Conclusie
1.Inleiding
Union des Caisses de Maladieheeft de belanghebbende in 2011 op basis van Vo. (EEG) 1408/71 een E106-verklaring gegeven dat hij van 1 januari 2010 t/m 30 april 2010 recht had op prestaties uit hoofde van ziekte en moederschap. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft een A1-verklaring afgegeven die het Nederlandse sociale-zekerheidsstelsel op de belanghebbende van toepassing verklaart tussen 1 mei 2011 en 31 december 2012. Voor het geschiljaar 2013 is dus geen aanwijsbesluit van enige bevoegde autoriteit voorhanden. De inspecteur heeft voor dat jaar vrijstelling van premieheffing geweigerd omdat hij Nederland bevoegd acht en niet Luxemburg. Hij heeft wel de in Luxemburg geheven premies voor
Krankenkasseen
Krankengeldin aftrek op het belastbare loon toegelaten.
cotisations sociales).
Rechtbankheeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard.
Hofheeft ook belanghebbendes hogere beroep ongegrond verklaard. Hij is als inwoner premieplichtig ex art. 6 AOW Pro tenzij hij aannemelijk maakt dat hij ex art. 6a AOW niet in Nederland premieplichtig is, hetgeen hij volgens het Hof niet heeft gedaan. Bij ontbreken van een verklaring die Nederland aanwijst, acht het Hof de Inspecteur ex artt. 57 en 58 Wfsv jo art. 11 AWR Pro zelfstandig bevoegd om de premieplicht vast te stellen en om van de aangifte af te wijken en premie te heffen. De Rijnvarendenovereenkomst (Rvov) wijst voor 2013 exclusief Nederlands aan als bevoegd omdat de scheepsexploitant in Nederlands is gevestigd; noch de Svb, noch het bevoegde Luxemburgse orgaan heeft een andersluidende A1- of E101-verklaring afgegeven. De regularisatieprocedure ex art. 16 Toepassingsvo Pro. 987/2009 (zie 4.30 bijlage) voor de toepassing van de Vo.-aanwijsregels is volgens het Hof niet van toepassing, nu uit art. 16 Basisvo Pro. 883/2004 (zie 4.21 bijlage) volgt dat op de belanghebbende alleen de Rvov-aanwijsregel van toepassing is, die Nederland aanwijst. Toepassing van voor beide Staten bindende wetgeving kan volgens het Hof geen gebrek aan loyale samenwerking (art. 4(3) VEU) zijn. Zelfs als de Luxemburgse E106-verklaring op 2013 zou zien, zou er geen betekenis aan toekomen omdat zij ook onder de oude Vo. 1408/71 al ongeldig was en de inwerkingtreding van de nieuwe Vo. 883/2004 dat niet verandert. Wenst de belanghebbende een andere aanwijzing dan volgt uit de Rvov, dan moet hij Luxemburg daarom ex art. 18 Toepassingsvo Pro. 987/2009 verzoeken, hetgeen hij kennelijk niet heeft gedaan. Bij gebrek aan een dergelijk ‘voorlopige’ aanwijzing van Luxemburg, kan niet worden toegekomen aan art. 73(2) Toepassingsvo. 987/2009, dat terugbetaling van voorlopig in Luxemburg betaalde premies regelt met het oog op verrekening met de in Nederland verschuldigde premies. Ook belanghebbendes beroepen op de zorgvuldigheids-, vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginselen heeft het Hof verworpen.
uitzonderingsprocedure) verplicht zouden zijn om een uitzondering te maken op de Rvov (die de scheepsexploitantstaat aanwijst) als dat in het financiële “belang” van een individuele werknemer is, lijkt mij onjuist. De lidstaten zijn niet verplicht elke grensoverschrijdende werknemer te helpen stelsel
shoppen. Het gaat in art. 16 Vo Pro. 883/2004 om een ander ‘belang’.
