Conclusie
1.Inleiding
Supervisory Review and Evaluation Process(hierna: SREP) eind 2010 heeft De Nederlandsche Bank (hierna: DNB) geconcludeerd dat SNS Bank niet voldeed aan de eisen voor de kapitalisatie na een stressscenario.
asset protection scheme(APS)) of ten aanzien van een mogelijk ingrijpen bij Mercurius op grond van de artikelen 6:1 en/of 6:2 Wft. Dit laatste ingeval (nog) geen publiek-privatesectoroplossing voorhanden is en de situatie zodanig verslechtert dat er sprake is van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de financiële stabiliteit.
adversescenario.
Core Tier 1 ratioSNS Bank van 9,6% (per eind juni 2012) tot 8,8% als gevolg van een stijging van de omvang van de risicogewogen activa en het verlies bij Property Finance.
strictly confidentialzogeheten
non papervan het ministerie van Financiën luidt als volgt:
Real Economic Valueand the negotiation process between all the parties involved for a comprehensive solution. Therefore, at this moment no conclusions or actions can be taken on the basis of the results of the C&W report.”
acquisition banswaaraan de Europese Commissie twee van de drie banken in verband met de eerder aan die banken verstrekte staatssteun had onderworpen.
Investment research reportvan 22 januari 2013 heeft een analist van KBC Securities NV te Brussel onder het kopje ‘The clock is ticking – downgrade’ onder meer het volgende verklaard:
Memorandum of Understanding, dat volgens SNS Reaal en SNS Bank zou voorzien in herkapitalisatie in lijn met het definitieve SREP-besluit van 27 januari 2013, afwijst en voorts dat SNS Bank niet aan de maatregel vervat in het SREP-besluit heeft voldaan, dat daarom het toetsingsvermogen van SNS Bank niet een beheerste en duurzame dekking van risico’s waarborgt en dat zij het daarom niet langer verantwoord acht dat SNS Bank het bankbedrijf uitoefent.
3.Procesverloop
4.Ontvankelijkheid van het principale cassatieberoep van de Minister
gedeeltelijk) niet-ontvankelijk is omdat de bestreden beschikking van de Ondernemingskamer een deelbeschikking zou zijn en voor het overige slechts voorlopige beslissingen zou bevatten, althans beslissingen die de Minister door de Ondernemingskamer zou kunnen doen herstellen (zie onder meer nrs. III t/m VII, 6.3, 7.1 en 8.1 van het verweerschrift van Stichting Beheer). Dit verweer dient verworpen te worden. Reden daarvoor is reeds dat een niet-ontvankelijkheidsverweer slechts kan slagen indien aangenomen moet worden dat het cassatieberoep tegen de betreffende uitspraak in zijn geheel niet-ontvankelijk is; een ‘partiële’ niet-ontvankelijkverklaring van een cassatieberoep tegen een bepaalde uitspraak is derhalve niet aan de orde. [3]
5.De Interventiewet en de schadeloosstelling bij onteigening
moedermaatschappijvan de financiële onderneming die in problemen verkeert. In het onderhavige geval heeft de Minister van de betreffende bevoegdheid gebruik gemaakt door niet alleen over te gaan tot onteigening van vermogensbestanddelen en effecten van SNS Bank, maar ook tot onteigening van vermogensbestanddelen en effecten van SNS Bank’s moedermaatschappij SNS Reaal.
het te verwachten toekomstperspectief van de bank of verzekeraar in de situatie dat het overdrachtsplan niet wordt goedgekeurd en de noodregeling niet wordt uitgesproken.
vóórhet relevante peiltijdstip (het moment van de overdracht). Het bepalen van de schadeloosstelling wegens onteigening vindt plaats
náhet relevante peiltijdstip (het moment van de onteigening). Dit verschil in gezichtspunt is in de bewoordingen van art. 6:9 lid 1 Wft Pro niet tot uitdrukking gebracht; ook art. 6:9 lid 1 Wft Pro spreekt immers van een ‘te verwachten’ toekomstperspectief. Het ligt echter in de rede dat art. 6:9 lid 1 Wft Pro zo uitgelegd moet worden dat bij het bepalen van de hoogte van de schadeloosstelling, uitgegaan moet worden van
het toekomstperspectiefvan de financiële onderneming
op het peiltijdstip(het tijdstip van de onteigening). Deze lezing vindt ook steun in de parlementaire geschiedenis. Zo vermeldt de memorie van toelichting bij de Interventiewet (Kamerstukken II 2011/12, 33 059, nr. 3, p. 73-74):
gegeven dat toekomstperspectief, voor de onteigende vermogensbestanddelen en effecten overeengekomen zouden zijn (zie art. 6:9 lid 1 Wft Pro). Vraag daarbij is uiteraard
op welke wijzeeen redelijk handelende verkoper en een redelijk handelen de koper de prijs zouden bepalen.
de prijs die een redelijk handelende koper bereid zou zijn voor de onderneming te betalen.
