ECLI:NL:HR:1992:ZC0774

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 november 1992
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
14.799
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Martens
  • raadsheer Bloembergen
  • raadsheer Davids
  • raadsheer Neleman
  • raadsheer Nieuwenhuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onroerendheid van bedrijfsapparatuur in relatie tot bedrijfsgebouwen bij beslaglegging

De Bank had aan meerdere vennootschappen hoofdelijk een financiering verstrekt en verkreeg zekerheden waaronder hypotheek en zekerheidseigendom op bedrijfsinventaris. De Ontvanger legde executoriaal beslag op een zaai-installatie en twee computers, waarop de Bank stelde dat deze apparatuur onroerend was en dus niet door de Ontvanger als roerende zaken kon worden beslagen.

De Rechtbank wees de vordering van de Bank af, maar het Gerechtshof te 's-Gravenhage stelde de Bank in het gelijk door de apparatuur als onroerend te kwalificeren op basis van verkeersopvatting. De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste maatstaf had gehanteerd door zich uitsluitend te baseren op de onvolledigheid van het bedrijf zonder de fysieke verbondenheid te betrekken.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing. De Bank werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam voor verdere behandeling.

Uitspraak

27 november 1992
Eerste Kamer
Nr. 14.799
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
DE ONTVANGER DER RIJKSBELASTINGEN TE DELFT,
gevestigd te Delft,
EISER tot cassatie,
advocaat: Mr. J.K. Franx,
t e g e n
DE COÖPERATIEVE RABOBANK ''WATERINGEN-KWINTSHEUL'' B.A.,
gevestigd te Wateringen,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: Mr. H.H. Barendrecht.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie — verder te noemen de Bank — heeft bij exploit van 16 juni 1986 eiser tot cassatie — verder te noemen de Ontvanger — gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd te verklaren voor recht dat de in de dagvaarding genoemde zaken als onroerend moeten worden aangemerkt, zodat het door de Ontvanger gelegde beslag ten onrechte is gelegd, jegens de Bank van onwaarde is, en de Ontvanger op de in beslag genomen zaken geen verhaal kan nemen ten nadele van de Bank.
Nadat de Ontvanger tegen de vordering verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 10 juni 1987 een descente bevolen en bij eindvonnis van 22 juni 1988 de vordering afgewezen.
Tegen het eindvonnis heeft de Bank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 24 april 1991 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en de vordering alsnog toegewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft Ontvanger beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
- De Bank heeft aan Adee Agro B.V., Maasplant Beheer B.V., Waalplant Onroerend Goed B.V., en Rijnplant Onroerend Goed B.V. hoofdelijk een financiering verstrekt. De Bank heeft ter zake van de verleende kredieten een aantal zekerheden verkregen waaronder een hypotheek op — zakelijk weergegeven — het bedrijfsterrein van Maasplant Beheer B.V. en zekerheidseigendom van de bedrijfsinventaris die zich op dat terrein bevindt en deel uitmaakt of zal maken van het door deze vennootschap uitgeoefende kwekersbedrijf.
- Op 18 november 1985 heeft de Ontvanger ten laste van Adee Agro B.V. executoriaal beslag doen leggen op, onder meer, een zaai-installatie, een Vocom-computer en een klimatologische computer.
- De Bank heeft zich op het standpunt gesteld dat de evenbedoelde apparatuur onroerend is, zodat de Ontvanger, wiens mogelijkheid tot het leggen van bodembeslag beperkt is tot roerende zaken, daarop geen verhaal kon nemen ten nadele van de Bank.
- De Ontvanger heeft het standpunt van de Bank bestreden en aangevoerd dat de vorenvermelde voorwerpen roerend zijn.
3.2 Het gaat in cassatie om de vraag of het Hof op goede gronden heeft geoordeeld dat de zaai-installatie en de beide computers onroerend zijn omdat zij moeten worden aangemerkt als
bestanddeelvan de bedrijfsgebouwen waarin zij zich ten tijde van de beslaglegging bevonden.
Daarbij verdient opmerking: (1) dat, al is de terminologie van het Hof wisselend, het kennelijk telkens doelt op de drie voormelde apparaten te zamen; de Hoge Raad zal daarvoor de term ‘’de apparatuur’’ aanhouden; (2) dat de bedrijfsgebouwen bestonden uit warenhuizen (kassen) en een loods; ook waar het hof zonder meer spreekt van ‘’loods’’, doelt het klaarblijkelijk op deze bedrijfsgebouwen; de Hoge Raad zal hierna de term ‘’bedrijfsgebouwen’’ aanhouden.
Het Hof heeft zijn beslissing niet doen steunen op de mate van fysieke verbondenheid van de apparatuur met de bedrijfsgebouwen, maar uitsluitend op de verkeersopvatting. Dienaangaande heeft het Hof overwogen dat 'naar hedendaagse verkeersopvatting (ook die van november 1985) moet worden aangenomen dat een modern kwekersbedrijf als incompleet moet worden aangemerkt, indien daaruit de computergestuurde zaai-installatie zou worden verwijderd'. Het Hof heeft hieraan de conclusie verbonden dat 'de omstreden goederen dan ook als bestanddeel van de loods (moeten) worden aangemerkt'. De rechtsklacht van onderdeel I treft doel.
Het Hof heeft zijn beslissing dat de apparatuur moet worden aangemerkt als bestanddeel van de bedrijfsgebouwen enkel gegrond op de overweging dat een modern kwekersbedrijf incompleet zou zijn zonder dergelijke apparatuur.
Aldus oordelend heeft het Hof een onjuiste maatstaf aangelegd. Het gaat in gevallen als het onderhavige om beantwoording van de vraag of apparatuur en gebouw naar verkeersopvatting te zamen als één zaak moeten worden gezien. Een aanwijzing voor een bevestigende beantwoording van deze vraag kan worden geput uit de omstandigheid dat het gebouw uit een oogpunt van geschiktheid als bedrijfsgebouw bij het ontbreken van de apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd. Bij het aanleggen van deze maatstaf komt het echter, anders dan het Hof klaarblijkelijk heeft aangenomen, niet aan op de functie die de apparatuur (eventueel) vervult in het productieproces van het in het gebouw uitgeoefende bedrijf (HR 15 november 1991, RvdW 1991, 257).
's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 april 1991;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt de Bank in de kosten van het geding in cassatie, tot deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op ƒ 493,90 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Martens als voorzitter en de raadsheren Bloembergen, Davids, Neleman en Nieuwenhuis, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Davids op
27 november 1992.