Klein Schiphorsten
Sante Pasquiniom te onderbouwen dat Nederland het EU-rechtelijke doeltreffendheidsbeginsel zou hebben geschonden, lijken mij niet relevant. Dat een rijnvarende zich genoodzaakt kan zien twee procedures te voeren, een over het toepasselijke stelsel (Svb; bestuursrechter) en een over de premieheffing (belastingdienst; belastingrechter) en bij tegenstrijdige uitspraken mogelijk nog een herzieningsaanvraag (HR BNB 2019/44), terwijl in een puur binnenlands geval maar één procedure gevolgd hoeft te worden (bij de belastingrechter), is een onvermijdelijk gevolg van de EU-rechtelijke wetgeving dat voor werknemers die in twee of meer lidstaten werken, exclusief één lidstaat aangewezen moet worden. Dat aanwijsprobleem kan zich in een puur binnenlands geval uit de aard der zaken niet voordoen, zodat het om een objectief verschil in situaties gaat. Geen (EU-)rechtsregel verplicht een lidstaat om stelselaanwijzings-verklaringen en premieheffing bij dezelfde autoriteit onder te brengen, als het halen van EU-recht maar niet moeilijker is dan het halen van nationaal recht. Nu de gewone nationaalrechtelijke procedures bij de bestuursrechter en de belastingrechter ook voor rijnvarenden gelden, is van ongelijkwaardigheid geen sprake. Uiterst bezwaarlijk of nagenoeg onmogelijk om EU-recht te halen is het evenmin.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Union des Caisses de Maladieheeft op 5 augustus 2011 op basis van Vo. (EEG) 1408/71 een E106-verklaring afgegeven inhoudende dat de belanghebbende van 1 januari 2010 t/m 30 april 2010 recht had op prestaties uit hoofde van ziekte en moederschap. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft voor de periode 1 mei 2011 t/m 31 december 2012 een A1-verklaring afgegeven inhoudende dat op de belanghebbende de Nederlandse sociale-zekerheidswetgeving van toepassing is. De belanghebbendes heeft de Svb verzocht om in plaats daarvan te verklaren dat in die periode voor hem de Luxemburgse sociale zekerheid gold. De Svb heeft dat verzoek afgewezen.
Krankenkasseen
Krankengelden het belastbare inkomen nader vastgesteld op € 23.661.
cotisations sociales).
X en van Dijk(onderdeel 5.4 van de bijlage) achtte de Rechtbank de Inspecteur niet gebonden aan de Luxemburgse E106-verklaring – als die al voor 2013 zou gelden – omdat die verklaring ongeldig was, nu het destijdse Rijnvarendenverdrag (RV) (oud) vóór ging op Vo. (EEG) 1408/71 en Nederland exclusief aanwees en er geen reden is om aan te nemen dat het anders zou zijn onder hun opvolgers, de Rvov (nieuw) en Vo. (EG) 883/2004, die eveneens exclusief Nederland aanwijzen. De stelling dat de bevoegde lidstaat Nederland moet terugtreden omdat in de niet-bevoegde lidstaat Luxemburg premies zijn ingehouden of betaald, achtte de Rechtbank onjuist omdat zo’n betaling of inhouding geen verzekeringsplicht in Luxemburg creëert en niet in de weg staat aan verschuldigdheid van premies in Nederland. De rechtbank zag geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen.
Afwijking op individueel niveau op grond van artikel 16 van Pro Verordening (EG) 883/2004 (de Basisverordening)
afwijking; zie onderdeel 4.22 van de bijlage: PJW] kan geen inzet zijn van de onderhavige procedure, aangezien de inspecteur niet bevoegd is om een dergelijke 'regularisatieprocedure' [bedoeld is
uitzonderingsprocedure; zie onderdeel 4.22 van de bijlage; PJW] te voeren. Anders dan belanghebbende voorstaat, ziet het Hof gelet op het voorgaande geen aanleiding om hierover op grond van artikel 267 van Pro het VWEU prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Verrekening ingehouden premies
3.Het geding in cassatie
middel(i) stelt de belanghebbende dat, nu vaststaat dat belanghebbende rijnvarende is, alleen de Svb kan en moet bepalen welk sociaal verzekeringsrecht van toepassing is.
