Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 9 juni 2021
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Vaststaande feiten
Oordeel van de Rechtbank
Premieplicht onder nationale wetgeving
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, werkzaam als Rijnvarende op schepen die eigendom zijn van een Nederlandse BV, betwistte de Nederlandse premieheffing volksverzekeringen over de jaren 2010 en 2011. Hij stelde dat hij sociaal verzekerd was in Luxemburg en Zwitserland en dat de Nederlandse aanslagen onterecht waren opgelegd.
De rechtbank had reeds geoordeeld dat de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is, omdat de BV als exploitant van de schepen geldt volgens het Rijnvarendenverdrag en de Rijnvarendenovereenkomst. Het hof bevestigt dit oordeel en wijst de stellingen van belanghebbende af dat Luxemburgse E101- en E106-verklaringen en de Zwitserse A1-verklaring rechtskracht hebben.
Verder faalt het beroep op schending van procedurevoorschriften, het beginsel van loyale samenwerking en het doeltreffendheidsbeginsel. Ook de claim op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wordt verworpen, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat het schip onder Zwitserse vlag voer of een thuishaven in Zwitserland had.
De redelijke termijn voor bezwaar en beroep is overschreden, maar door instemming met verlenging en andere omstandigheden wordt de overschrijding beperkt. Het hof veroordeelt de Inspecteur tot een immateriële schadevergoeding van €5.000 en proceskostenvergoeding aan belanghebbende.
De uitspraak bevestigt de Nederlandse premieheffing en sociale verzekeringsplicht van belanghebbende als Rijnvarende in 2010 en 2011 en wijst de overige vorderingen af.
Uitkomst: Belanghebbende is sociaal verzekerd en premieplichtig in Nederland voor 2010 en 2011; immateriële schadevergoeding van €5.000 toegekend wegens termijnoverschrijding.