Conclusie
middel, gelezen in samenhang met de toelichting erop, behelst een primaire en een subsidiaire klacht. De primaire klacht luidt dat de bestreden uitspraak niet de inhoud van de bewijsmiddelen bevat waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend. Subsidiair klaagt het middel dat ‘s hofs oordeel dat de opbrengst van de aangetroffen hennepkwekerij in het geheel aan de betrokkene moet worden toegerekend ontoereikend is gemotiveerd.
Hennepkwekerij slaapkamer
Hennepkwekerij zolder
Ook bij de op zolder aangetroffen 98 potten neemt het hof de gemiddelde opbrengst per hennepplant over uit het rapport BOOM. Dat is ook in dit geval 27,2 gram per hennepplant. De kosten voor deze hennepkwekerij worden afgetrokken van de opbrengst. Op basis van het rapport BOOM is rekening gehouden met:
Promis”. Onder deze omstandigheden kan worden aangenomen dat geen aanvulling op het arrest houdende de bewijsmiddelen is opgemaakt. Ik meen dan ook dat geen sprake is van de in art. 4.8.2 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden bedoelde situatie dat het cassatiemiddel klaagt over de onvolledigheid van de processtukken. Dat de steller ervan niet aan de rolraadsheer van de Hoge Raad heeft verzocht om aanvulling van die processtukken werp ik hem dus niet tegen.
NJ2013/544, m.nt. Borgers, waarin de Hoge Raad in aanvulling op het hiervoor onder 8 vooropgestelde als volgt overwoog:
“deels”dat rapport te zullen volgen. Zo een werkwijze verdient op zichzelf niet de voorkeur omdat aldus niet nauwkeurig wordt aangegeven welke gevolgtrekkingen uit het financieel rapport het hof nu wel, en welke hij niet tot de zijne maakt. [7] Een blik op het zich onder de stukken van het geding bevindende financieel rapport leert echter dat het hof de berekening uit dat rapport vrijwel in haar geheel heeft overgenomen. [8] ’s Hofs gebruik van het woord “
deels” is kennelijk bij vergissing. Een tweede kanttekening bij de bewijsvoering heeft betrekking op de eis die de Hoge Raad verwoordt in rechtsoverweging 3.3.5 van de hiervoor geciteerde uitspraak uit 2013, te weten dat de feitenrechter zelf dient vast te stellen dat in het financieel rapport gemaakte gevolgtrekkingen niet door of namens de betrokkene zijn betwist. [9] Het hof heeft vastgesteld dat de verdediging heeft aangevoerd dat de veroordeelde een hennepkwekerij heeft aangelegd op verzoek van iemand anders en dat de betrokkene heeft verklaard dat met de opbrengst zijn schulden zouden worden afgelost, maar dat hij uiteindelijk slechts € 500,00 heeft ontvangen. Het vergt enige welwillendheid om daarin de vaststelling te lezen dat
enkelop dit punt van toerekening van het voordeel verweer is gevoerd en dat de hoogte van de opbrengst van de hennepkwekerij zoals berekend in het financieel rapport aldus niet is betwist. Tot een dergelijke lezing ben ik echter wel bereid, in aanmerking genomen dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep er geenszins op wijst dat de berekening uit het financieel rapport op de terechtzitting is bestreden. [10]
“bij de opzet van de hennepkwekerij [..] een onbekend gebleven ander [is] betrokken.”Blijkens zijn hiervoor onder 4 weergegeven overwegingen heeft het hof de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel gebaseerd op een schatting van de opbrengsten uit de hennepkwekerij die is aangetroffen in de aan [a-straat 1] gelegen woning.
“als uitgangspunt heeft te gelden de onherroepelijke beslissing in de strafzaak van de politierechter van 17 augustus 2015.”Vervolgens zet het hof uiteen waarom het aangevoerde niet tot afwijking van dit uitgangspunt noopt. In aanmerking genomen de inhoud van dat vonnis van de politierechter zoals hiervoor beschreven, acht ik het oordeel van het hof dat het door middel van de hennepkwekerij verkregen wederrechtelijk voordeel geheel aan de betrokkene dient te worden toegerekend zonder nadere motivering niet begrijpelijk. [13] Ook de enkele door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de betrokkene niet inzichtelijk heeft willen maken met wie hij de hennepkwekerij voorhanden heeft gehad en het (feitelijke) oordeel van het hof dat de door de betrokkene voorgestelde verdeling van de opbrengst tussen hem en zijn mededader niet aannemelijk is, vormen onvoldoende grond voor 's hofs oordeel dat het gehele bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene moet worden toegerekend. [14]