest aan partijen voorgelegde prejudiciële vraag geen beantwoording behoeft.”
kanzijn, gelet op de reikwijdte van artikel 37 lid 1 Fw Pro en op het gegeven dat die verrijking voortvloeit uit de overeengekomen termijnenregeling.”
vermeendeverrijking voortvloeit uit de overeengekomen termijnenregeling” (cursivering van de voorstellen door het hof).
kanzijn van een verrijking die ongerechtvaardigd is. Voor alle duidelijkheid herhaalt het hof hieronder de bewuste rechtsoverwegingen in 10.3.1. en 10.3.2. van het tussenarrest van 24 maart 2015:
kanzijn, gelet op de reikwijdte van artikel 37 lid 1 Fw Pro en op het gegeven dat die verrijking voortvloeit uit de overeengekomen termijnenregeling.
strekkingin beeld gebracht:
.In deze zaak hebben de wederpartijen (de Kopers) echter geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de overeenkomst te ontbinden (zie hiervoor in 3.4 bij vraag (a) onder (iv)) [13] en is dus niet een ongedaanmakingsvordering ontstaan.”
,staat in het hiervoor in 3.6.1 genoemde geval art. 37 Fw Pro niet in de weg aan een vordering van de boedel uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking met betrekking tot het verrichte gedeelte van de prestatie. Deze bepaling heeft immers slechts de hiervoor in 3.5.2 en 3.5.3 genoemde beperkte strekking. De mogelijkheid van het kunnen instellen van die vordering strookt bovendien met de hiervoor in 3.5.4 weergegeven geschiedenis van art. 37 Fw Pro. Voorheen hield die bepaling immers in dat de daarin bedoelde wederkerige overeenkomsten door het faillissement van rechtswege werden ontbonden, zodat de hiervoor in 3.6.2 genoemde ongedaanmakingsvordering van rechtswege ontstond. Uit de toelichting op de wijziging van die bepaling blijkt niet dat is beoogd verandering te brengen in hetgeen waarop de boedel aanspraak kan maken. Hiermee is in overeenstemming dat ingeval de wederpartij niet overgaat tot ontbinding van de overeenkomst, de boedel thans in beginsel een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking toekomt met betrekking tot het verrichte gedeelte van de prestatie. Daaraan staat niet in de weg dat de overeenkomst blijft voortbestaan. Indien vaststaat dat de curator de overeenkomst niet gestand doet, is immers de verdere uitvoering van de overeenkomst in feite niet meer aan de orde.”
.De prestaties waartoe deze overeenkomsten verplichten – de bouw van een woning enerzijds en de betaling van de aanneemsom anderzijds – zijn daarin opgedeeld in verschillende, tegenover elkaar staande (deel) prestaties, te weten de diverse bouwwerkzaamheden en de termijnen van de aanneemsom. De opdracht tot het meerwerk en de betaling daarvan zijn op vergelijkbare wijze in die overeenkomsten geregeld (zie hiervoor in 3.1 onder (iv)). Deze contractuele regeling houdt in dat de termijnen van de aanneemsom, respectievelijk het restant (75%) van de meerwerkopdrachtsom eerst na voltooiing van de desbetreffende bouwfase of het meerwerk gefactureerd (kunnen) worden. Deze regeling is overeenkomstig het in art. 7:767 BW Pro bepaalde, dat inhoudt dat de opdrachtgever slechts kan worden verplicht tot het doen van betalingen die, althans bij benadering, overeenstemmen met de voortgang van de bouw, welke bepaling strekt ter bescherming van de in art. 7:765 BW Pro genoemde opdrachtgever en waarvan bij de hier aan de orde zijnde overeenkomsten niet in zijn nadeel kan worden afgeweken (art. 7:769 BW Pro).
,niet in de weg aan een vordering van de boedel uit ongerechtvaardigde verrijking met betrekking tot het verrichte gedeelte van de onvoltooide bouwfase of van het onvoltooide meerwerk. De bestaansgrond van de met die bepaling beoogde bescherming van de opdrachtgever – kort gezegd: dat deze de bouw slechts beperkt behoeft te voorfinancieren (vgl. Kamerstukken II 1992-1993, 23 095, nr. 3, p. 39) – doet zich in dat geval immers niet voor. Slechts in het hiervoor aan het slot van 3.6.4 genoemde geval is een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking wel uitgesloten.”
[…] /Peters q.q. [14] heeft het hof geconcludeerd dat het mogelijk is dat ook [verweerders] schade hebben geleden die voor verrekening in aanmerking komt als de vordering van de curator op grond van ongerechtvaardigde verrijking wordt toegewezen. Dit alles hangt volgens het hof af van de vraag of het per appellant(e) voor zijn of haar woning benodigde afbouwbedrag hoger was dan de resterende meerwerktermijn. In dat geval hebben [verweerders] meer betaald dan met [A] was overeengekomen en lijden zij daarmee schade ter hoogte van het bedrag dat aan de curator uit ongerechtvaardigde verrijking verschuldigd is. Als het afbouwbedrag evenwel lager is dan de resterende meerwerktermijn, dan heeft dat ook gevolgen voor de eventuele verrekening met het aan de curator toe te wijzen bedrag wegens ongerechtvaardigde verrijking. De betreffende overwegingen van het hof luiden als volgt:
“haar vordering op de Ondernemer voor dat gedeelte dat Verkrijger in zijn/haar relatie met de curator in het faillissement van de Ondernemer kan verrekenen, over[ge]dragen aan Verkrijger (...)Deze retrocessie heeft plaatsgevonden
“onder de voorwaarde dat het door Woningborg/Verkrijger jegens de curator in het faillissement van de Ondernemer reeds gedane beroep op verrekening wordt gefrustreerd door de eerdere cessie van Verkrijger aan Woningborg.”
geval (i)zou de schade van de appellant(e) dan gelijk op lopen aan het eventueel aan de curator verschuldigde bedrag uit ongerechtvaardigde verrijking. Die appellant(e) zou dan immers terecht de gehele resterende meerwerktermijn aan Woningborg hebben betaald en zou aldus het volledige met [A] overeengekomen bedrag voor de woning hebben betaald. Toewijzing van de vordering van de curator zou dan meebrengen dat dit aan de curator verschuldigde bedrag daar nog bovenop zou komen. Dit is schade die geheel voor verrekening in aanmerking komt. Bij de concrete beoordeling per appellant(e) vanaf r.o. 19.7.4[.] zal echter blijken dat dit zich bij geen van appellanten voordoet.
