Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
de factoeen vermogensbelasting is van 1,2% – niet strookt met een eerder oordeel van de Hoge Raad [6] en tevens miskent dat voor de proportionaliteitstoetsing ten behoeve van artikel 1 EP Pro de verhouding tussen de betaalde belasting ter zake van vermogen enerzijds en het daadwerkelijk met dat vermogen behaalde rendement anderzijds van belang is. [7]
4.Wetgeving
5.‘The roaring nineties’: economische grondslag vermogensrendementsheffing
fin de siècle [9] -sfeer die het laatste decennium van de 20ste eeuw beheerste.
Federal Reserve System) dit optimisme ten overstaan van de Amerikaanse Senaat in 1995: [24]
measuredfactory employment rose almost 300,000. I say "measured" because it has been true for some time now that manufacturers have relied to an increasing degree on workers supplied by temporary help firms, which are recorded separately in the service industry. But it is clear that last year saw a significant gain in the overall factory workforce. Moreover, I would note the reports in the recent "Beige Book" survey assembled by our regional Reserve Banks that manufacturers now are expressing a greater inclination to add workers directly to their payrolls This is a sign of the greater confidence that firms now have that future levels of activity will remain high.
rücksichtsloßextrapoleren van cijfers uit het verleden naar de toekomst. In de woorden van
Stiglitz: [49]
6.Juridische grondslag vermogensrendementsheffing
de facto) vermogensbelasting. Hierna ga ik in op het karakter van de vermogensrendementsheffing en op mogelijke juridische grondslagen voor een (netto)vermogensbelasting. [57]
de factoresulteert in een heffing die overeen komt met een vast percentage van de vermogensgrondslag, haar ook kenmerken van een belasting naar het vermogen. Ook het feit dat met de introductie van de vermogensrendementsheffing zowel de tot op dat moment bestaande vermogensbelasting (tegen een tarief van 0,7%) als de progressieve inkomstenbelasting over inkomsten uit vermogen – welke in samenhang bezien moesten worden – verdwenen, rechtvaardigt de classificatie van de vermogensrendementsheffing als een hybride belasting.
Van Soest(evenals
Tanabe, zie hierboven) dat vermogen ten aanzien van behoeftebevrediging een bijzondere eigenschap bezit in het geval van ziekte, arbeidsongeschiktheid, etc. In deze gevallen stelt het vermogen immers de bezitter, anders dan degene die slechts arbeidsinkomsten verdien
de(welk arbeidsinkomen als gevolg van de ziekte etc. niet meer bestaat), in staat om de kosten die diens situatie met zich brengt, te dragen. Inkomsten blijven immers voortdurend uit dat vermogen vloeien: de inkomsten zijn hechter gefundeerd. Deze eigenschap rechtvaardigt volgens
Van Soestin ieder geval enige mate van belastingheffing over het vermogen als zodanig (het fundament van die inkomsten). Vermeld zij dat
Van Soestuitdrukkelijk afstand neemt van de gedachte dat de inkomsten uit vermogen zelf een grotere draagkracht zouden kennen ten opzichte van inkomsten uit arbeid. In dit licht wijst hij ook het belasten van een forfaitair rendement op vermogen, als ware dit fictieve rendement een belichaming van het inkomenspotentieel van dat vermogen, af. Naar mate niet-vermogenden echter overigens beschermd worden tegen de risico’s van ziekte en andere situaties die het verdienen van arbeidsinkomen bemoeilijken, boet voorgaande rechtvaardiging in aan kracht. [72] Zulks is bijvoorbeeld aan de orde in het geval van het in meer of mindere mate bestaan van uitkeringen bij werkeloosheid en arbeidsongeschiktheid. [73]
Van Soest, [74] zonder waardeoordeel te geven, de herverdelingsfunctie van het belasten van het vermogen als zodanig:
Geppaart [75] gaat op zoek naar rechtvaardigingsgronden voor een belasting naar vermogen als zodanig en concludeert:
7.Rechtsvergelijking
l’impôt sur la fortune). Klagers hadden berekend dat zij in opvolgende jaren in totaal effectief 135% respectievelijk 91% belasting betaalden ten opzichte van hun inkomen uit vermogen. De concrete berekeningen bleken niet te kloppen, zodat de zaak niet ontvankelijk werd verklaard (
manifestly ill-founded). Desalniettemin is uit het navolgende wel af te leiden dat een belasting die leidt tot het interen op vermogen, in strijd zou kunnen komen met artikel 1 EP Pro: [79]
Gáll, [80] een Hongaarse zaak, een rechtsvergelijking met onder andere de wijze waarop Duitsland inkomsten uit eigendom belastte:
Van Arendonk c.s.op: [87]
Evans. [88]
Impuesto sobre el Patrimoniokent (in 2014) [89] verschillende vermogensschijven met een oplopende waarde van (belastbaar) bezit, in welke schijven eveneens oplopende tarieven gelden. [90] Bij het bepalen van de waarde van het belastbare bezit komt in ieder geval een algemene vrijstelling van € 700.000 in aftrek op de waarde van het totale bezit van een belastingplichtige. [91]
marginaaltarief van 1,2% of hoger over de waarde van het vermogen te maken krijgen indien hun totale bezit een waarde heeft die groter is dan € 2.036.999,51. [92] (Alleenstaande) belastingplichten krijgen in ieder geval slechts met een
effectieftarief van meer dan 1,175% over de waarde van het vermogen te maken indien hun totale bezit een waarde heeft die groter is dan ruim € 6.000.000. Ter vergelijking: in Nederland krijgt een (alleenstaande) belastingplichtige (die geen recht heeft op de zogenoemde ouderentoeslag) [93] in 2014 te maken met een
marginaaltarief van 1,2% [94] over de waarde van het vermogen indien zijn totale bezit een waarde heeft die groter is dan € 21.139. [95] (Alleenstaande) Nederlandse belastingplichten krijgen reeds te maken met een
effectieftarief van meer dan 1,175% over de waarde van het vermogen indien hun totale bezit een waarde heeft van minstens € 1.000.000. [96]
grosso modotot doel heeft te voorkomen dat de gecombineerde druk van de inkomstenbelasting en vermogensbelasting hoger is dan 60% van het totale belastbare inkomen van belastingplichtigen. [97]
Impôt de solidarité sur la fortunekent net als de Spaanse heffing (in 2014) [98] verschillende vermogensschijven voor een oplopende waarde van (belastbaar) bezit, in welke schijven eveneens oplopende tarieven gelden. [99] Franse vermogensbelasting wordt pas betaald zodra het netto-vermogen van een belastingplichtige een waarde heeft van meer dan € 1.300.000. [100] Ingeval het netto-vermogen boven deze drempel uitkomt, wordt ook belasting betaald over het vermogen tussen € 800.000 en € 1.300.000.
