ECLI:NL:HR:2012:BW7740
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Th. Groeneveld
- G. de Groot
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitsluiting kinderbijslag voor vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf
De zaak betreft meerdere belanghebbenden die kinderbijslag hebben aangevraagd terwijl zij niet beschikten over een rechtmatige verblijfsstatus zoals bedoeld in artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De Sociale Verzekeringsbank wees deze aanvragen af, wat door de rechtbanken werd bevestigd. De Centrale Raad vernietigde deze uitspraken echter en oordeelde dat het onderscheid in artikel 6, lid 2, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) in bepaalde gevallen niet proportioneel is.
De Hoge Raad heroverweegt dit oordeel en stelt dat het onderscheid in artikel 6, lid 2, AKW, dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf uitsluit van kinderbijslag, gerechtvaardigd is door het koppelingsbeginsel en het Nederlandse immigratiebeleid. Dit geldt ook voor vreemdelingen die langdurig in Nederland verblijven en een sterke band met Nederland hebben opgebouwd.
De Hoge Raad benadrukt dat kinderbijslag bedoeld is ter ondersteuning van ouders bij de opvoeding van hun kinderen en niet als bestaansminimumvoorziening. Het recht op kinderbijslag is gekoppeld aan de verblijfsstatus en het onderscheid is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel of discriminatieverbod uit het EVRM en het IVBPR. De uitspraak van de Centrale Raad wordt vernietigd en de eerdere uitspraken van de rechtbanken worden bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf geen recht hebben op kinderbijslag volgens de Algemene Kinderbijslagwet.