geval (ii)heeft de bewuste appellant(e) echter door de resterende meerwerktermijn aan Woningborg te betalen, ten onrechte méér aan Woningborg betaald dan het voor zijn of haar woning toepasselijke, lagere afbouwbedrag. Hetgeen de appellant(e) méér aan Woningborg heeft betaald dan het afbouwbedrag, had beschikbaar dienen te blijven voor betaling van het door [A] daadwerkelijk verrichte meerwerk dat nog niet betaald was (de vordering van de curator uit ongerechtvaardigde verrijking). Dit bedrag (het verschil tussen de aan Woningborg betaalde, resterende meerwerktermijn en het lagere afbouwbedrag) zal hierna worden aangeduid als: “het beschikbaar te houden meerwerkbedrag”.
totaaldoor [A] in de woning van de appellant(e) verrichte meerwerk volgens de curator (ex BTW),
beschikbaar te houden meerwerkbedrag(dat is de aan Woningborg betaalde resterende meerwerktermijn van 75% minus het afbouwbedrag, zie ook rov. 19.7.1., randnummer 2.69) en het
bedrag van de ongerechtvaardigde verrijking(dat is het bedrag van het totaal door [A] verrichte meerwerk minus het door appellant(e) al aan [A] betaalde meerwerk, zie ook rov. 19.7.1., randnummer 2.69). Daartoe heeft het hof in de genoemde rechtsoverwegingen ook steeds per appellant(e) de door de curator respectievelijk [verweerders] opgevoerde bedragen (wat de curator betreft: het door [A] in totaal verrichte meerwerk en wat [verweerders] betreft: het afbouwbedrag), inhoudelijk beoordeeld. Het hof heeft daarbij consequent de volgende uitgangspunten toegepast: als het beschikbaar te houden meerwerkbedrag
lageris dan het bedrag van de ongerechtvaardigde verrijking, is het eerstgenoemde bedrag het maximale aan de curator toe te kennen bedrag. Is evenwel het beschikbaar te houden meerwerkbedrag
hogerdan het bedrag van de ongerechtvaardigde verrijking, dan is het laatstgenoemde bedrag het maximale aan de curator toe te kennen bedrag (zoals het hof in rov. 19.3.1. en 19.3.2. heeft vooropgesteld, randnummer 2.66).
3.Een inleidend overzicht
nakoming, subsidiair om
ongerechtvaardigde verrijking. [verweerders] betwisten niet alleen dat zij tot betaling gehouden zijn, maar beroepen zich ook op verrekening in verband met (eventuele) door hen geleden schade. Zij zijn beducht voor dubbelbetaling, omdat zij deze resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom aan Woningborg hebben voldaan om de afbouw van de woningen mogelijk te maken.
ongerechtvaardigde verrijkinggebaseerde vergoedingen voor het daadwerkelijk door [A] verrichte meerwerk. Daarbij heeft het hof het beroep van [verweerders] op verrekening met eventuele door hen geleden schade gehonoreerd.
opeisbaar wordenvan de vorderingen van de curator maar aan het
ontstaanervan. Vervolgens heeft het hof beslist dat de vorderingen van de curator dan in elk geval niet op de primaire grondslag,
nakoming, kunnen worden toegewezen. De vorderingen waren nog niet ontstaan op de faillissementsdatum en zijn ook later bij voltooiing van het werk door anderen niet alsnog ontstaan, aldus het hof (rov. 10.2.2., derde tussenarrest).
ongerechtvaardigde verrijking, in beeld gekomen. In dit verband heeft het hof gewezen op het verschil tussen art. 37 Fw Pro (oud) en het huidige art. 37 Fw Pro (hiervoor randnummer 3.6). Anders dan onder het oude recht leidt de verklaring van de curator dat hij de overeenkomst niet gestand doet niet tot ontbinding van rechtswege. Wanneer de wederpartij dan, zoals hier [verweerders] , niet kiest voor ontbinding ontstaan er geen ongedaanmakingsverplichtingen. Er ontstaat dus ook geen verplichting tot vergoeding van de door de schuldenaar, hier [A] , al verrichte werkzaamheden ex art. 6:272 BW Pro. De termijnenregeling leidt zo bekeken tot verrijking. Voor het hof rees vervolgens de vraag of het systeem van art. 37 Fw Pro (geen ontbinding meer van rechtswege, verlies voor de curator van het recht op nakoming) meebrengt dat deze verrijking niet ongerechtvaardigd is (rov. 10.3.2., derde tussenarrest). In dat geval zouden de vorderingen van de curator ook op subsidiaire grondslag moeten worden afgewezen.
[…] /Peters q.q. [16] (waarin de vordering van de aannemer op grond van de termijnenregeling al wél was ontstaan, zodat de curator in beginsel nakoming kon vorderen van het vóór de faillissementsdatum verrichte meerwerk), omdat Uw Raad in rov. 3.5.4 zou hebben geoordeeld over de schade in een vergelijkbare situatie (rov. 16.9.2., vijfde tussenarrest).
in beginselin aanmerking voor verrekening daarmee (rov. 16.9.4., vijfde tussenarrest).
4.Bespreking van het principaal cassatieberoep
opeisbaarheidvan de vorderingen van de curator maar het
ontstaanervan) met alle gevolgen van dien (op die basis heeft het hof de vorderingen van de curator op de primaire grondslag (nakoming) afgewezen en heeft het vervolgens prejudiciële vragen aan Uw Raad voorgelegd die anders dan aanvankelijk de bedoeling was niet zien op de primaire grondslag maar op de subsidiaire grondslag (ongerechtvaardigde verrijking)); in het kader van onderdeel 1 betoogt de curator onder meer dat het hof de twee-conclusie-regel heeft geschonden en verder dat het hof in strijd zou hebben gehandeld met de leer van de bindende eindbeslissingen;
opeisbaarheidvan de vorderingen van de curator ging en niet over het
ontstaanvan die vorderingen, toegelicht aan de hand van een weergave van het partijdebat en beslissingen van de rechtbank en het hof. De klachten zijn geformuleerd in zes subonderdelen. In de kern bestrijden de subonderdelen rov. 10.2.2. waarin het hof is teruggekomen van zijn eerdere oordeel (in het tweede tussenarrest) dat de
opeisbaarheidvan de vorderingen van de curator tussen partijen ter discussie staat door te oordelen dat de vorderingen van de curator niet eens zijn
ontstaanmet als gevolg dat de vorderingen niet op de primaire grondslag (nakoming) kunnen worden toegewezen. Daarmee was ook de op die grondslag gebaseerde aanvankelijk voorgenomen prejudiciële vraag niet langer aan de orde. Beoordeling van de vorderingen van de curator op de subsidiaire grondslag (ongerechtvaardigde verrijking) resteerde bij deze stand van zaken. Op die grondslag heeft het hof vervolgens nieuwe prejudiciële vragen geformuleerd en aan Uw Raad voorgelegd.
subonderdeel 1.1heeft de curator geklaagd dat de verwijzing door het hof in zijn derde tussenarrest (rov. 10.2.1.) naar randnummer 81. van de conclusie van antwoord van [verweerders] waarin zou zijn te lezen dat zij het
ontstaanvan de vorderingen van de curator op grond van de termijnenregeling van artikel 5 lid 9 van Pro de koop- en aannemingsovereenkomsten aan de orde zouden hebben gesteld, onbegrijpelijk is.