middel (ii)betoogt hij dat alleen de Svb het toepasselijke sociale verzekeringsrecht kan vaststellen (CRvB van 28 augustus 2019 (zie. 5.19 bijlage), naar aanleiding van HR
BNB2019/44 (zie 5.14 bijlage)), waaruit volgt dat alleen de Svb en de sociale zekerheidsrechter mogen oordelen over het toepasselijke sociaal verzekeringsrecht, niet de Belastingdienst en belastingrechter. Voordat premie geheven kan worden, moet de Svb dus eerst vaststellen of verzekeringsplicht in Nederland bestaat, waarbij de procedurevoorschriften van artt. 6 en 16 Vo. 987/2009 en Besluit A1 van de Administratieve Commissie (zie onderdeel 4.39 bijlage) moeten worden gevolgd, hetgeen de Svb heeft nagelaten. Ondanks belanghebbendes verzoek daar om, heeft de Svb geen aanwijsbesluit genomen omdat zij de uitkomst van deze fiscale procedure afwacht. ’s Hofs oordeel dat de belanghebbende geen beroep kan doen op de regularisatieprocedure (bedoeld is:
uitzonderingsprocedure; PJW) van art. 16(1) Basisvo. 883/2004 omdat de Inspecteur daartoe niet bevoegd is, is volgens de belanghebbende niet te rijmen met zijn oordeel dat de Inspecteur wél bevoegd is het toepasselijk sociaal verzekeringsrecht vast te stellen. ‘s Hofs opvatting dat de belanghebbende op basis van art. 18 Toepassingsvo Pro. 987/200 een verzoek moet indienen in Luxemburg strookt volgens de belanghebbende niet met een uitspraak van de CRvB van 22 november 2018 (zie 5.22 bijlage).
middel (iii)dat het Hof ten onrechte de procedureregels van art. 16 Toepassingsvo Pro. 987/2009 (regularisatie) niet van toepassing heeft geacht op de grond dat voor hem alleen de Rvov geldt, hoewel uit CRvB 28 augustus 2019 (5.19 bijlage), bevestigd door Hof Den Bosch 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3139 t/m 4141 (in cassatie aanhangig onder de nrs. 19/04564, 19/04567 en 19/04609; ook in die zaken concludeer ik vandaag) volgt dat ook onder de Rvov de procedureregels van art.16 Toepassingsvo Pro. 987/2009 wel degelijk van toepassing zijn. ’s Hofs oordeel dat het voorbijgaan aan art. 16 Toepassingsvo Pro 987/2009 het beginsel van loyale samenwerking tussen lidstaten niet schendt, is onjuist volgens CRvB 29 december 2017 (zie 5.17 bijlage).
middel (iv)licht de belanghebbende toe dat uit onder meer Hof ’s-Hertogenbosch 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3141 (in cassatie aanhangig) en CRvB 28 augustus 2019 (zie 5.19 bijlage) volgt dat de belastingrechter niet materieel mag toetsen of de belanghebbende verzekerings- en premieplichtig is in Nederland. Dat hij voor hetzelfde geschil zowel de bestuursrechtelijke kolom als de fiscale kolom moet doorlopen schendt bovendien het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel, aldus Hof ’s-Hertogenbosch 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3139 (in cassatie aanhangig).
middel (v)toe dat art. 73(2) Toepassingsvo. 987/2009 is geschonden door ’s Hofs weigering de Luxemburgse premies te verrekenen. Het Hof ’s-Hertogenbosch 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3140 (in cassatie aanhangig) heeft tegengesteld beslist. De belanghebbende verwijst ook naar CRvB 28 augustus 2019 (zie 5.19 bijlage), die met verwijzing naar HvJ EU
Klein Schiphorst(zie 5.6 bijlage) en HvJ
Sante Pasquini(zie 5.3 bijlage) oordeelde dat migrerende werknemers niet de dupe mogen worden van het niet naleven van regels die de betrekkingen tussen de sociale zekerheids-organen van verschillende lidstaten beheersen en dat ook als art. 73 naar Pro de letter niet van toepassing is, de betrokken organen in overeenstemming met diens ratio invulling kunnen geven aan het daaraan ten grondslag liggende uitgangspunt. De belanghebbende wordt getroffen door dubbele premieheffing en het Hof had een rechtvaardige oplossing moeten bieden omdat de Belastingdienst, de Svb, en de politiek de Unierechtelijke plicht om dubbele heffing te voorkomen niet nakomen.
middel (vi)meent de belanghebbende dat het Hof ten onrechte geen gevolgen heeft verbonden aan de schending van het Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel door verdubbeling van procedures voor rijnvarenden, welke schending volgens de belanghebbende tot gevolg moet hebben dat de Inspecteur geen premies kan heffen.