Een redelijk handelende koper zal vooral naar de intrinsieke waarde van het aandeel kijken.
Bij een onderneming in financiële problemen zal hij zich bovendien de vraag stellen welke aanvullende investeringen nodig zijn om de onderneming weer financieel gezond te maken, en daarmee rekening houden in de prijs die hij bereid is per aandeel te betalen. Ook kan het zijn dat de beurskoers een te gunstig beeld geeft van
de werkelijke waarde van een onderneming, omdat de ernst van de problemen waarin die onderneming verkeert, nog niet in volle omvang bekend is bij beleggers. Dit nog afgezien van het feit dat bij beleggers ook andere overwegingen kunnen spelen, die wellicht meer met de concrete verhandelbaarheid van het aandeel op een bepaald moment dan met
de intrinsieke waarde van het aandeelte maken hebben. Belangrijker echter nog is dat het opnemen van een waardebepalingsregel die uitgaat van de beurskoers op een bepaald moment of de gemiddelde koers over een bepaalde periode, ertoe zou kunnen leiden dat beleggers gaan speculeren op de mogelijke onteigening van de onderneming, in de wetenschap dat een hogere beurskoers automatisch tot een hogere schadeloosstelling zal leiden. […]” (onderstrepingen A-G)
Supervisory Review and Evaluation Process(SREP). SREP maakt geen onderdeel uit van de Interventiewet, maar is in 2007 geïntroduceerd als onderdeel van het Basel II-raamwerk voor toezicht op banken en beleggingsondernemingen. [18] Op basis van deze toezichtsregeling is DNB als toezichthouder verplicht om ten minste één keer per jaar bij elke bank en elke beleggingsonderneming met zetel in Nederland een evaluatie uit te voeren van – kort gezegd – het risicobeheer en van de toereikendheid van het kapitaal en de liquiditeit (zie art. 3:18a Wft). Indien DNB bij deze evaluatie – die kortweg wordt aangeduid als ‘SREP’ – constateert dat een bank niet voldoet aan geldende vereisten, kan DNB aan de bank nadere maatregelen voorschrijven (art. 3:111a Wft). In het onderhavige geval heeft DNB aan deze regeling uitvoering gegeven door (onder meer) SREP 2010, SREP 2011 en het SREP-besluit van 27 januari 2013 (zie rov. 2.11, 2.12 en 2.33; en zie hierboven onder 2.11, 2.12 en 2.33). De SREP-evaluatie van DNB staat als zodanig overigens los van een onteigening door de Minister op grond van art. 6:2 Wft Pro. Tegen een SREP-besluit staat overigens ook afzonderlijk bezwaar en beroep open. [19] Dit neemt uiteraard niet weg dat de uitkomsten van de SREP-evaluatie van DNB, omstandigheden kunnen zijn die de Minister in aanmerking neemt bij de beoordeling of er grond bestaat om tot onteigening over te gaan (vgl. art. 6:2 lid 1 Wft Pro).
6.Enkele opmerkingen bij de aangevallen beschikking van de Ondernemingskamer
het te verwachten toekomstperspectief van de betrokken financiële ondernemingin de situatie dat geen onteigening zou hebben plaatsgevonden, en de prijs die, gegeven dat toekomstperspectief, op het tijdstip van onteigening zou zijn tot stand gekomen bij een veronderstelde vrije koop in het economische verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper” (cursivering A-G).