ontstaanvan het vorderingsrecht van de aannemer en de
opeisbaarheid(14 dagen na factuurdatum) daarvan. Daarin stellen zij zich, zo heeft het hof uitgelegd, op het standpunt dat de vorderingen van de curator tot nakoming van de betalingsverbintenissen van [verweerders] op de faillissementsdatum nog niet waren ontstaan en evenmin daarna zijn ontstaan. Die zin eindigt met de verwijzing door het hof (tussen haakjes) naar randnummer 81. uit de conclusie van antwoord van [verweerders] Vervolgens heeft het hof ook de stellingen van de curator in zijn akte na tussenarrest van 28 oktober 2014 kort weergegeven. Uit die stellingen heeft het hof begrepen dat ook de curator onderscheid heeft gemaakt tussen het
ontstaanvan de betalingsverbintenissen van de opdrachtgever en de
opeisbaarheiddaarvan.
totde genoemde (antwoord)akten van partijen na tussenarrest van 25 november 2014 dus heeft toegespitst op de (al of niet) opeisbaarheid van de vorderingen van de curator. Daarmee valt het doek voor
subonderdeel 1.1.
subonderdeel 1.2heeft de curator het hof verweten dat het in rov. 10.2.2. van zijn derde tussenarrest de twee-conclusie-regel heeft geschonden door de tardieve stelling van [verweerders] (aangevoerd bij antwoordakte na tussenarrest van 25 november 2014) dat de vordering van de curator nog niet zou zijn
ontstaan,bij zijn beoordeling te betrekken. Volgens [verweerders] ging het debat tussen partijen tot en met het tweede tussenarrest van het hof uitsluitend over de
opeisbaarheidvan de vorderingen van de curator. Daarnaast heeft de curator aangevoerd dat het oordeel van het hof dat de curator zowel in zijn stellingen als in zijn herformulering van de door het hof voorgestelde prejudiciële vragen onderscheid heeft gemaakt tussen het ontstaan van de vorderingen en de opeisbaarheid daarvan, onbegrijpelijk is. In zijn akte na tussenarrest van 28 oktober 2014 heeft de curator met geen woord gerept over het moment van ontstaan van zijn vorderingen, aldus de curator. Hij heeft daarin enkel gepoogd, met het oog op een bredere toepasbaarheid van het antwoord, de prejudiciële vragen een meer algemene strekking te geven door meerdere modaliteiten in de vragen op te nemen. Daarmee heeft hij niet de rechtsstrijd geopend ten aanzien van de vraag of zijn vorderingen al wel zouden zijn ontstaan. Ten slotte heeft de curator aangevoerd dat het hof niet heeft kunnen verstaan dat de curator met het oprakelen van het onderscheid tussen het ontstaan van de vorderingen en de opeisbaarheid daarvan in de genoemde akte, de door [verweerders] tardief geopende rechtsstrijd op het punt van het ontstaan van de verbintenissen zou hebben aanvaard, omdat de akte van de curator van 28 oktober 2014 dateert terwijl de antwoordakte van [verweerders] van 25 november 2014 is, aldus nog steeds de curator.
subonderdeel 1.2.
subonderdeel 1.3heeft de curator aangevoerd dat het hof in rov. 10.2.2. vormen heeft verzuimd waarvan de niet-inachtneming tot nietigheid leidt. In het bijzonder heeft het hof volgens de curator het beginsel van hoor en wederhoor geschonden door de curator niet eerst de gelegenheid te bieden te responderen op een nieuwe stelling van [verweerders] , geponeerd bij antwoordakte van 25 november 2014. Daarbij gaat het om de stelling dat de vorderingen van de curator nog niet zouden zijn ontstaan. Volgens de curator had het hof hem die gelegenheid moeten bieden, voordat het hof in die rechtsoverweging de beslissing heeft genomen dat (i) meer nog dan de opeisbaarheid van de vorderingen van de curator het al of niet
ontstaanzijn van die vorderingen relevant is, (ii) als uitgangspunt geldt dat de betalingsverplichting van de opdrachtgever
ontstaatop het moment dat het werk naar de bepalingen van de overeenkomst is tot stand gebracht en opgeleverd en dat (iii) bij geen van de woningen van [verweerders] het meerwerk op faillissementsdatum was voltooid, dat de vorderingen van de curator niet zijn ontstaan en dat dit betekent dat zijdens de curator van een recht op nakoming geen sprake kan zijn. In dit verband heeft de curator ook gesteld dat het hof daarmee ook teruggekomen is van zijn eindbeslissingen in rov. 7.11.1. van zijn tweede tussenarrest waarin het heeft geoordeeld dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijnbepalingen van artikel 5 lid 9 en Pro artikel 5 lid 2 van Pro de koop-/aannemingsovereenkomsten betrekking hebben op de
opeisbaarheidvan de betreffende vorderingen tot betaling van de koop-/aanneemsom en het meerwerk. Daarbij heeft het hof ten onrechte de curator niet in de gelegenheid gesteld om te reageren op zijn voornemen terug te komen op de eerdere eindbeslissingen en daarmee vormen verzuimd die bij niet inachtneming leiden tot nietigheid, aldus nog steeds de curator.
litis finiri oportet). Dit beginsel dat het processuele debat beperkt, valt onder de eisen van de goede procesorde. [22]
[…] /Gemeente Voorst. [24] In die zaak werd Uw Raad de vraag voorgelegd of het hof mocht terugkomen van een eerdere eindbeslissing gelet op nieuwe jurisprudentie met betrekking tot de reikwijdte van de formele rechtskracht van een bestuursbesluit. Uw Raad heeft deze vraag bevestigend beantwoord, omdat die eindbeslissing berustte op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag:
Kojen/ABBgewezen
. [26] In die zaak was het hof teruggekomen van een eindbeslissing vanwege een onjuiste feitelijke grondslag zonder dat het de partijen vooraf in de gelegenheid had gesteld zich daarover uit te laten. Daarover werd in cassatie geklaagd. In dit arrest heeft Uw Raad de stand van zaken met betrekking tot de leer van de bindende eindbeslissingen als volgt in beeld gebracht: [27]
nietin geschil is dat de termijnenregeling van artikel 5 lid 9 en Pro artikel 5 lid 2 van Pro de koop-/aannemingsovereenkomsten betrekking heeft op de opeisbaarheid van de vorderingen tot betaling van de koop- en aanneemsom en het meerwerk. Met die beslissing heeft het hof dus geen einde gemaakt aan een geschilpunt tussen partijen; het hof overweegt juist dat op genoemd punt geen geschilpunt bestaat.
meer nog dan de opeisbaarheid van de vorderingen van de curator (in beginsel 14 dagen na factuurdatum) het al of niet ontstaan van die vorderingen relevant is”. Daarmee is het hof evenwel nog niet teruggekomen van de zojuist besproken eindbeslissingen in rov. 7.11.2. en 7.12.1. Dat terugkomen van die eerdere eindbeslissingen (de vorderingen zijn niet opeisbaar) komt pas verderop in deze rov. 10.2.2. duidelijk in beeld, waar het hof namelijk heeft beslist dat de vorderingen van de curator nog niet zijn ontstaan zodat de vorderingen op de primaire grondslag (nakomingsvordering) worden afgewezen.
