Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
22 december 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor drie jaar wegens een dodelijk verkeersongeval waarbij drie voetgangers om het leven kwamen.
Het Hof motiveerde de straf door te verwijzen naar de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het plaatsvond en de persoon van de verdachte, die zonder rijbewijs en in vermoeide toestand door rood reed en met hoge snelheid drie voetgangers aanreed. Tevens werd rekening gehouden met de psychische last voor de verdachte en het ontbreken van eerdere veroordelingen.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het vonnis niet voldeed aan de vereisten van artikel 402, vijfde lid, SvC, omdat het Hof niet specifiek de redenen had vermeld die tot de keuze van een vrijheidsbenemende straf hadden geleid. Dit gebrek aan motivering leidt volgens artikel 402, zevende lid, SvC tot nietigheid van de strafoplegging.
Daarom vernietigde de Hoge Raad de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het Hof voor hernieuwde berechting en afdoening, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens onvoldoende motivering en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.