het toekomstperspectief van SNS Bank en SNS Reaal(hetgeen in overeenstemming is met de tekst van art. 6:9 lid 1 Wft Pro) (zie bijv. rov. 6.6, tweede volzin, rov. 6.9 en rov. 6.75, vierde alinea). Op andere plaatsen – bij de uitwerking van de maatstaf - wordt de zinsnede gebruikt als zou het gaan om
het toekomstperspectief van de redelijk handelende koper en verkoper(anders gezegd: om het ‘perspectief’ van de redelijk handelende koper en verkoper op de toekomst van SNS Bank en SNS Reaal) (zie bijv. rov. 6.8, achtste en negende punt). Bij de door de Ondernemingskamer gegeven uitleg van artt. 6:8 en 6:9 Wft lijkt deze tweede – van de tekst van art. 6:9 lid 1 Wft Pro afwijkende – betekenis van de zinsnede “het te verwachten toekomstperspectief” soms maatgevend te zijn (zie de uitwerking van de maatstaven van artt. 6:8 en 6:9 Wft in onder meer rov. 6.8, achtste, negende en elfde tot en met dertiende punt en rov. 6.:11, slotzin van de een na laatste alinea).
redelijk handelende partijen, indien de onteigening niet had plaatsgevonden,
op het tijdstip van de feitelijke onteigening verwacht zouden hebbenomtrent de toekomst van de financiële onderneming (zie onder meer rov. 6.8, achtste en negende punt, en rov. 6.11, slotzin van de een na laatste alinea), en
de redelijk handelende verkoper en de redelijk handelende koperop het tijdstip van onteigening verwacht zouden hebben (wat hun ‘perspectief’ zou zijn geweest) ten aanzien van de toekomst van de financiële onderneming (zie onder meer rov. 6.11 en een na laatste alinea; vgl. rov. 6.8, negende punt). Hetgeen redelijk handelende partijen verwacht zouden hebben omtrent de toekomst van de financiële onderneming, is uiteraard afhankelijk van de informatie op basis waarvan die partijen hun verwachtingen zouden vormen. De Ondernemingskamer heeft dan ook een reeks veronderstellingen (ficties) geformuleerd die bij het bepalen van die verwachtingen tot uitgangspunt zouden moeten worden genomen. Deze gedachtegang die op enkele plaatsen in de beschikking van de Ondernemingskamer te lezen is, is volgens mij in strijd met de tekst van art. 6:9 lid 1 Wft Pro. Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt namelijk duidelijk dat de term ‘toekomstperspectief’ betrekking heeft op het toekomstperspectief van de financiële onderneming (de verdere ontwikkeling van de financiële onderneming), en niet op het bij bepaalde personen bestaande perspectief (hun zienswijze) op de financiële onderneming. Bovendien blijkt uit de wettekst dat het relevante ‘toekomstperspectief’ voor de redelijk handelende verkoper en koper
een gegevenis, en niet iets wat door hen zelf bepaald dient te worden. In bepaalde omstandigheden kan het hierboven aangeduide verschil in benadering een uiteenlopende waarde opleveren. Ik ga hier verder niet op in.
7.Bespreking van het principale cassatieberoep van de Minister
intrinsieke waardevan de effecten en niet op de beurskoers van die effecten. De redelijk handelende koper zou althans geacht worden de prijs
vooralop de intrinsieke waarde te baseren. De Ondernemingskamer heeft volgens de onderdelen dan ook miskend dat bij het bepalen van de werkelijke waarde, de beurskoers niet tot uitgangspunt mag worden genomen. Een en ander zou in elk geval gelden indien – zoals in het onderhavige geval aan de orde zou zijn – de beurskoers geen adequate afspiegeling is van de prijs die een redelijk handelende koper bereid zou zijn te betalen, de ernst van de problemen waarin de financiële onderneming verkeert niet in volle omvang bij de beleggers bekend is, of sprake is van speculatie door beleggers. De bestreden oordelen zijn volgens de onderdelen in elk geval onvoldoende gemotiveerd.
de Ministerdestijds verwachtte ten aanzien van het toekomstperspectief van de financiële onderneming (zie art. 6:9 lid 1 Wft Pro; zie ook paragraaf 5). Het oordeel van de Ondernemingskamer dat de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2013 niet meebrengt dat in de onderhavige procedure, in het kader van het bepalen van de ‘werkelijke waarde’ als bedoeld in art. 6:8 lid 2 en Pro art. 6:9 lid 1 Wft Pro, als vaststaand moet worden aangenomen dat op 1 februari 2013 redelijkerwijs verwacht mocht worden dat SNS Bank en SNS Reaal failliet zouden gaan indien de Minister niet zou overgaan tot onteigening, geeft in zoverre dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het betreffende oordeel behoefde evenmin nader gemotiveerd te worden.