Subonderdeel 1.3is daarmee deels terecht voorgesteld. Dat betekent echter nog niet dat de curator belang heeft bij cassatie. Wat mij betreft is dat niet het geval (hierna randnummer 4.31).
subonderdeel 1.4heeft de curator geklaagd dat het hof met zijn regel in rov. 10.2.2. dat de betalingsverplichting van de opdrachtgever
ontstaatop het moment dat het werk naar de bepalingen van de overeenkomst tot stand is gebracht en opgeleverd, uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Met die regel (die overigens volgens de curator anders zou luiden dan het hof weergeeft) miskent het hof het primaat van een overeenkomst boven een algemene rechtsregel. Tussen partijen staat vast dat artikel 5 lid 9 van Pro de koop-/aannemingsovereenkomsten aldus moet worden uitgelegd dat deze betrekking heeft op de opeisbaarheid van de betreffende vorderingen tot betaling van de koop-/aanneemsom en het meerwerk (rov. 7.11.1. uit het tweede tussenarrest). Deze contractuele termijnenregeling gaat boven een algemene rechtsregel, aldus de curator. Ook heeft de curator aangevoerd dat het oordeel van het hof in rov. 10.2.2. van zijn derde tussenarrest onbegrijpelijk is, omdat zonder nadere toelichting niet valt in te zien waarom eenzelfde contractuele bepaling (artikel 5 lid 9 van Pro de koop-/aannemingsovereenkomsten) in het derde tussenarrest anders wordt uitgelegd dan in het tweede tussenarrest.
subonderdeel 1.4.
ontstaanvan de betalingsverplichting of het
opeisbaarworden van die verplichting. Ook deze klacht faalt. Zoals hiervoor is uiteengezet, volgt uit rov. 10.2.2. van het derde tussenarrest uitdrukkelijk dat het hof niet langer de opeisbaarheid relevant acht, maar het ontstaan van die vorderingen van de curator. Ook volgt daaruit duidelijk dat het hof heeft beslist dat de vorderingen van de curator op de faillissementsdatum nog niet waren ontstaan, omdat het meerwerk toen nog niet gereed was. In het vijfde tussenarrest heeft het hof, in rov. 16.4., op die beslissing voortgebouwd. De eerste klacht van dit subonderdeel faalt dus, omdat wel degelijk duidelijk is waarop het hof doelt en zijn overwegingen evenmin onbegrijpelijk zijn. Ook de tweede klacht van dit subonderdeel mist doel nu deze een herhaling vormt van de tweede klacht van subonderdeel 1.3 en daarom het lot daarvan moet delen (hiervoor randnummers 4.25-4.26).
Subonderdeel 1.5is dus vergeefs voorgesteld.
Subonderdeel 1.6mist dus doel.
met derdenwerden gesloten, maar dat Woningborg met
[verweerders]afbouwovereenkomsten heeft gesloten, waarin Woningborg [verweerders] heeft gevrijwaard voor aanspraken van of namens de curator uit hoofde van de oorspronkelijke koop-/aannemingsovereenkomst. Daarmee mist deze klacht feitelijke grondslag.
[…] /Peters q.q., zie daarover randnummer 2.59) en dat deze wijze van afhandeling van de afbouw na het faillissement via Woningborg in lijn is met de GIW-regeling.
subonderdeel 2.1.
subonderdeel 2.2heeft de curator aangevoerd dat rov. 7.12.2. van het tweede tussenarrest, rov. 16.9.6. van het vijfde tussenarrest en rov. 19.5.1. van het eindarrest ook onbegrijpelijk zijn, mede in het licht van hetgeen het hof heeft geoordeeld in rov. 7.10. van het tweede tussenarrest (onder verwijzing naar rov. 4.1.9. van het eerste tussenarrest) en in rov. 4.1.10. van het eerste tussenarrest. In rov. 7.10. heeft het hof namelijk overwogen dat Woningborg na het faillissement van [A] tot afbouw voor [verweerders] is overgegaan en dat vaststaat dat Woningborg daarbij onder andere gebruik heeft gemaakt van de diensten van de heer [betrokkene], uitvoerder van [A] . In rov. 4.1.10. heeft het hof overwogen dat Woningborg ervoor heeft zorggedragen dat de nog niet verrichte werkzaamheden aan de woningen werden voltooid en dat zij [verweerders] in natura heeft schadeloosgesteld. De curator heeft zich in dit subonderdeel op het standpunt gesteld dat genoemde rechtsoverwegingen in strijd zijn met rov. 7.10. van het tweede tussenarrest en met rov. 4.1.10. van het eerste tussenarrest. Deze klacht faalt reeds omdat het oordeel van het hof in de hier bestreden rechtsoverwegingen, zoals hiervoor in randnummer 4.41 is uiteengezet, niets te maken heeft met zijn oordeel in de voornoemde rov. 7.10. en 4.1.10. (die betrekking hebben op het in natura-betoog van de curator). Ook in het kader van dit subonderdeel leest de curator dus in de bestreden rechtsoverwegingen meer dan wat daar is overwogen. Voor een nadere toelichting verwijs ik naar randnummer 4.41. Zonder nadere toelichting die in dit subonderdeel ontbreekt, valt niet in te zien waarom de hier bestreden rechtsoverwegingen ook overigens strijdig zijn met rov. 7.10. van het tweede tussenarrest en met rov. 4.1.10. van het eerste tussenarrest.
subonderdeel 2.2vergeefs is voorgesteld.
[…] /Peters q.q. [37] ) benadrukt dat de wijze van afhandeling door Woningborg volledig in lijn is met de GIW-regeling. [38] Daarmee heeft het hof een onderdeel van het in natura-betoog van de curator verworpen, namelijk zijn betoog dat de volledige in natura-vergoeding door Woningborg conform de GIW-regeling is en dat de latere betaling van de resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom aan Woningborg door [verweerders] in strijd was met de GIW-regeling en daarmee dus zonder recht of titel (zie daarover de bespreking van subonderdeel 2.5 hierna randnummers 4.57-4.58). Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.
subonderdeel 2.4heeft de curator aangevoerd dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod van de curator onbesproken heeft gepasseerd ten aanzien van zijn stelling dat Woningborg [verweerders] op grond van de verzekeringsovereenkomsten volledig schadeloos heeft gesteld in natura en dat [verweerders] de bedragen die zij nog niet aan [A] hadden betaald,
vervolgensalsnog aan Woningborg hebben betaald. Daartoe heeft de curator verwezen naar pagina 2 van zijn akte van 2 mei 2012 in eerste aanleg. Ik ga ervanuit dat ook dit subonderdeel, net als de voorgaande subonderdelen, gericht is tegen rov. 16.9.3. en 16.9.4. uit het vijfde tussenarrest en rov. 19.3.1. uit het eindarrest. De klacht faalt wat mij betreft.
