ECLI:NL:CRVB:2017:4021
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- F. Hoogendijk
- G.M.G. Hink
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Toepassing kostendelersnorm op alleenstaande ouder met niet-rechthebbende partner niet in strijd met IVRK
Appellant, een alleenstaande ouder met twee minderjarige kinderen, ontving bijstand op grond van de Participatiewet (PW) volgens de kostendelersnorm, omdat hij samenwoonde met zijn niet-rechthebbende echtgenote. Het college verleende bijzondere bijstand ter compensatie van het feit dat de partner geen inkomsten had en ter overbrugging van het kindgebonden budget. Appellant maakte bezwaar tegen de toepassing van de kostendelersnorm vanaf oktober 2015, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van het college ongegrond en oordeelde dat de bijstand van 90% van de gehuwdennorm niet in strijd was met het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Appellant stelde dat de toepassing van de kostendelersnorm discriminerend was en in strijd met de artikelen 2, 3 en 27 van het IVRK. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderscheid gerechtvaardigd was vanwege het koppelingsbeginsel in de PW, dat voorkomt dat niet-rechthebbenden bijstand ontvangen.
De Raad stelde vast dat de bijzondere bijstand die appellant ontving, de gevolgen van de kostendelersnorm compenseerde en dat het college voldoende rekening had gehouden met de belangen van de kinderen. De Raad concludeerde dat de toepassing van de kostendelersnorm niet in strijd was met het IVRK en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de toepassing van de kostendelersnorm op appellant niet in strijd is met het IVRK en verklaart het hoger beroep ongegrond.