ECLI:NL:CRVB:2022:2438
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band met Nederland
Appellante, die na langdurig verblijf buiten Nederland in september 2019 terugkeerde, vroeg kinderbijslag aan voor haar zoon. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat zij op de peildata geen ingezetene was, aangezien zij nog geen duurzame persoonlijke band met Nederland had opgebouwd en geen eigen woonruimte bezat.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de intentie om zich te vestigen onvoldoende was zonder objectieve factoren zoals een eigen woning. Ook het beroep op internationale verdragen en het Unierecht werd verworpen, mede omdat Curaçao niet tot het EU-grondgebied behoort.
In hoger beroep bevestigde de Raad deze beoordeling. De Raad benadrukte dat ingezetenschap vereist dat een duurzame persoonlijke band met Nederland bestaat, waarbij het beschikken over duurzaam ter beschikking staande woonruimte en de duur van het verblijf belangrijke factoren zijn. Het feit dat appellante een bijstandsuitkering ontving en loonheffingen betaalde, was onvoldoende om ingezetenschap aan te nemen.
Verder oordeelde de Raad dat het belang van het kind voldoende was meegewogen door de Svb en dat het internationale recht geen zelfstandige aanspraak op kinderbijslag voor het kind creëert. De Raad verwierp ook het beroep op het horen van het kind in deze procedure. De conclusie was dat appellante geen recht heeft op kinderbijslag in de periode in geschil.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op kinderbijslag wegens het ontbreken van een duurzame persoonlijke band met Nederland op de peildata.