OZ Export Planten BV/ […] [40] dat naarmate de procedure vordert, aan een getuigenbewijsaanbod in hoger beroep in de regel hogere specificatie-eisen kunnen worden gesteld:
subonderdeel 2.4.
subonderdeel 2.5.
subonderdeel 3.1heeft de curator aangevoerd dat het hof in rov. 7.12.1., 7.12.2., 7.14.1. (tweede tussenarrest), rov. 10.2.2. (derde tussenarrest), rov. 13.2.3., 13.3. (vierde tussenarrest), rov. 16.3., 16.4., 16.8. (vijfde tussenarrest) en rov. 19.2.1. en 19.3.1. (eindarrest) van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Volgens de curator heeft het hof daar miskend dat als aanspraak wordt gemaakt op vervangende schadevergoeding, de niet of niet deugdelijk door een partij nagekomen verbintenis wordt omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding waartegenover staat dat de betalingsverbintenis van de andere partij volledig opeisbaar wordt of, voor zover deze nog niet was ontstaan, ontstaat en voorts volledig opeisbaar wordt. Als het hof zou hebben gemeend dat de curator dit niet of niet duidelijk heeft aangevoerd, had het hof dit ambtshalve onder aanvulling van rechtsgronden dienen te constateren (art. 25 Rv Pro), aldus nog steeds de curator.
[…] /Peters q.q. [85] Uit beide uitspraken volgt ook dat de curator nadat hij heeft verklaard de overeenkomst niet gestand te doen, zelf wél nakoming mag vorderen van de door de wederpartij verschuldigde tegenprestatie voor de prestatie die door de gefailleerde schuldenaar reeds vóór de faillietverklaring is verricht; op die tegenprestatie is (het verlies van het recht op nakoming van) art. 37 Fw Pro niet van toepassing (randnummer 2.52 hiervoor en rov. 3.4.4 van het arrest
[…] /Peters q.q.). [86]
ontstaan. In zoverre is dus van verlies van het recht voor de curator om nakoming te vorderen door art. 37 Fw Pro geen sprake; dat de curator geen nakoming kan vorderen is het gevolg van de inhoud van de onderhavige koop-/aannemingsovereenkomsten. [88]
subonderdeel 3.1op zich terecht is voorgesteld. Belang bij cassatie op deze grond heeft de curator echter niet. Ik verwijs naar randnummer 4.61.
nakoming van de koop-/aannemingsovereenkomsten. Uw Raad heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Zoals hiervoor in onder meer randnummer 4.93 is uiteengezet, staat de inhoud van de overeenkomst echter niet in de weg aan het (alsnog) ontstaan en opeisbaar worden van vorderingen van de curator bij het aanspraak maken, zoals [verweerders] nu eenmaal in deze procedure (op de voet van art. 6:88 BW Pro) hebben gedaan, op vervangende schadevergoeding. In de prejudiciële beslissing in deze zaak is aan dit scenario echter geen aandacht geschonken, omdat de vragen daarop ook geen betrekking hadden. Anders dan het hof suggereert, blijkt uit rov. 3.6.1 uit de prejudiciële beslissing dus niet dat het betoog van de curator over de consequenties van art. 6:88 BW Pro onjuist is. De daarop gerichte klacht treft dus ook doel.
Subonderdeel 3.2slaagt derhalve. Belang bij cassatie op deze grond heeft de curator echter niet. Ik verwijs naar randnummer 4.61.
Subonderdeel 3.3bevat een veegklacht, gericht tegen rov. 16.3. en 16.4. (vijfde tussenarrest) waarin het hof niet terugkomt van eerdere eindbeslissingen die in subonderdelen 3.1 en 3.2 zijn bestreden. Nu deze subonderdelen slagen, geldt hetzelfde voor
subonderdeel 3.3. Ook voor dit subonderdeel geldt echter dat belang bij cassatie ontbreekt. Ik verwijs naar randnummer 4.61.
Subonderdeel 3.4is gericht tegen rov. 10.7. van het derde tussenarrest waarin het hof heeft overwogen dat geen sprake is van een met de ongedaanmakingsverplichting uit art. 6:272 BW Pro overeenkomende vergoedingsplicht van [verweerders] voor het door [A] voor de faillissementsdatum verrichte meerwerk. Volgens de curator is het hof daarmee uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Als gevolg van de aanspraak op volledige vervangende schadevergoeding, dient de schuldeiser hetgeen hij reeds heeft ontvangen te restitueren en als dat niet mogelijk is, treedt daarvoor een verbintenis tot waardevergoeding in de plaats op grond van art. 6:272 BW Pro, aldus de curator.
subonderdeel 3.4. Opnieuw ontbreekt echter belang bij cassatie (randnummer 4.61).
subonderdeel 3.5bestrijdt de curator rov. 7.12.2. (tweede tussenarrest). Daartoe stelt de curator, kort gezegd, dat in een geval waarbij het meerwerk door derden uiteindelijk voltooid is, zoals in casu, feitelijk dezelfde situatie wordt bereikt zoals is bepaald in artikel 5 lid 2 en Pro 9 van de koop-/aannemingsovereenkomst; nu het meerwerk door derden voltooid is, is de vordering van de curator tot betaling van de resterende meerwerksom opeisbaar geworden. Daarmee is het oordeel van het hof in rov. 7.12.2. (tweede tussenarrest) dat de curator onvoldoende feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het de bedoeling van partijen was dat het alsnog door een derde voltooien van het meerwerk na het faillissement ertoe leidt dat de vorderingen van de curator opeisbaar worden, volgens de curator onbegrijpelijk, en wel gelet op de omstandigheden die het hof zelf heeft vastgesteld: dat [A] via Woningborg was aangesloten bij het GIW en een bij het GIW aangesloten ondernemer verplicht is door het GIW vastgestelde modelcontracten te gebruiken en dat [A] de GIW-regeling heeft onderschreven. Ook is dit oordeel volgens de curator in strijd met het
Haviltex-criterium op grond waarvan de overeenkomst moet worden uitgelegd aan de hand van objectieve gezichtspunten in het licht van de gehele overeenkomst en dus niet uitsluitend aan de hand van de partijbedoelingen indien partijen over de precieze inhoud van de overeenkomst niet hebben onderhandeld. Deze klachten falen op grond van het volgende.
