Belanghebbende, een Nederlandse kapitein in loondienst bij een Luxemburgse onderneming, voer in 2005 op een motortankschip eigendom van een Nederlandse BV. Het geschil betrof de vraag of belanghebbende in Nederland verzekerd en premieplichtig was voor de volksverzekeringen, waarbij de kern lag bij de vraag tot welke onderneming het schip behoorde en wie de bewijslast droeg.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de Inspecteur onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het schip tot de Nederlandse onderneming behoorde en liet de vraag of het schip tot de Luxemburgse onderneming behoorde open. De Hoge Raad stelde vast dat het Hof niet voldoende onderzoek had gedaan naar de feiten omtrent exploitatie van het schip door de Nederlandse eigenaar, zoals omzet, vrachtopbrengsten, onderhoudskosten en personeel, terwijl deze feiten relevant waren voor de beslissing.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling met inachtneming van de motivering. Tevens werd opgemerkt dat belanghebbende de relevante feiten omtrent de vestiging van de onderneming in het buitenland moet stellen en bij betwisting aannemelijk maken.
De Hoge Raad wees af om proceskosten toe te wijzen en sprak het arrest uit op 24 oktober 2014.