Conclusie
eerste middel, dat slechts kan worden begrepen in combinatie met de daarbij opgenomen toelichting
,begrijp ik aldus dat dit de klacht bevat dat het oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op de bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers, dat het niet anders kan zijn dan dat zijn opzet daarop was gericht, onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend is gemotiveerd. [1]
tweede middelklaagt dat de strafmotivering onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof geen opgave heeft gegeven van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
NJ2016/98 repte het hof in zijn strafmotivering in het geheel niet van een gevangenisstraf. In het andere arrest sprak het hof slechts over een gevangenisstraf bij de vermelding van een advies van de reclassering, terwijl het daarbij ging om een advies tot oplegging van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. In HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2193 had het hof overwogen geen aanleiding te zien af te wijken van de in eerste aanleg opgelegde straf, die het hof passend en geboden achtte. Die straf betrof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand. Mijn ambtgenoot Harteveld stelde zich op het standpunt dat in ’s hofs overwegingen als zijn oordeel besloten lag dat het hof van oordeel was dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming meebrengt. De Hoge Raad volgde hem daarin niet. Die benadering strookt met jurisprudentie waarin verwijzingen naar de “na te melden strafoplegging” ontoereikend werden bevonden.