Haviltex-criterium zijn uitleg aannemelijk maken. Daarbij moet bedacht worden dat het de curator is geweest die (ex art. 37 Fw Pro) de overeenkomst niet gestand heeft willen doen, waardoor [verweerders] genoodzaakt waren om, op de voet van de GIW-regeling, Woningborg in te schakelen aan wie zij de resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom (op grond van de GIW-regeling, zie ook rov. 16.9.4, vijfde tussenarrest) moesten voldoen, Gelet op deze omstandigheden, lag het dan ook – zoals besloten ligt in rov. 7.12.2. – op de weg van de curator om méér concrete omstandigheden aan te voeren op basis waarvan zijn uitleg aannemelijk zou kunnen worden. Bij gebreke van die toelichting, kon het hof oordelen dat de curator zijn uitleg niet voldoende heeft onderbouwd. Daarbij heeft hof niet het
Haviltex-criterium miskend; zijn oordeel is blijven steken op het ‘stelplichtniveau’. Daarmee stranden beide klachten.
subonderdeel 3.5.
Subonderdeel 3.6is gericht tegen rov. 19.5.2. (het eindarrest) waarin het hof heeft beslist dat geen van partijen voldoende duidelijk heeft gesteld (i) hoe de BTW dient te worden betrokken in de voor de berekening van de toe te wijzen relevante afbouwbedragen, (ii) over welke bedragen zoals aangevoerd van de zijde van [verweerders] al BTW is betaald, (iii) wat de fiscale consequenties van het BTW-aspect voor alle partijen zijn en (iv) wat de invloed van het (niet) berekenen van BTW op de grootte van de schade en/of het bedrag van de ongerechtvaardigde verrijking betreft (het laatste zowel met betrekking tot de verrijking als de verarming). Op basis hiervan heeft het hof de aan de curator toe te wijzen bedragen gebaseerd op de door partijen genoemde bedragen exclusief BTW. Deze beslissingen zijn volgens de curator onbegrijpelijk en in strijd met art. 1 en Pro 3 van de Wet op de omzetbelasting 1968.
subonderdeel 3.6.
Subonderdeel 3.7bevat een veegklacht gericht tegen rov. 16.8. (vijfde tussenarrest), rov. 19.2.1., 19.3.1. en 19.7.4. tot en met 19.7.14. (eindarrest) die voortbouwen op de beslissingen die in subonderdelen 3.1 tot en met 3.6 zijn bestreden. Deze klacht slaagt uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de slagende subonderdelen 3.1 tot en met 3.3, en faalt voor zover deze betrekking heeft op de falende subonderdelen 3.4 tot en met 3.6.
Subonderdeel 3.7slaagt dus weliswaar deels, maar ook hier ontbreekt belang bij cassatie (randnummer 4.61).
onderdeel 3weliswaar deels terecht voorgesteld, maar leidt dit wat mij betreft niet tot cassatie.
[…] /Peters q.q.In rov. 16.10.6. (vijfde tussenarrest) heeft het hof beslist dat gelet op de retrocessie in het midden kunnen blijven (i) de stelling van [verweerders] dat de cessie van hun bestaande en toekomstige schadevorderingen geen betrekking heeft op de vorderingen die zij zelf kunnen verrekenen en (ii) de stelling van de curator dat de cessie alle schadevorderingen van [verweerders] omvatte, zodat deze buiten hun vermogen vielen en niet meer in verrekening konden worden gebracht. Over de kwestie van verrekening en de betekenis van de retrocessie in dit verband gaan de subonderdelen van dit onderdeel.
Subonderdeel 4.1is gericht tegen rov. 16.9.2. en 16.9.4. (vijfde tussenarrest) waarin het hof heeft beslist dat als [verweerders] nu aan de curator zouden moeten betalen, zij in dat geval ook schade zullen lijden ter hoogte van het aan de curator verschuldigde bedrag uit ongerechtvaardigde verrijking. Daartoe heeft het hof verwezen naar rov. 3.5.4 uit het arrest
[…] /Peters q.q. Volgens de curator heeft het hof hiermee een rechtens onjuist oordeel gegeven, nu die zaak afwijkt van de onderhavige zaak (omdat volgens de curator in die zaak wel een rechtsgrond aanwezig was voor de betalingen aan Woningborg), maar ook omdat het hof zelf moet beoordelen wat de schade is als gevolg van de vermeende tekortkoming en wat niet en niet kan volstaan met een verwijzing naar een gelijkluidende beslissing in een andere zaak. Bovendien is dit oordeel van het hof ook onbegrijpelijk gelet op de essentiële stellingen die de curator in dit verband heeft aangevoerd. Daarbij heeft hij verwezen naar een aantal randnummers uit zijn conclusie van antwoord, conclusie van repliek, akte van 6 mei 2011 en zijn memorie van antwoord waarin hij heeft aangevoerd, zo vervolgt hij, dat Woningborg de afbouw zelf ter hand had genomen en daarmee [verweerders] in natura schadeloos heeft gesteld, dat er geen sprake is van afbouwovereenkomsten tussen [verweerders] en Woningborg of tussen [verweerders] en afbouwende aannemers en dat uit het voorgaande volgt dat [verweerders] aan Woningborg zonder recht of titel hebben betaald. Tot slot klaagt de curator dat het hof zijn oordeel had moeten motiveren en niet kon volstaan met de verwijzing naar het bovengenoemde arrest. De klachten falen om de navolgende redenen.
[…] /Peters q.q., omdat de situatie in die zaak vergelijkbaar is met de onderhavige. Dit getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dit licht ik toe.
[…] /Peters q.q. Ook in die zaak ging het om het faillissement van de aannemer tijdens het bouwproces, had de curator de overeenkomst niet gestand gedaan waarna Woningborg de afbouw van de woningen heeft verzorgd en de meerkosten daarvan heeft gedragen en hebben de kopers uiteindelijk de volledige aanneemsom aan Woningborg voldaan. Het verschil tussen die zaak en de onderhavige, is dat in de zaak van
[…] /Peters q.q. de curator enkel betaling heeft verzocht van de (nog niet betaalde) eerste termijn ter zake van de werkzaamheden die reeds op de faillissementsdatum waren voltooid. [99] In de onderhavige zaak waren de werkzaamheden waarop de eerste termijn betrekking had op de faillissementsdatum ook al uitgevoerd, en de tegenprestatie daarvoor was door [verweerders] ook voldaan (25% van de meerwerkopdrachtsom als eerste termijnbetaling); de curator vordert in de onderhavige procedure de resterende 75% van de meerwerkopdrachtsom ter zake van werkzaamheden die door [A] nog niet waren voltooid. Een ander verschil is dat in de zaak van
[…] /Peters c.q.geen sprake was van een termijnstelling door de curator ex art. 6:88 BW Pro. [100] Deze verschillen hebben geen invloed op de kwestie van de aanvullende schade aan de zijde van de kopers en de verrekening die ook in beide zaken speelt. In beide zaken kunnen de verkrijgers schade lijden als gevolg van de niet-gestanddoening door de curator en rijst de vraag of zij deze met die schade corresponderende vordering kunnen verrekenen met de vordering van de curator die gericht is op betaling (in
[…] /Peters q.q.op basis van nakoming, in de onderhavige zaak op basis van art. 6:212 BW Pro). Bij die vraag, of dit inderdaad kan, heeft Uw Raad in het arrest
[…] /Peters q.q.in rov. 3.5.4 stilgestaan. Uw Raad heeft overwogen dat de kopers die de volledige overeengekomen aanneemsom aan Woningborg hebben betaald, schade zullen lijden als de vordering van de curator in dit geding zou worden toegewezen. Deze overweging van Uw Raad is ook voor de onderhavige zaak van belang, nu hier in wezen dezelfde kwestie van schade(vordering) en verrekening speelt. Het hof heeft ter zake van de schade van [verweerders] dus niet ten onrechte verwezen naar rov. 3.5.4 uit het arrest
[…] /Peters q.q.De hierop gerichte klacht faalt.
