Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
BNB2008/188 en
BNB2011/297; A-G] leidt het Hof tot de conclusie dat het systeem van de vermogensrendementsheffing dat is gebaseerd op de gemiddelde rendementsgrondslag van de twee peildata - 1 januari en 31 december van het kalendeijaar - niet kan worden geoordeeld dat de wetgever op regelniveau de hem toekomende ruime beoordelingsmarge heeft overschreden.
stijging” [zie 4.16, cursivering Hof] kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat de wetgever met de introductie van het systeem met één peildatum bewust het risico heeft aanvaard dat ten minste een substantieel deel van de belastingplichtigen met vermogen, als gevolg van de belastingheffing over de op deze wijze forfaitair bepaalde vermogens inkomsten, in een zodanig structureel nadelige positie zou komen te verkeren dat deze belastingheffing voor hen het karakter van confiscatie van vermogen zou krijgen.
3.Het geding in cassatie
Principaal beroep (Staatssecretaris)
4.Onteigening
5.Box 3: peildatum
Wetgeving
BNB2008/188 betrof het geval van een belanghebbende die op 24 december 2002 krachtens erfrecht een aandeel in een nalatenschap verkreeg. De peildata voor de bepaling van de rendementsgrondslag lagen destijds op 1 januari en 31 december. Een beroep op de artikel 26 van Pro het IVBPR en 14 EVRM faalde volgens het Hof. De Hoge Raad heeft dit oordeel bevestigd: [18]
BNB2011/297 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de € 20 miljoen die de belanghebbende bij de oudejaarsloterij won, terwijl de uitslag op 31 december 2004 enkele minuten voor 24.00 uur bekend werd gemaakt en pas op 4 januari 2005 was bijgeschreven op belanghebbendes bankrekening, tot de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar moest worden gerekend: [19]
Overduinleidt het hanteren van slechts één peildatum tot ‘zeer willekeurige en onredelijke uitkomsten’: [26]
6.Hardheidsclausule
7.Artikel 1 EP Pro EVRM
BNB2011/65 invulling gegeven aan het ‘individuele buitensporige last'-criterium. De wettelijke inmenging moet zich sterker laten voelen dan in het algemeen: [47]
BNB1999/271 betrof een belanghebbende die een geslaagd beroep op de artikel 26 IVBPR Pro en 14 EVRM deed, omdat het maximum van het arbeidskostenforfait werd verhoogd zonder dat sprake was van een werkelijke verhoging van de arbeidskosten. Bij het vaststellen van forfaitaire grenzen moet zijn getracht de werkelijkheid te benaderen: [50]
BNB2011/248 betrof een belanghebbende die op 30 november 2006 zijn aandelenpakket vervreemdde en daarmee een voordeel behaalde van € 70 miljoen. Er werd € 448.351 aan heffingsrente in rekening gebracht over de periode 1 juli 2006 tot 9 februari 2007, waarvan € 298.958 zag op de periode 1 juli tot en met 30 november 2006. Naar het oordeel van de Hoge Raad leverde dit geen schending van artikel 1 EP Pro EVRM op: [51]
BNB2014/126 dat de wetgever een zekere ruwheid mocht aanvaarden: [52]
BNB2016/177 werd de vraag aan de Hoge Raad voorgelegd of de vermogensrendementsheffing in strijd met artikel 1 EP Pro EVRM komt. In geschil was de aanslag IB/PVV 2011. Ook in die zaak werd geklaagd over de ‘ruwheid’ van een forfaitair stelsel, in dit geval van box 3: [54]
8.Rechtsherstel
Practice Direction: just satisfaction claimsvan het EHRM worden aanwijzingen gegeven omtrent het toekennen van een schadevergoeding: [55]
restitutio in integrum. Dit kan betrekking hebben op compensatie voor daadwerkelijk geleden verlies (
damnum emergens) en in de toekomst te verwachten verlies of gederfde winst (
lucrum cessans).
BNB1994/36 gaf de Hoge Raad inzicht in de door hem gemaakte afwegingen om tot rechtsherstel te komen, nadat hij oordeelde dat voor de geconstateerde ongelijke behandeling geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestond: [59]
9.Beschouwing en behandeling van de beroepen
Eerste middel van de Staatssecretaris
capital gainsen
capital losses.
BNB2008/188 dat de artikelen 26 IVBPR en 14 EVRM niet waren geschonden doordat een aandeel in een nalatenschap dat op 24 december van een jaar verkregen werd, meetelde voor de berekening van de rendementsgrondslag. [73] Ook het bedrag van € 20 miljoen dat een belanghebbende bij de oudejaarsloterij won (op 31 december, een paar minuten voor 24.00 uur), diende worden meegerekend. [74] Artikel 1 EP Pro EVRM was niet geschonden.