Belanghebbende, een Nederlandse werknemer werkzaam op een binnenschip en in loondienst bij een Luxemburgse vennootschap, was in geschil met de Inspecteur over de heffing van premie volksverzekeringen over de jaren 2011 tot en met 2013. Het Hof ’s-Hertogenbosch legde prejudiciële vragen voor aan de Hoge Raad over de gevolgen van het niet naleven van Europese procedurevoorschriften en de geldigheid van een E101-verklaring.
De Inspecteur overhandigde een bindende A1-verklaring van 19 september 2018, die volgens hem de prejudiciële vragen overbodig maakte. De Hoge Raad oordeelde dat de kernvraag over de werking van een A1-verklaring in belastingrechtelijke procedures reeds was beantwoord in een eerder arrest van 5 oktober 2018, waardoor beantwoording niet nodig was.
Daarnaast werd overwogen dat de geldigheid van de E101-verklaring niet was vastgesteld en dat de tweede prejudiciële vraag daarom niet relevant was. De Hoge Raad besloot daarom af te zien van beantwoording van de prejudiciële vragen en bevestigde hiermee de bindende werking van de A1-verklaring in deze context.