anderendan de in art. 6:9 lid 1 Wft Pro bedoelde redelijk handelende partijen bekend waren met alle feiten en omstandigheden die zich op het tijdstip van onteigening daadwerkelijk voordeden. Volgens het onderdeel heeft de Ondernemingskamer in elk geval miskend dat niet uitgegaan mag worden van feiten en omstandigheden die zich op het tijdstip van onteigening niet daadwerkelijk voordeden, maar die zich op dat tijdstip mogelijk zouden hebben voorgedaan indien anderen dan de in art. 6:9 lid 1 Wft Pro bedoelde redelijk handelende partijen (zoals DNB) bekend zouden zijn geweest met alle feiten en omstandigheden. Het onderdeel stelt dat derhalve – anders dan de Ondernemingskamer heeft aangenomen – niet relevant is of DNB, indien zij bekend zou zijn geweest met alle daadwerkelijke feiten en omstandigheden, het SREP-besluit van 27 januari 2013 niet, nog niet of niet in dezelfde vorm genomen zou hebben.
de Ministerin het onderhavige geding niet boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van SNS Reaal en SNS Bank aan de deskundigen kan verstrekken, althans dat de Minister daartoe niet kan worden verplicht. Hetzelfde geldt volgens het onderdeel voor de verstrekking van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van rechtspersonen die nauw verbonden zijn met SNS Reaal en/of SNS Bank. Het onderdeel stelt dat de Minister de bedoelde gegevens in elk geval alleen behoeft te verstrekken indien die gegevens onder de Minister berusten, die gegevens niet vertrouwelijk aan hem verstrekt zijn, en de Minister ook niet op grond van enige wettelijke bepaling verplicht is tot geheimhouding van die gegevens.
in de zin van artikel 403, lid 1, Boek 2, Burgerlijk Wetboek” kenbaar gemaakt dat zij aansprakelijkheid aanvaardt met het oog op de werking van art. 2:403 lid 1 BW Pro. Om deze reden mag, aldus de Ondernemingskamer, aangenomen worden “dat de verklaring – zoals dat doorgaans bij een dergelijke verklaring zal gelden – niet de strekking heeft verdere aansprakelijkheid te aanvaarden dan voor die werking noodzakelijk is” (zie rov. 6.61). Dit brengt volgens de Ondernemingskamer mee “dat voor het antwoord op de vraag of de achtergestelde crediteuren van SNS Bank ook achtergesteld zijn – en ten opzichte van wie – indien zij zich bij SNS Reaal aanmelden, de overeenkomsten waarin de achterstelling is bedongen, bepalend zijn” (zie rov. 6.61). De Ondernemingskamer stelt vervolgens vast dat de overeenkomsten tussen SNS Bank en haar achtergestelde crediteuren mede inhouden, dat ook de vorderingen van de betreffende crediteuren op SNS Reaal uit hoofde van de 403-verklaring zijn achtergesteld (zie rov. 6.64 t/m 6.71). Op basis van deze vaststelling omtrent de inhoud van de 403-verklaring van SNS Reaal en deze uitleg van de overeenkomsten tussen SNS Bank en de achtergestelde crediteuren van SNS Bank, komt de Ondernemingskamer tot de slotsom dat de achtergestelde crediteuren van SNS Bank met hun vorderingen op SNS Reaal uit hoofde van de 403-verklaring, zowel waren achtergesteld ten opzichte van (i) de concurrente crediteuren van SNS Reaal, als ten opzichte van (ii) de concurrente crediteuren van SNS Bank die eveneens een vordering hadden op SNS Reaal uit hoofde van de 403-verklaring (zie rov. 6.72).
alle concurrente schuldeisers van SNS Bankzijn voldaan” (cursivering A-G) (zie rov. 6.67, 6.68).
de concurrente crediteuren van SNS Reaal” (cursivering A-G) (zie rov. 6.69).
nietuitgegaan moet worden van een faillissementsscenario.
nietuitgegaan moet worden van een scenario waarin SNS Bank en/of SNS Reaal failliet zouden zijn verklaard. Ten tweede zal ook een toekomstperspectief waarbij een financiële onderneming (vooralsnog) opereert als ‘going concern’, in de regel inhouden dat er een bepaald risico bestaat dat de onderneming haar betalingsverplichtingen niet zal nakomen. Met name bij de waardering van schuldvorderingen die pas op langere termijn opeisbaar worden, zal het achtergestelde karakter van de vordering in een dergelijk geval dan ook wel degelijk een relevant zijn bij het bepalen van de ‘werkelijke waarde’ als bedoeld in art. 6:9 lid 1 Wft Pro.