Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
7 oktober 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene werd veroordeeld voor drugshandel en het wederrechtelijk verkregen voordeel werd geschat op €1.560, gebaseerd op verklaringen van de betrokkene en medeverdachten.
De betrokkene voerde aan dat de schatting onjuist was, onder meer omdat hij minder drugs verkocht dan aangenomen en dat autokosten in mindering moesten worden gebracht. Het hof bevestigde echter de uitspraak van de rechtbank en verwierp de verweren, waarbij het hof oordeelde dat de autokosten niet aannemelijk waren gemaakt.
In cassatie werd geklaagd over het ontbreken van een aanvulling met bewijsmiddelen in de uitspraak, zoals vereist volgens wettelijke bepalingen. De Hoge Raad constateerde dat deze aanvulling verloren is gegaan en niet meer beschikbaar zal komen, maar oordeelde dat dit niet tot vernietiging hoeft te leiden omdat de rechtbank en het hof voldoende wettige bewijsmiddelen hebben vermeld en toegelicht waarop de schatting is gebaseerd.
Het middel werd verworpen en het beroep afgewezen, waarmee de ontnemingsvordering van €1.560 gehandhaafd blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontnemingsvordering van €1.560 ondanks het ontbreken van aanvulling met bewijsmiddelen.