BNB2019/44 (zie 5.14 bijlage) houden niet in dat de Belastingdienst geen premie kan heffen als de Svb geen stelselaanwijsbesluit heeft genomen.
middel (v)betoogt de Minister dat art. 73 Toepassingsvo Pro. 987/2009 (zie 4.38 bijlage) beperkt is tot de situaties waarop art. 6 Toepassingsvo Pro. 987/2009 (zie 4.35 bijlage) ziet. Art. 6 komt Pro aan de orde als de procedurele regels zijn gevolgd maar twee lidstaten het niet eens worden. Art. 6 is Pro niet van toepassing als de werknemer zich ten onrechte niet heeft gemeld bij het bevoegde orgaan van zijn woonstaat, en de werknemer en diens werkgever besluiten om in een niet-bevoegde lidstaat van hun keuze premies af te dragen en deze premies aldaar in ontvangst worden genomen zonder dat de overige betrokken lidstaten daarover worden geïnformeerd. Volgens de Minister is geen sprake van ‘voorlopig’ betaalde premies in de zin van artt. 6 of 73 Toepassingsvo omdat geen sprake is van een meningsverschil tussen de bevoegde autoriteiten over de toepasselijke wetgeving. Art. 73 Toepassingsvo Pro. 987/2009 komt volgens de Minister bovendien pas aan de orde als de uiteindelijk toepasselijk blijkende wetgeving niet die is van de lidstaat die ex art. 16(2) Toepassingsvo. 987/2009 voorlopig was aangewezen. In casu is er geen sprake van dat de werknemer uiteindelijk in een andere lidstaat verzekerd- en premieplichtig blijkt te zijn door de toepassing van de aanwijsregels van Vo. 883/2004.
middel (vi)onderschrijft de minister ’s Hofs ‘r.o. 4.17 over effectieve rechtsbescherming’ (ik neem dat hij bedoelt de r.o. 5.11 en 5.12 over het doeltreffendheidsbeginsel) en voegt daaraan toe dat de belanghebbende voorafgaand aan vervulling van zijn dienstbetrekking een A1-verklaring had kunnen aanvragen en daar dus veel eerder over had kunnen procederen.
middel (iii)betoogt de belanghebbende dat toepasselijkheid van de Rvov alleen de materiële aanwijsregels van de Basisverordening uitschakelt, maar niet dier procedureregels, zodat via art. 14(5) Toepassingsvo. 987/2009 de regularisatieprocedure van art. 16 Toepassingsvo Pro. 987/2009 van toepassing is. De uitzonderingsbepaling van art. 16(1) Vo. 883/2004 noch (art. 5(2) van) de Rvov zelf bepalen dat art. 16 Toepassingsvo Pro. 987/2009 opzij kan worden gezet, dat bovendien uiting is van het beginsel van loyale samenwerking tussen de lidstaten (CRvB 29 december 2017; zie 5.17 bijlage), dat ook onder de Rvov tussen hen geldt (CRvB 28 augustus 2019 (zie 5.19 bijlage) en Hof Den Bosch 27 september 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3983 (zie 5.16 bijlage; PJW)). Bovendien blijkt de Belastingdienst ook als de werkgever in een lidstaat zit die partij is bij de Rvov de Svb te verzoeken om ex art. 16 Toepassingsvo Pro. 987/2009 een verklaring toepasselijke wetgeving af te geven. Wat betreft het verweer dat de belanghebbende zich niet bij de Svb heeft gemeld, merkt de belanghebbende op dat hij de Svb in 2016 heeft verzocht om het Luxemburgse recht als toepasselijk sociaal verzekeringsrecht vast te stellen, al dan niet na regularisatie (bedoeld is kennelijk: de uitzonderingsprocedure) en dat de inspecteur al vele jaren op de hoogte was van belanghebbendes positie als rijnvarende en de Svb had moeten inlichten. Dat onder de Rvov de Rijnvaartverklaring (de vestigingsplaats van de exploitant) beslissend is, betekent volgens de belanghebbende niet dat geen verschil van mening kan bestaan tussen de lidstaten. Hij acht onbegrijpelijk dat de nalatigheid van de Svb hem wordt toegerekend en dat het de inspecteur ondanks die nalatigheid vrij zou staan om zelfstandig de verzekeringsplicht te beoordelen.