[…] /Peters q.q.); als de vordering van de curator wordt toegewezen, zou dit in principe meebrengen dat de verkrijgers meer voor de bouw moeten betalen dan de overeengekomen aanneemsom (immers de eerste 25% van de meerwerkopdrachtsom aan de aannemer, de resterende 75% aan Woningborg en daarbovenop nog de art. 6:212 BW Pro-vergoeding aan de curator) zodat zij in zoverre dus schade lijden (zie daarover randnummer 2.59)) en dat deze wijze van afhandeling van de afbouw na het faillissement via Woningborg ook in lijn is met de GIW-regeling. [101] Tegen dit specifieke oordeel met betrekking tot de GIW-regeling komt de curator vergeefs op in subonderdeel 2.5 (zie randnummer 4.57).
[…] /Peters q.q., maar zelf had moeten beoordelen wat schade is en wat niet. Gelet op de gelijkenissen met de onderhavige zaak, voor wat betreft de kwestie van schade en verrekening, kon het hof hier wat mij betreft wel degelijk volstaan met de verwijzing naar het genoemde arrest. Wat de curator in dit subonderdeel uit het oog lijkt te verliezen, is dat het hof in rov. 16.9.2. en 16.9.4. de schade van [verweerders] nog niet heeft begroot. Het hof heeft in die rechtsoverwegingen enkel geoordeeld
dat[verweerders] eventueel schade hebben geleden die
in beginselvoor verrekening in aanmerking komt. Of de verrekening ook daadwerkelijk mogelijk is, komt vervolgens in rov. 16.10.1. e.v. aan de orde. Daarmee faalt ook deze klacht.
subonderdeel 4.1faalt.
subonderdeel 4.2klaagt de curator dat het hof in rov. 16.10.6. (vijfde tussenarrest) een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven door te overwegen dat gelet op hetgeen het hof in rov. 16.10.7. over de retrocessie (zoals bedoeld in rov. 16.10.4.) heeft overwogen, in het midden kunnen blijven (i) de stelling van [verweerders] dat de cessie van hun bestaande en toekomstige schadevorderingen geen betrekking heeft op vorderingen die zij zelf kunnen verrekenen en (ii) de stelling van de curator dat de cessie alle schadevorderingen van [verweerders] omvatte, zodat deze buiten het vermogen vielen en niet meer in verrekening konden worden gebracht. De curator heeft daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat in hoger beroep vaststond dat [verweerders] – op basis van artikel 11.5 van de GIW-regeling – in november 2009 de vordering ter zake van de door hun geleden en nog te lijden schade aan Woningborg hebben gecedeerd. Het hof heeft dit ook, zo vervolgt de curator, in rov.16.10.4. (vijfde tussenarrest) vastgesteld. Volgens de curator kan het oordeel in rov. 16.10.6. niet in stand blijven, gelet op onderdeel 5 waarin hij heeft aangevoerd dat de retrocessie geen effect sorteert. De klacht over het in het midden laten van de stellingen van partijen over de cessie in dit subonderdeel bouwt dus voort op onderdeel 5 (retrocessie sorteert geen effect). Zoals hierna in randnummers 4.128 e.v. wordt uiteengezet, faalt onderdeel 5. Daarmee treft de klacht in dit subonderdeel het zelfde lot.
subonderdeel 4.2doel mist.
Onderdeel 4is dus vergeefs voorgesteld.
subonderdeel 5.1betoogt de curator dat het oordeel van het hof in rov. 16.10.7. (vijfde tussenarrest) dat door de retrocessie de vorderingen weer teruggevloeid zijn in het vermogen van [verweerders] en het oordeel van het hof dat deze specifieke verrekening niet onder het toepassingsgebied van art. 54 lid 2 Fw Pro valt, onbegrijpelijk zijn. Het hof heeft volgens de curator namelijk niet gerespondeerd op zijn stelling (in randnummer 112. van zijn memorie van antwoord) dat de retrocessie bij gebreke van een titel niet heeft plaatsgevonden, zodat de teruggecedeerde vorderingen om die reden niet in verrekening kunnen worden gebracht. Deze klacht faalt.
verbintenishoeft te zijn die tot de overdracht verplicht; de titel kan ook besloten liggen in de
rechtsverhoudingdie aan de overdracht ten grondslag ligt en deze overdracht rechtvaardigt. [107] Uit de door het hof in rov. 16.10.4. (slot) geciteerde passage uit de akte van retrocessie, blijkt dat deze retrocessie heeft plaatsgevonden onder de voorwaarde dat het verrekeningsberoep van [verweerders] in deze procedure door de eerdere cessie van [verweerders] aan Woningborg gefrustreerd zou kunnen worden. In de op adequate afwikkeling van de gevolgen van de insolventie van de aannemer gerichte rechtsverhouding tussen [verweerders] en Woningborg was de cessie in principe gepast, zij werd dan ook voorgeschreven, door artikel 11.5 van de GIW-regeling; vervolgens bleek juist de cessie een probleem op te leveren bij de afwikkeling. Dan is in die specifieke context en rechtsverhouding juist retrocessie gerechtvaardigd: zo kan alsnog recht worden gedaan aan het doel van de regeling. Dat laatste komt overigens ook, zij het in het kader van de vraag of de op de retrocessie gebaseerde verrekening afstuit op art. 54 lid 2 Fw Pro, goed naar voren aan het slot van rov. 16.10.7.: de cessie geschiedde slechts met het oog op een goede afwikkeling van de insolventiewaarborg op basis van de GIW-regeling en herstel (retrocessie) vond plaats toen juist de cessie onbedoelde effecten bleek te hebben.
subonderdeel 5.1.
subonderdeel 5.2bestrijdt de curator opnieuw, nu eerst met een rechtsklacht, zowel het oordeel in rov. 16.10.7. dat door de retrocessie de vorderingen weer zijn teruggevloeid in het vermogen van [verweerders] als het oordeel dat deze specifieke verrekening niet onder het toepassingsgebied van art. 54 lid 2 Fw Pro valt. In dit verband betoogt de curator dat art. 54 lid 2 Fw Pro een
hard-and-fast rulegeeft waarop geen uitzondering wordt gemaakt: na de faillietverklaring overgenomen vorderingen of schulden kunnen niet worden verrekend. In het onderhavige geval heeft de retrocessie als doel en strekking om de vorderingen alsnog in verrekening te brengen zodat deze volgens hem ex art. 54 lid 2 Fw Pro geen effect heeft kunnen sorteren; een niet-verrekenbare vordering mag niet alsnog verrekenbaar worden gemaakt. In dit verband wijst de curator op de volgende omstandigheden:
subonderdeel 5.2geen succes sorteert.
subonderdelen 5.3 en 5.4bouwen beide voort op de falende subonderdelen 5.1 en 5.2 en delen hetzelfde lot.
