ECLI:NL:CRVB:2017:877
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band met Nederland
Appellant, geboren in 1969, woonde aanvankelijk met zijn gezin in Syrië en voegde zich in januari 2014 bij zijn meerderjarige zoon in Nederland. Hij verbleef in een asielzoekerscentrum en kreeg in juni 2013 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. In april 2014 werd hij ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Begin mei 2014 vroeg appellant kinderbijslag aan voor zijn minderjarige zoon, maar deze werd op 11 juli 2014 afgewezen omdat hij niet als ingezetene van Nederland werd beschouwd.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) verklaarde het bezwaar ongegrond omdat appellant op de peildata van het tweede en derde kwartaal 2014 geen duurzame persoonlijke band met Nederland had. De rechtbank Limburg bevestigde dit oordeel. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij de intentie had zich definitief in Nederland te vestigen, niet kon terugkeren naar Syrië, een verblijfsvergunning had, zijn zoon naar school ging, hij een inburgeringscursus volgde en woonruimte had in een asielzoekerscentrum, met uitzicht op een zelfstandige woning.
De Raad oordeelde dat voor ingezetenschap een duurzame persoonlijke band met Nederland vereist is, die niet alleen berust op intentie of verblijf in een asielzoekerscentrum. Omdat appellant op de peildata nog geen zelfstandige woonruimte had en slechts kort verbleef, was er geen sprake van een duurzame band. De bepalingen van de AKW zijn dwingendrechtelijk, waardoor geen belangenafweging of toetsing aan het evenredigheidsbeginsel mogelijk is. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het beroep af.
Uitkomst: De aanvraag om kinderbijslag wordt afgewezen omdat appellant op de peildata geen duurzame band met Nederland had en dus niet als ingezetene werd beschouwd.