Conclusie
1.Inleiding
2.De bewezenverklaring, bewijsmiddelen en -overwegingen
- bij die [aangever 1] schade aan de prostaat een steekwond (links) naast de anus en
- bij die [aangever 3] een gebroken jukbeen en een gebroken oogkas (met blijvend oogletsel)
heeft toegebracht, door opzettelijk:
- slaan met een stoelpoot in het gezicht van die [aangever 3] en
- prikken van een stok naast de anus van die [aangever 1] en schoppen en slaan met een stok tegen het lichaam van die [aangever 1]
en
Ik wil graag aangifte doen van mishandeling, die vannacht (het hof begrijpt: in de nacht van 10 op 11 december 2010) te 00:14 uur op de [a-straat 1] , De Kwakel, binnen de gemeente Uithoorn heeft plaatsgevonden. Vannacht zijn vier personen ongevraagd bij ons thuis binnengekomen. Een van hen ken ik als [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] ). Twee van de mannen, waaronder [medeverdachte 1] , begonnen mij te slaan. [medeverdachte 1] begon mij op mijn hoofd te slaan met zijn vuisten. Later ben ik met een stok op mijn armen en benen geslagen. Toen ik op de grond lag ben ik ook nog geschopt en geslagen.
Is er vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel? Ja
Is er vermoeden van inwendig bloedverlies? Ja
Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 11-12-2010
Overige van belang zijn informatie (operaties, blijvend letsel ed): Letsel aan urethra, verder onderzoek en evt. behandeling volgt.
De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde, overeenkomstig haar pleitnotities. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw – kort gezegd – aangevoerd dat de verklaringen van de aangevers, de medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) en de (toenmalige) medeverdachte [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ) op essentiële punten tegenstrijdigheden vertonen en derhalve niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Gelet op het voorgaande kan volgens de raadsvrouw niet worden vastgesteld welke (gewelds)handelingen de verdachte zou hebben verricht. Voorts kan uit het dossier niet worden opgemaakt dat er sprake is geweest van medeplegen nu er geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking.
Anders dan de raadsvrouw acht het hof de verklaringen van de aangevers voldoende consistent en betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs. Het hof komt tot dit oordeel nu de aangevers vanaf het begin af aan op essentiële punten consequent hebben verklaard over de gebeurtenissen in de nacht van 10 op 11 december 2010 en het toegepaste geweld. Daarnaast komen deze verklaringen in grote lijnen met elkaar overeen. Voor zover sprake is van onderlinge verschillen of tegenstrijdigheden in de verklaringen, zijn deze niet van wezenlijk belang en kan dit worden verklaard door de hectische situatie tijdens de overval en de mishandelingen door het tijdsverloop. Het hof heeft voorts noch in het dossier noch in het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep aanknopingspunten gevonden op grond waarvan aan de verklaringen van aangevers zou moeten worden getwijfeld.
Ook het verweer van de raadsvrouw dat geen sprake is van medeplegen vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. In dat kader wijst het hof in het bijzonder op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] waarin hij erover spreekt dat [medeverdachte 1] één jongen zou slaan en [medeverdachte 3] de andere, om hem op die manier bang te maken, en op de verklaringen van de aangevers waaruit blijkt dat door alle vier de verdachten gezamenlijk geweld is toegepast. In tegenstelling tot de raadsvrouw kwalificeert het hof de bijdrage van de verdachte aan het plan van de medeverdachte en de wijze waarop hij en zijn medeverdachten daar gezamenlijk uitvoering aan hebben gegeven als medeplegen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zich, samen met de medeverdachten, schuldig heeft gemaakt aan de zware mishandeling van aangevers [aangever 1] en [aangever 3] en de poging daartoe van aangever [aangever 2] . De tot vrijspraak strekkende verweren van de raadsvrouw worden dan ook verworpen.”
3.Het eerste middel
4.Het tweede middel
5.Het derde middel
6.Het vierde middel
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich tezamen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan de zware mishandeling van twee mannen en de poging daartoe van een ander. Daartoe zijn zij in de nachtelijke uren de woning van de slachtoffers binnen gegaan, die op dat moment lagen te slapen of aanstonds van plan waren om te gaan slapen. Naast de slachtoffers waren er verschillende andere personen in de woning aanwezig, die van de zware mishandeling getuige zijn geweest. Eenmaal binnen hebben de verdachte en zijn medeverdachten de slachtoffers op vreselijke wijze toegetakeld, onder meer door samen op hen in te schoppen en hen met afgebroken stoelpoten te slaan. Bovendien hebben zij geprobeerd een bezemsteel in de anus van een van de slachtoffers te duwen. De slachtoffers hebben hier (zeer fors en pijnlijk) letsel aan overgehouden. Dat de slachtoffers er niet nog erger aan toe zijn en het voorval hebben kunnen navertellen is geenszins aan het handelen van de verdachte noch dat van zijn medeverdachten toe te schrijven.
Het hof heeft gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen voor zware mishandeling plegen te worden opgelegd, welke hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden als passend geacht. Die straf neemt het hof als uitgangspunt; een andere strafmodaliteit dan onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is voor dergelijk geweld niet aan de orde. In dit geval hebben de verdachte en zijn medeverdachten zich schuldig gemaakt aan de zware mishandeling van twee slachtoffers en de poging daartoe van een derde slachtoffer Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, zoals door de advocaat-generaal is geëist.
Het hof stelt met de raadsvrouw en de advocaat-generaal vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden. Deze overschrijding zal in strafverminderende zin worden verdisconteerd in de strafmaat. Waar het hof in beginsel voor deze feiten en voor deze verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden zou vinden, zal worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf van 20 maanden, gezien de hiervoor geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.”