middel (v)meent de belanghebbende dat de Minister miskent dat art. 73(2) Toepassingsvo. 987/2009 van toepassing moet zijn, gegeven de doelstellingen van Vo. 883/2004 en Toepassinsvo. 987/2009. Hij meent met de CRvB (zie onderdeel 5.19 van de bijlage) dat uit HvJ
Klein Schiphorst(onderdeel 5.6 van de bijlage) en
Sante Pasquini(zie 5.3 bijlage) volgt dat de belanghebbende niet de dupe mag worden van het niet-naleven door de betrokken lidstaten van regels die de betrekkingen tussen sociale zekerheidsorganen van verschillende lidstaten beheersen. Volgens de belanghebbende stroken de stellingen van de Minister niet met de daadwerkelijke handelwijze van de Svb jegens de belanghebbende.
middel (vi)dat schending van het EU-beginsel van effectieve rechtsbescherming meebrengt dat de Inspecteur geen premies kan heffen en dat het Hof daarop had moeten responderen.
middelen (i), (ii) en (iv)gaat de belanghebbende volgens de Staatssecretaris voorbij aan HR 1 juni 2019 (bedoeld is: 2018), ECLI:NL:HR:2018:803 (zie 5.26 bijlage) waarin u heeft geoordeeld dat bij ontbreken van een aanwijsbesluit op het moment van aanslagoplegging, de Inspecteur de premieplicht op basis van de nationale wetgeving en de geldende verordening moet beoordelen. Uit HR
BNB2019/44 (zie 5.14 bijlage) volgt dat als er door een bevoegde autoriteit het sociaal zekerheidsrecht heeft aangewezen, de Inspecteur en de belastingrechter die aanwijzing moeten volgen zolang zij niet is ingetrokken, maar daaruit volgt niet, ongekeerd, dat als er geen aanwijzing is, de Inspecteur niet zelfstandig de premieplicht zou mogen beoordelen.
middelen (iii) en (v)meent de Staatssecretaris dat de Svb niet in gebreke is gebleven.
middel (vi)geen schending van het beginsel van effectieve rechtsbescherming en het Hof heeft zijns inziens in r.o. 5.6. impliciet belanghebbendes klacht van schending van effectieve rechtsbescherming afgewezen.
4.Beoordeling van het cassatieberoep
uitzonderingsprocedure; dus niet de
regularisatieprocedure ex art. 16
Toepassingsvo.) alle aanwijsregels van de artt. 11 t/m 15 Vo. 883/2004 uitgeschakeld, dus ook die van art. 13 Vo Pro. 883/2004. Zij hebben daarvoor in de plaats gesteld de aanwijsregels van art. 4 Rvov Pro, die gelijk luiden aan die van diens voorganger art. 11 RV Pro.
shoppen, valt mijns inziens te begrijpen.
uitzonderingsprocedure) is slechts in zoverre toepasselijk dat het de rechtsbasis is voor de Rvov. Art. 16 Vo Pro. 883/2004
isdus al toegepast, nl. door bij Rvov af te wijken van titel II van Vo. 883/2004. Belanghebbendes mogelijke opvatting dat de lidstaten verplicht zouden zijn om steeds een uitzonderingsprocedure te volgen als dat in het financiële “belang” van een individuele werknemer is, lijkt mij onjuist. De lidstaten zijn niet verplicht elke grensoverschrijdende werknemer te helpen stelsel
shoppen. Het gaat in art. 16 Vo Pro. 883/2004 om een ander ‘belang’. De lidstaten hebben de Rvov gesloten ter voorkoming van het voortdurend wisselen van de toepasselijke wetgeving als gevolg van het voortdurend grensoverschrijdende karakter van de werkzaamheden van rijnvarenden, welke versnippering niet in hun belang zou zijn.
uitzonderingex art. 16 Basisverordening Pro, in de vorm van de Rvov, die eenduidig de scheepsexploitantstaat aanwijst en dat is onbetwist Nederland. Er bestaat dus geen behoefte aan ‘regularisatie’ in verband met het werken in meer lidstaten.
