ECLI:NL:HR:2004:AQ8491
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- J.L.M. Urlings
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Vernietiging ontnemingsmaatregel wegens onjuiste toerekening wederrechtelijk voordeel aan mededader
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal. Het hof had aan de betrokkene de verplichting opgelegd om het volledige bedrag van € 859.197,94 aan de Staat te betalen, terwijl dit bedrag gezamenlijk door betrokkene en zijn mededader was verkregen. De Hoge Raad oordeelde dat deze wijze van oplegging onjuist was omdat de maatregel strekt tot ontneming van het voordeel dat de betrokkene zelf daadwerkelijk heeft genoten.
De Hoge Raad gaf aan dat bij meerdere daders de rechter op basis van alle omstandigheden moet bepalen welk deel van het voordeel aan elke dader toekomt. Indien onvoldoende aanknopingspunten bestaan, kan het voordeel gelijkelijk worden verdeeld. Het hof had deze toerekening moeten vaststellen alvorens een betalingsverplichting op te leggen.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en beslissing over de omvang van het voordeel dat aan de betrokkene moet worden toegerekend en de daarop gebaseerde betalingsverplichting.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde vaststelling van het deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat aan betrokkene toekomt.