marginaaltarief van 1,2% of hoger over de waarde van het vermogen te maken krijgen indien de waarde van hun totale bezit meer dan € 5.000.000 beloopt. [101] (Alleenstaande) belastingplichten krijgen in ieder geval slechts te maken met een
effectieftarief van meer dan 1,175% over de waarde van het vermogen indien hun totale bezit een waarde heeft van meer dan ruim € 14.400.000. Ter vergelijking met de Nederlandse situatie zij verwezen naar punt 7.11 hierboven.
grosso modotot doel heeft te voorkomen dat de gecombineerde druk van de inkomstenbelasting en vermogensbelasting hoger is dan 75% van het totale belastbare inkomen van (Franse) belastingplichtigen. [102]
8.Toetsingsschema EHRM
interference) met het ongestoorde genot van dit eigendom?
interference?
interferencetot gevolg heeft rechtmatig (
lawful)?
legitimate aim) voor de
interference?
fair balancetussen het nagestreefde algemene belang en individuele rechten op regelniveau?
excessive individual burden?
legitimate aim-toets – genoemd onder punt 8.3 hiervoor – van praktisch belang. Algemeen wordt aangenomen dat bij belastingheffing sprake is van een inmenging met het recht op het ongestoord genot van eigendom. Dit blijkt onder meer uit het arrest
Burden & Burden [105] van het EHRM.
lawfulnessis volgens het EHRM “
the first and most important requirement”. Die eis houdt onder meer in dat de nationale maatregel ‘
sufficiently accessible, precise and foreseeable’ moet zijn:
Capital Bank ADoordeelt het EHRM echter dat een inbreuk op eigendom die arbitrair van aard is en niet effectief te betwisten is, niet
lawfulis: [109]
Gall [110] was sprake van een toetsing van een wet die in een eerder stadium door het Hongaarse constitutionele hof in strijd met de grondwet was verklaard. Na die beslissing van het Hongaarse hof had de Hongaarse wetgever de constitutionele toetsingsmogelijkheid van het Hongaarse hof dusdanig ingeperkt, dat een door dat hof uitgevoerde toetsing van (een verzwaarde vorm van) de bestreden regeling na die wetswijziging nergens meer toe leidde. Het EHRM betrok dit zijn overweging inzake de lawfulness van de te toetsen bepaling en oordeelde:
N.K.M., Gáll en R.Sz, welke ik heb opgenomen in onderdeel 7.5 en 7.6.
9.Toetsing stelsel van forfaitair rendement aan 1 EP
Apeldoorn, Gribnauen
Verbeekhebben met betrekking tot het verband tussen het eigendomsrecht en ficties het volgende geschreven: [132]
10.Beschouwing
excessive burden.
nine-eleven’ en sedertdien werd zij niet meer de oude; in de Verenigde Staten brak de hypotheekcrisis uit die voerde tot de banken- en kredietcrisis en de langdurigste economische neergang sedert 1929. Vervolgens belandden vooral de Europese staten in een financieringscrisis met de problemen rond Griekenland als dieptepunt. Op het moment dat de crisis ten einde leek, kwam China, één van de BRIC landen die zo goed bestand waren gebleken tegen de crisis, in moeilijkheden en kelderden de beurzen wereldwijd met tientallen procenten. Verder zijn er nog de problemen op de oliemarkt en – deels in verband daarmee – die met de Russische (buitenlandse) politiek. Op dit moment wordt Europa geconfronteerd met een ernstig vluchtelingenprobleem en vragen sommigen zich af of de Europese Unie over vijf jaar, al dan niet in de huidige vorm, nog bestaat.
lawfulness. [151]
au fondonvoorspelbare uitkomsten.
lawfulis.
Imbert de Tremiolles,
Gáll, N.K.M. en R.Sz.van het EHRM is daarenboven af te leiden dat belastingheffing die leidt tot het interen op vermogen, en aldus confiscatoir is, gecombineerd met andere factoren disproportioneel kan zijn. [156]
low taxjurisdictie kan worden ondergebracht, anderzijds omdat vermogen vaak is opgebouwd uit reeds belast inkomen.