naar analogievan de regularisatieprocedure op verzoek voorlopig een stelsel aangewezen moet worden, gevolgd door kennisgeving aan en overleg met de andere Staat. Dat geval doet zich in casu echter om twee redenen niet voor: (i) de belanghebbende(s werkgever) heeft geen zodanig verzoek gedaan maar is in strijd met de regels voor rijnvarenden in een lidstaat van zijn keuze gaan inhouden, en (ii) Luxemburg is geenszins van mening dat de scheepsexploitant in Luxemburg is gevestigd en dus geenszins van mening dat Luxemburg exclusief bevoegd zou zijn, zodat er geen jurisdictieconflict is dat weggenomen of gearbitreerd zou kunnen worden. Overigens zou daartoe nog steeds niet de inspecteur bevoegd zijn.
shoppen, valt mijns inziens te begrijpen. Die procedure zou mijns inziens overigens tot geen ander resultaat kunnen leiden dan exclusieve Nederlandse heffingsbevoegdheid, gegeven art. 4 Rvov Pro.
Klein Schiphorst(zie onderdeel 5.6 bijlage) lijkt mij
neither here nor there, omdat het in het algemeen verklaart dat EU-rechtelijke bepalingen niet alleen naar hun bewoordingen, maar ook in hun context en naar hun doelstelling moeten worden uitgelegd, hetgeen wij al gedacht hadden en het Hof mijns inziens niet heeft nagelaten.
Sante Pasquini(zie onderdeel 5.3 van de bijlage) lijkt mij niet relevant, nu dat om een schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel bij terugvordering van teveel betaalde pensioenuitkeringen ging: door nalatigheid van de Italiaanse autoriteiten was twaalf jaar een te hoog pensioen aan een (ex)werknemer met grensoverschrijdend arbeidsverleden betaald. Zo’n fout zou zich in een puur binnenlands geval ook kunnen voordoen, maar niet zo langdurig, door een beter procedure, zodat in binnenlandse verhoudingen alleen over kortere periodes teruggevorderd zou worden uit onverschuldigde betaling. Ik begrijp dat de belanghebbende steekt dat een rijnvarende zich genoodzaakt kan zien twee procedures te voeren: een over het toepasselijke stelsel (Svb; bestuursrecht) en een over de premieheffing (belastingdienst; belastingrechter) en bij tegenstrijdige uitspraken mogelijk nog een herzieningsaanvraag (zie HR BNB 2019/44; onderdeel 5.14 bijlage), terwijl in een puur binnenlands geval maar één procedure gevolgd hoeft te worden (bij de belastingrechter).
kanvoordoen. Dat er twee procedures nodig zijn, is dus geen procedurele discriminatie, maar een onvermijdelijk gevolg van een evident objectief verschil in situaties. Geen (EU-)rechtsregel verplicht een lidstaat om stelselaanwijzingsverklaringen en premieheffing bij dezelfde autoriteit onder te brengen, als het halen van EU-recht maar niet moeilijker is dan het halen van nationaal recht. Nu de gewone nationaalrechtelijke procedures ook voor rijnvarenden gelden, is van ongelijkwaardigheid geen sprake. Uiterst bezwaarlijk of nagenoeg onmogelijk om EU-recht te halen is het evenmin. U heeft voorzien in voorkoming van tegenstrijdige uitspraken (die zich in puur interne gevallen niet kunnen voordoen) door in HR
BNB2019/44 (zie 5.14 bijlage) te oordelen dat de belastingrechter ofwel zijn uitspraak moet uitstellen totdat de stelselaanwijzing definitief is, ofwel – als hij niet heeft gewacht en een andersluidende CRvB-uitkomst volgt – zijn uitspraak moet herzien. Dat in casu dubbele premieheffing is ontstaan, heeft niets te maken met enige ongelijkheid in procedurele mogelijkheden of terugvorderingstermijnen ten laste van rijnvarenden in Nederland. In de tweede plaats is de onjuiste premieheffing in Luxemburg veroorzaakt door onjuist handelen van belanghebbende(s) werkgever en de Luxemburgse autoriteiten, waarvoor Nederland, anders dan de Italiaanse overheid in de zaak
Sante Pasquini, geen verantwoordelijk kan worden toegedicht.