Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Gravenhagevan 24 oktober 1991 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende kreeg voor 1990 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd op een belastbaar inkomen van f 131.454,--. Hij was werkzaam in een kantoorruimte in zijn eigen woning en bracht kosten voor het gebruik van deze ruimte en koffieconsumptie tijdens werktijd in aftrek. De Inspecteur stelde de aftrek voor de kantoorruimte lager vast en weigerde de aftrek voor koffie.
Het Hof handhaafde de aanslag, maar de Hoge Raad vernietigt deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelt dat de regeling in artikel 36, lid 2, letter f, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 leidt tot ongelijke behandeling tussen eigenaar-bewoners en huurder-bewoners, wat in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBP Pro. De aftrek voor de kantoorruimte moet daarom worden vastgesteld op het hogere bedrag dat belanghebbende had opgegeven.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat belanghebbende ook de kosten voor koffieconsumptie tijdens werktijd mag aftrekken, omdat het gelijkheidsbeginsel vereist dat niet-ambulante werknemers die deze kosten zelf dragen dezelfde behandeling krijgen als werknemers die een vergoeding ontvangen. De Hoge Raad vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van f 129.794,-- en gelast vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van f 129.794,-- met vergoeding van het griffierecht.