Onderdeel 5is dus vergeefs voorgesteld.
subonderdeel 6.1richt de curator een rechtsklacht tegen het oordeel van het hof omtrent eerder genoemde optie (i). In de kern komt de klacht erop neer dat het eventuele oordeel dat de beoogde verrekening afstuit op art. 54 lid 2 Fw Pro meteen meebrengt dat de verrijking aan de zijde van [verweerders] ongerechtvaardigd is. Dat kan moeilijk waar zijn: art. 54 lid 2 Fw Pro betreft enkel de vraag of de beoogde verrekening mogelijk is. Dat legt zeker gewicht in de schaal in de verhouding tot de curator (boedel), maar de vraag naar de rechtvaardiging van de verrijking van [verweerders] in verband met vóór het faillissement door de schuldenaar verrichte werkzaamheden is daarmee niet (beslissend) beantwoord. De rechtsklacht in
subonderdeel 6.1faalt wat mij betreft. Hetzelfde geldt voor de motiveringsklacht: zoals hiervoor in randnummer 4.144 is opgemerkt, gaat het om een overweging ten overvloede waarin het hof concludeert dat langs twee verschillende wegen dezelfde uitkomst kan worden bereikt (als in het door het hof in rov. 16.10.7. aangenomen scenario dat verrekening op basis van de retrocessie niet afstuit op art. 54 lid 2 Fw Pro). Tot nadere motivering van dit oordeel of tot verdere uitwerking van de door het hof genoemde opties was het hof niet gehouden. Overigens ligt het voor de hand rov. 16.10.8. te lezen in het licht van de eerdere rov. 16.10.4. en 16.10.7. waarin duidelijk naar voren is gekomen dat [verweerders] onbedoeld hun verrekeningsmogelijkheid hebben verloren.
Subonderdeel 6.2bestrijdt het in rov. 16.10.8. onder (ii) genoemde oordeel dat het aan de curator toe te wijzen bedrag op grond van ongerechtvaardigde verrijking zou dienen te worden verminderd met het bedrag van de niet verrekenbare schade, vanwege de redelijkheidstoets in art. 6:212 BW Pro.
Subonderdeel 6.2is dus vergeefs voorgesteld.
Onderdeel 6sorteert geen effect.
5.Bespreking van het deels voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
geïntimeerdedie in eerste aanleg waren aangevoerd en die in hoger beroep dus aan de orde komen als de appelrechter een of meer grieven van de
appellantlaat slagen. Dat betekent dat het hof na het slagen van de grieven van [verweerders] (appellanten) ter zake van de door de rechtbank toegewezen nakomingsvordering van de curator, niet gehouden was om hun eigen stellingen in eerste aanleg over de contractuele rente ambtshalve te herbeoordelen. Als gezegd, staat het grievenstelsel daaraan in de weg. Het hof heeft het in rov. 19.7.15. (eindarrest) dan ook terecht gelaten bij de beoordeling van de grieven van [verweerders] over de toewijzing van de contractuele rente en heeft deze daarbij te summier gevonden. Daarmee heeft het hof de devolutieve werking van het hoger beroep (en in het bijzonder het grievenstelsel) juist toegepast.
subonderdeel 1.1.
subonderdeel 1.2.
subonderdeel 1.3betogen [verweerders] dat het hof gehouden was om ambtshalve te onderzoeken of de koop-/aannemingsovereenkomsten onder de werking van Richtlijn 93/13/EG vallen en de bedingen op grond waarvan een contractuele rente van 8% verschuldigd is onredelijk bezwarend/oneerlijk zijn in het licht van art. 6:233 onder Pro a BW en art. 3 Richtlijn Pro 93/13/EG en de daarbij behorende bijlage onder 1. Het hof beschikte over de gegevens om dit na te gaan. Uit het procesdossier wordt duidelijk (althans volgen aanwijzingen) dat de koop-/aannemingsovereenkomsten zijn aangegaan door [verweerders] als consumenten en dat het om voor herhaald gebruik bestemde bedingen gaat waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. [verweerders] suggereren daarbij dat de betreffende bedingen een oneerlijkheidstoetsing niet zouden doorstaan nu evident is dat de contractuele rente van 8% significant hoger is dan de wettelijke rente die bij gebreke van contractuele rente verschuldigd zou zijn.
[…] / […] [115] heeft Uw Raad geoordeeld dat gelet op de vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie (HvJEU), de appelrechter gehouden kan zijn om ambtshalve na te gaan of een beding oneerlijk is in de zin van de Richtlijn, ook indien hij daarbij buiten het door de grieven ontsloten gebied moet treden. De gedachte daarbij is dat de Richtlijn van openbare orde is en dus door de nationale rechter ambtshalve moet worden toegepast. Daaraan heeft Uw Raad nog wel toegevoegd dat volgens het Nederlands appelprocesrecht de rechter recht van openbare orde in beginsel ook moet toepassen buiten het door de grieven ontsloten gebied, met dien verstande dat hij de grenzen van de rechtsstrijd van partijen dient te respecteren; de rechter is dus niet tot een ambtshalve onderzoek gehouden als tegen de toe- of afwijzing van de vordering in hoger beroep niet is opgekomen.
[…] /Stichting Trudo [116] heeft Uw Raad het arrest
[…] / […]nader uitgelegd. Daarbij heeft Uw Raad als volgt overwogen:
subonderdeel 1.3slaagt. [verweerders] hebben namelijk gegriefd tegen de toewijzing van de contractuele rente (grieven 14, 15 en 16, waarnaar het hof in rov. 19.7.15. ook verwijst). Dat zij daarin niet hebben gerept over ongeldigheid of oneerlijkheid van de rentebedingen in het licht van de Richtlijn, doet niet af aan de gehoudenheid van het hof om het beding ambtshalve te toetsen aan de Richtlijn; het hof zou daarmee namelijk binnen de grenzen van de rechtsstrijd in appel blijven.